A. Inleiding
Openbaring 14 en 15 leiden de laatste fase van de Grote Verdrukking in. Waarschijnlijk betreft dat een periode van enkele weken of misschien zelf slechts enkele dagen, waarin ook de laatste oordelen van God over de aarde gaan.
Vers 1: Weer kreeg ik een gezicht en zie! Het Lam stelde zich op bij de berg Sion en met Hem de honderdvierenveertigduizend die de Naam droegen van Zijn Vader die op hun voorhoofden was geschreven.
Een nieuw visioen verplaatst Johannes naar de berg Sion in Jeruzalem. De honderdvierenveertigduizend zijn dienaren van God (12.000 uit elke stam van Israël, Openbaring 7:3). Zij zijn door God verzegeld met Zijn naam, die bescherming biedt tegen vijanden en voor de oordelen over de aarde – ze zijn in feite onkwetsbaar, want ze hebben een verheerlijkt lichaam gekregen.
De honderdvierenveertigduizend stellen zich op onder leiding van het Lam, Jezus Christus. Het is een luisterrijke inleiding tot de laatste fase van de Grote Verdrukking,
_________________________________________________________________________________________________
Vers 2: Toen hoorde ik een geluid uit de hemel dat klonk als het geluid van geweldige watermassa’s of machtige donderslagen. Daarna heb ik het geluid van muzikanten gehoord die de lier bespelen.
Johannes hoort een oorverdovend geluid uit de hemel, gevolgd door het lieflijke geluid van muzikanten. Dat gebeurt in de hemel, dus ziet Johannes dit in een visioen (vers 1 speelt zich namelijk af op aarde).
_________________________________________________________________________________________________
Vers 3: Zij zongen vóór de hoge troon en voor het aangezicht van de vier levende wezens en de oudsten. Het klonk als een nieuwe lofzang en niemand was in staat het lied te leren behalve de honderdvier- enveertigduizend die van de aarde waren vrijgekocht.
Er klinkt een machtig Te Deum vóór de hoge troon; een hemelse lofzang aan God. In Openbaring 7:9 is sprake van een menigte uit elke natie, stammen, volken en talen en die stond vóór de hoge troon en vóór het Lam, bekleed met witte gewaden en palmtakken in hun handen. Zij komen uit de Grote Verdrukking (Openbaring 7:14). Wel, … wat kwamen ze daar doen? God eer toebrengen natuurlijk, dat blijkt wel uit de palmtakken. Het ligt dus voor de hand dat zij de zangers zijn.
De woorden van de lofzang zijn in hemeltaal, dus kunnen aardse mensen die niet begrijpen. Uitzondering vormen de honderdvierenveertigduizend. Zij verblijven op aarde, maar hebben hemelse kenmerken: zij zijn door God verzegeld (Openbaring 7:4) dus heeft de dood geen vat op hen; zij zijn immers vrijgekocht.
_________________________________________________________________________________________________
Vers 4-5: 4 Deze zijn het die zich nooit met vrouwen besmet hebben, want zij zijn puur. Ja, deze zijn het die het Lam volgen waar Hij hen heenleidt. Zij zijn gekocht uit de mensheid als eersteling voor de hoge God en voor het Lam. 5 Ook wordt in hun mond geen leugen gevonden, want zij zijn zonder smet voor het aangezicht van de troon van de hoge God.
De heiliging van de 144.000 blijkt gepaard te gaan met het celibaat (nooit met vrouwen besmet). Dat geldt natuurlijk vanaf het moment van de verzegeling door de hoge God – toen werden ze heilig.
Het woord eersteling heeft een geestelijke betekenis. Het wijst op de komende oogst van gelovigen op aarde en de 144.000 zijn daar de voorlopers van.
Waarom besmet? Omdat huwelijk, geboorte en sterven onderdeel zijn van de ‘zondeschuld’. We sterven dus zijn ‘nieuwe mensen’ nodig. Dat hoeft niet meer, want de 144.000 hebben een onsterfelijk lichaam.
De 144.000 zijn waardig om voor het aangezicht van de troon van de hoge God te komen. Dat is alleen mogelijk indien een mens zondeloos is, dus heilig. Daarom kunnen ze de nabijheid van God verdragen.
_________________________________________________________________________________________________
Vers 6: Toen zag ik één van de (hoge) engelen die hoog aan de hemel vloog. Hij bracht de blijde boodschap van het eeuwenlange tijdperk, opdat die verkondigd moge worden aan hen die op de aarde wonen, aan elke natie en stam, in elke taal of aan elk volk.
De blijde boodschap van het eeuwenlange tijdperk wordt door de eerste aartsengel (van zeven) over de aarde verspreid. Deze blijde boodschap is geen evangelie van bekering en genade zoals Jezus Christus die predikte. Deze boodschap ziet op het Messiaanse Rijk en op het einde van de Grote Verdrukking.
_________________________________________________________________________________________________
Vers 7a: Hij sprak met luide stem: Wees dan zeer bevreesd voor de hoge God en geeft Hem toch eer, want het uur van Zijn afsluitend oordeel is gekomen. Aanbidt dan Hem, Die de hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en de bronnen van de wateren.
De blijde boodschap (vers 6) klinkt korte tijd vóór het einde van de Grote Verdrukking. Dan is het een chaos op aarde. De Antichrist raakt de grip op zijn vazallen kwijt (de koning van het zuiden en van het noorden – Daniël 11:40-45). Een nieuwe macht staat op: Gog uit Magog, een andere hoge dienaar van Satan. Het kwaad raakt dus verdeeld, maar komt niet tot inkeer. Daarom roept de aartsengel:
Wees dan zeer bevreesd voor de hoge God en geeft Hem toch eer, want het uur van Zijn afsluitend oordeel is gekomen.
God waarschuwt Zijn vijanden dat de verschrikkingen van de laatste oordelen voor de deur staan: de zeven plagen (Openbaring 15, 16 en 17). Dat is inderdaad iets om zeer bevreesd voor te zijn.
God openbaart zich hier als de wrekende gerechtigheid. Slechts zij overleven én het teken van het Beest niet dragen en zich neerwerpen voor de Allerhoogste – zich dus bekeren –, ontvangen clementie.
_________________________________________________________________________________________________
Vers 8a: Daarna volgde nog een (hoge) engel die riep: Gevallen, gevallen is Babylon, die grote stad;
Dit zijn – heilshistorisch gezien – belangrijke woorden. De val van Babylon, die grote stad, en met haar de ondergang van haar verderfelijke religie, markeert een keerpunt van groot belang in de Eindtijd die inleidt tot de stichting van het Messiaanse Rijk. De ondergang van Babylon is geen nieuw thema, maar betreft een centraal onderwerp in de Raad Gods. Daniël 8:25, 9:27 en 11:45 spreken erover. De profeet Jesaja zag in een visioen dat grote moment van Gods triomf (Jesaja 21:9); Jeremia 51:6-9 profeteert erover en in het Nieuwe Testament de apostel Paulus (2 Thessalonicenzen 2:8-10) .
Deze profetie staat in de Perfectum Propheticum geschreven, de verleden tijd van de profeten – Johannes kijkt terug vanuit een tijdstip in de toekomst. Daarmee wordt aangegeven dat de ondergang van de Antichrist vaststaat in de Raad Gods. Indien we deze profetie letterlijk nemen dan wordt Babylon herbouwd ergens in de Eindtijd. Wanneer weten we niet; de Bijbel spreekt er verder niet over.
In Openbaring 18:1 vinden we dezelfde aankondiging over de val van Babylon. Dat hoofdstuk
maakt duidelijk dat het rijk van de Antichrist bedoeld wordt én het daarbij behorende antigoddelijke systeem dat we de Babylon-religie noemen, verpersoonlijkt door het beeld van het Beest in de Voorhof van de Tempel te Jeruzalem. Het zal de lezer reeds opgevallen zijn dat we consequent hechten aan de letterlijke betekenis van de Griekse grondtekst. Indien we dat ook hier doen – op zich logisch –, dan zal de stad Babylon nog herrijzen. Dat wordt door weinig exegeten onderschreven, maar we willen dat toch als mogelijkheid nadrukkelijk openlaten.
Vers 8b: vanwege de wijn – de koortsachtige passie van haar hoererij – die zij alle volken te drinken heeft gegeven.
Overleveren aan Satan – dat noemen we de stap die mensen kunnen nemen om elke binding met God af te zweren. Dat is jezelf overleveren aan het kwaad – bewust – en daar bestaat geen vergeving voor. Er zijn maar weinig teksten in de Bijbel die dat kwaad zo duidelijk beschrijven als vers 8b – de koortsachtige passie van haar hoererij. Het is een bezetenheid die alle volken van de aarde met gretige teugen zullen indrinken. De profetie duidt op de tweede helft van de Grote Verdrukking. Dan is de wereldbevolking in grote meerderheid verklaard vijand van God geworden. Voor hen die weigeren om God te verloochenen zijn de enige twee alternatieven: onderduiken of de dood. Daar maakt God een einde aan – vers 9.
_________________________________________________________________________________________________
Vers 9: En een derde engel volgde hen. Hij riep met luide stem: Indien iemand het beest aanbidt en zijn beeld en het merkteken op zijn voorhoofd of op zijn hand ontvangt, zal ook hij de wijn van de vlammende passie van de hoge God moeten drinken, die onverdund is, onvermengd in de beker van Zijn aanzwellende woede.
De derde aartsengel spreekt het oordeel uit over alle aardbewoners die het beeld van het Beest aanbidden en het getal 666 op hun voorhoofd of hun hand dragen. Zij gaan onder in het oordeel van de vlammende passie van de hoge God. Zij moeten drinken uit de beker van Zijn aanzwellende woede. Is voor hen nog clementie mogelijk? Neen, Gods wraak is onvermengd, dus zonder mededogen. Zij worden ter dood gebracht – vers 10.
_________________________________________________________________________________________________
Vers 10: Dan zal hij gefolterd worden met vuur – dat verterend vuur is – voor het aangezicht van de heilige engelen en voor het aangezicht van het Lam.
De dienaren van Satan worden allen gedood en daarmee wordt de aarde gezuiverd van het kwaad. De gebruikte termen doen denken aan het meer van het Goddelijk vuur, waar Openbaring 20:10 over spreekt, waar ook het beest en de valse profeet in geworpen worden en – duizend jaar later – ook Satan.
_________________________________________________________________________________________________
Excurs 2: Vuur uit de Hemel
In Hebreeën 12:29 (HSV) staat geschreven: Want onze God is een verterend vuur. Dat is geen gewoon vuur dat alleen materialen kan verteren of een mens lichamelijk kan doden. Goddelijk vuur kan de zielen van mensen en ook hemelse geesten uitwissen – en is in die toepassing de ultieme straf.
Vuur op het Altaar
De inwijding van de tabernakel werd door God zelf luister bijgezet, want Hij ontstak met Goddelijk vuur uit de hemel het brandofferaltaar; Leviticus 9:24 (HSV):
Een vuur ging uit van het aangezicht van de HEERE, en verteerde het brandoffer en de vetdelen op het altaar. Toen heel het volk dit zag, juichten zij en wierpen zich met het gezicht ter aarde.
Toen onder koning Salomo de tempel in gebruik werd genomen, gebeurde hetzelfde. Een goddelijk vuur daalde neer uit de hemel en verteerde de offerdieren op het brandofferaltaar (2 Kronieken 7:1). Alleen dat vuur kon bewerken dat met het brengen van brandoffers de zonde werden verzoend en uitgewist. Dat kon geen gewoon menselijk vuur tot stand brengen, alleen een Goddelijk of verterend vuur. Daarom mocht dit vuur nooit uitdoven (Leviticus 6:13).
De Vuurhaard van God
Er was sprake van verschillende vuren in en op het brandofferaltaar. Namelijk de vuurhaard, waar de offers op verbrand werden; een vuur waarmee houtskool werd gemaakt en een afgeschermde plaats waar het vuur werd ‘bewaard’. Dit noemde men de vuurhaard van God of Ariel. Het Goddelijke vuur was ook de bron, waaruit de gouden kandelaar en het reukofferaltaar in de tempel werden ontstoken. In al die gevallen is dus sprake van vuur dat zijn oorsprong in Jahweh heeft, dus heilig vuur. Vuur dat niet uit goddelijke bron kwam, werd onheilig vuur genoemd (Leviticus 10:1-2 en 16:1) en mocht niet voor de offers gebruikt worden, op straffe des doods!
Oordelend Vuur
Het Goddelijk vuur diende niet alleen om offers ter verzoening te brengen. Het is dus ook een wapen in de hand van God. In die toepassing is het ‘oordelend vuur’, want het doodt zowel het lichaam als de ziel.
_________________________________________________________________________________________________
Vers 11: De rook van hun pijniging stijgt op tot het eeuwenlange tijdperk. Ja, wie zich neerbuigen voor het beeld van het Beest zullen dag en nacht geen rust kennen.
Er staat niet dat verlorenen dag en nacht (of eeuwig) gefolterd zullen worden, zoals velen verklaren. Hier spreekt Johannes over de korte periode tussen de Grote Verdrukking en de kroning van Jezus Christus in Jeruzalem. Dan zullen de dienaren van Satan opgespoord worden en gedood met Goddelijk vuur.
* In de eeuwigheid bestaat geen dag of nacht. Die cyclus is aan aardse tijden gekoppeld.
_________________________________________________________________________________________________
Vers 12: Want daaruit bestaat de volharding van de heiligen die zich houden aan de geboden van de hoge God en het geloof in Jezus Christus.
Dit vers verwijst naar Openbaring 13:10 (Grondtekst):
want als iemand door hem in gevangenschap raakt – zal hijzelf in gevangenschap geleid worden; Indien iemand met het zwaard zal doden – is het onvermijdelijk dat hijzelf ook met het zwaard gedood wordt; want hieruit bestaat de volharding en het geloof van de heiligen.
En Openbaring 13:10 sluit weer aan bij Openbaring 6:10, waar dezelfde heiligen aan God om vergelding vragen en is in feite het antwoord daarop. We herhalen de tekst:
Zij riepen met luide stem, zeggende: Hoelang nog Heerser, Die heilig en waarachtig is, spreekt U nog geen recht en wreekt U ons bloed niet aan hen die op de aarde wonen?
Het geloof van de heiligen houdt niet alleen in dat God door hen om vergelding gevraagd wordt voor wat hen is aangedaan. De heiligen wijzen hier op Satan en zijn trawanten, want hun daden worden als een aanval op God gezien. De heiligen vertrouwen erop dat God daarom zal ingrijpen; dat er een einde zal komen aan het lasteren van Zijn Naam. Met nadruk wijzen we op de tweedeling in dit vers:
1. De derde aartsengel spreekt tot hen die de geboden van de hoge God houden Joden dus.
2. En tot de ‘nieuwe’ christenen – (die zich houden aan) het geloof in Jezus Christus.
_________________________________________________________________________________________________
Vers 13: Toen hoorde ik een stem uit de hemel die tot mij zei: Schrijf op: Zalig zijn de doden die in het heden in de Heer sterven – waarlijk, getuigen zij die geest zijn –, opdat zij van hun inspanningen rusten mogen.
De stem uit de hemel is van de vierde aartsengel. Opereren de eerste drie aartsengelen op of boven de aarde, de overige vier treden in de hemel op. De opdracht aan de ‘schrijver’ betreft natuurlijk Johannes.
Zij die de marteldood sterven in de Grote Verdrukking zijn nieuwe gelovigen. Ze worden hier de doden die in het heden in de Heer sterven genoemd. Deze verblijven na hun sterven in het dodenrijk en vallen als het ware tussen de wal en het schip. Zij horen namelijk niet bij de heiligen uit het Oude Testament die Jezus uit het dodenrijk verlost heeft bij Zijn opstanding. Zij horen ook niet bij de Gemeente van Jezus Christus, want allen die in Christus gestorven zijn en bij de Opname nog leven, zullen met Jezus Christus opvaren naar de hemel. Deze doden worden in Openbaring 6:9-11 de zielen onder het altaar genoemd en hun vergoten bloed roept tot God. Zij zijn een anachronisme in het dodenrijk – ze horen daar niet!
Wat hier nu gezegd wordt is dat er een einde komt aan hun verblijf in het dodenrijk – waar zij geest zijn. Hen wordt het zalige hemelleven toegekend, opdat zij van hun inspanningen rusten mogen. Hun hemelse bestemming wordt in Openbaring 7:13-14 beschreven.
_________________________________________________________________________________________________
Vers 14: Ook zag ik in een visioen een witte wolk en daarop zat iemand Die als de Zoon des Mensen was. Hij droeg een gouden krans op Zijn hoofd en in Zijn hand hield Hij een scherpe sikkel.
Het visioen van Johannes verplaatst zich nu naar een toekomstig tafereel in de hemel. Daar is hij getuige van het aanstaande vertrek van de verheerlijkte Jezus Christus naar de aarde – Zijn wederkomst dus. Johannes ziet de Zoon des Mensen op een wolk, waarmee Hij de hemel gaat verlaten. Dat kan geen verbazing wekken want in Handelingen 1:11b (HSV) wordt dit door een aartsengel voorzegd:
Deze Jezus, Die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze terugkomen als u Hem naar de hemel hebt zien gaan.
De bestemming van Jezus, bij Zijn wederkomst, wordt ook gegeven – Handelingen 1:12
Toen keerden zij terug naar Jeruzalem, van de berg die de Olijfberg genoemd wordt, die vlak bij Jeruzalem is en daar een sabbatsreis vandaan ligt.
Jezus Christus komt dus aan op de Olijfberg, wat nog eens in Zacharia 14:4 (HSV) wordt bevestigd:
Op die dag zullen Zijn voeten staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, ten oosten ervan.
Jezus Christus draagt een gouden krans. Hij is daar kennelijk mee gekroond en dat duidt op Zijn overwinning over de dood – dus op Golgotha – en Zijn opstanding. De scherpe sikkel symboliseert de macht van Jezus. Hij komt niet om te prediken, maar om de maaien, dus ten oordeel.
_________________________________________________________________________________________________
Excurs 3: De Twee Sikkels
Openbaring 14:14-20 spreekt van twee sikkels – dat zijn instrumenten ten oordeel – die beiden gebruikt worden om op aarde te maaien. De eerste maait de oogst op aarde (vers 15). Dat betreft een oordeel over de goddelozen (omdat de oogst op aarde verdord is) die de gehele aarde betreft.
De tweede maait druiventrossen (natuurlijk in de wijngaard). Die wijngaard typeert in de Bijbel het land Israël of Kanaän, zoals onder andere Jesaja 5:7 bevestigt:.
Want de wijngaard van de HEERE van de legermachten is het huis van Israël, en de mannen van Juda zijn Zijn lievelingsplant.
Er staat nergens dat de wijnstokken worden gerooid en verbrand – toch hét te schetsen beeld als een definitief oordeel in zicht is. Neen, hier worden druiventrossen afgesneden; stuk voor stuk en dat suggereert keuze. Het land wordt ontdaan van vijanden van God – de ‘foute’ trossen worden verwijderd.
Er staan nog twee kenmerkende mededelingen in deze profetie die onze kennis wat aanvullen.
Openbaring 14:20 (Grondtekst) spreekt beperkend:
Opdat de wijnpersbak getreden wordt – buiten de stad –
De stad is Jeruzalem, dus wordt gesuggereerd dat het de bewoners van Jeruzalem betreft en/of de inwoners van Kanaän. Tweede beperking is de zinsnede (14:20 Grondtekst):
en het bloed uit de wijnpersbak tot aan de tomen van de paarden is gestroomd over een afstand van zestienhonderd stadiën.
De afstand van zestienhonderd stadiën is ruwweg de afstand tussen het zuidelijkste puntje van Kanaän en het noordelijkste. Ook dat lijkt op Kanaän (of Palestina) te wijzen 12).
Conclusie: Johannes spreekt hier over twee oordelen. De eerste valt buiten Kanaän en de tweede treft Kanaän en haar inwoners.
_________________________________________________________________________________________________
Vers 15: Een volgende (hoge) engel die uit de (hemelse) tempel was gekomen, riep met luide stem: Dat Hij Die zit op de wolk, met Zijn eigen sikkel uitgezonden moge worden om te gaan maaien. Want het uur om te maaien is gekomen, omdat de oogst op aarde verdord is.
De vijfde aartsengel wordt door God zelf, vanuit Zijn heilige woonplaats in de hemel, naar Hij Die zit op de wolk gestuurd – Jezus Christus dus –, om het vertrek van de verheerlijkte Jezus uit de hemel (= de eerste fase van Zijn wederkomst) als heraut aan te kondigen.
Vers 15 is een Koninklijke proclamatie en dat is niet ten onrechte, want daarmee wordt een belangrijke mijlpaal binnen de Raad Gods bereikt; de eindfase van de Grote Verdrukking wordt ingeleid. Jezus Christus komt in eerste instantie ten oordeel en het is de profeet Jesaja, hoofdstuk 63:3-4 (HSV), die hierover profeteert:
Ik heb de pers alleen getreden; er was niemand uit de volken met Mij. Ik heb hen vertreden in Mijn toorn, hen vertrapt in Mijn grimmigheid. Hun bloed is op Mijn kleding gespat, heel Mijn gewaad heb Ik besmet. Want de dag van de wraak was in Mijn hart, het jaar van Mijn verlosten was gekomen.
Over de sikkel van het oordeel spreekt ook Joël 3:13-14 (HSV):
Sla de sikkel erin, want de oogst is rijp. Kom en daal af, want de wijnpers is vol. De perskuipen stromen over, want hun kwaad is groot.
Vers 15c: Want het uur om te maaien is gekomen, omdat de oogst op aarde verdord is.
Hoewel velen vertalen dat de oogst rijp is en daaraan een positieve betekenis verbinden, staat er verdord en een verdorde oogst is waardeloos. Die wordt afgemaaid en verbrand. Vers 15 leidt dus de laatste serie oordelen in.
_________________________________________________________________________________________________
Vers 16: Toen bracht Hij Die op de wolk zat de sikkel Zelf naar de aarde, opdat de aarde gemaaid zou worden.
Dan daalt de verheerlijkte Heer Jezus op Zijn wolk naar de aarde. Zijn aankomstplaats is de Olijfberg aan, bij Jeruzalem (Zacharia 14:4). Daarmee beginnen de laatste oordelen die, in feite, de afsluiting van de Grote Verdrukking vormen.
_________________________________________________________________________________________________
Vers 17-18: 17 Een volgende (hoge) engel die uit de tempel in de hemel was gekomen, had zelf ook een scherpe sikkel. 18 Een volgende (hoge) engel kwam van het altaar vandaan en hij had macht over het vuur. Toen heeft hij Hem die de sikkel had met luide stem toegeroepen, zeggende: Moge de scherpe sikkel door Ú gezonden worden, opdat de druiventrossen van de aarde geoogst zouden worden, want haar druiven zijn rijp geworden.
Na de aankondiging van de aanstaande wederkomst van Christus, komt een zesde aartsengel uit Gods heilige woonplaats in de hemel tevoorschijn. Ook hij heeft een scherpe sikkel in zijn hand, dus is ook zijn taak om een oordeel uit te voeren. Dit oordeel betreft de ‘wijngaard van God’ en dat is het land Kanaän en haar inwoners. Om die reden mogen we vermoeden dat het Michael is, want deze aartsengel is toegevoegd aan het volk Israël.
Vers 18b: hij had macht over het vuur
De zevende en laatste aartsengel komt van het altaar in de hemel vandaan. Daar heeft hij de beschikking gekregen over Goddelijk vuur dat hij van het altaar neemt. Dat is geen gewoon vuur. Dit Goddelijke vuur kan ook de ziel doden; niet alleen van mensen, ook van hemelse geesten.
De wijngaard (druiventrossen van de aarde) stelt het volk Israël voor, zoals meerdere teksten aantonen. Ook de staat Israël (die op dat moment een verbond heeft met de Antichrist) valt onder het oordeel. De goddelozen uit het volk worden afgesneden en met Goddelijk Vuur uitgewist.
Vers 19: Die engel heeft toen zijn sikkel op de aarde neer gebracht en de wijnstok van de aarde geoogst en hij wierp die in de wijnpersbak van de grote toorn van God.
De aartsengel met de sikkel – waarschijnlijk Michael – vertrekt naar de aarde en voert daar Gods oordeel uit. Daar moet je niet te licht over denken, want hier wordt een verschrikkelijk bloedbad beschreven.
Aldus wordt het volk Israël ontdaan van het kwaadwillige deel dat de Antichrist volgde en blijft zo een gelovig Israël over; ook wel het ware Israël genoemd 2).
De Wijngaard Wordt Gesnoeid
De aartsengel met de sikkel snoeit dus de wijngaard (Israël) en zo worden de kwade vruchten verwijderd. Ook daar spreekt Jesaja over; hoofdstuk 4:4 (HSV):
Wanneer de Heere de vuilheid van de dochters van Sion afgewassen zal hebben en de vele bloedschuld van Jeruzalem uit het midden ervan weggespoeld zal hebben door de Geest van oordeel en door de Geest van uitbranding, 6)
En Zacharia 13:8 (HSV) getuigt:
Het zal gebeuren, spreekt de HEERE, dat in heel het land twee derde ervan uitgeroeid zal worden en de geest zal geven, en een derde ervan zal overblijven. 7)
_________________________________________________________________________________________________
Vers 20a: Opdat de wijnpersbak getreden wordt – buiten de stad –
Het treden van de wijnpersbak is een metafoor voor het oordeel van God over de staat Israël aan het Einde van de Grote Verdrukking. Dat oordeel betreft uiteraard alleen hen die zich bij de Antichrist hebben aangesloten en zich zo hebben overgegeven aan Satan.
Het is waarschijnlijk dat de uitdrukking buiten de stad een synoniem is van buiten de legerplaats. En dat wijst weer op de bok van Azazel die op Grote Verzoendag beladen met de zonde van het volk de woestijn in werd gezonden (Leviticus 16:8-10). Met deze ‘wegzending’ van het ongelovige deel van Israël (zie vers 19.1) is zo recht gedaan aan de rechtvaardigheid van God en wordt daarmee het overblijvende deel van Israël – het ware Israël – verzoend.
Vers 20b: en het bloed uit de wijnpersbak tot aan de tomen van de paarden is gestroomd over een afstand van zestienhonderd stadiën.
Hier lezen we de massale executie van het afvallig deel van de inwoners van Jeruzalem en omgeving – satanskinderen dus. Zij vluchten in het dal waar Zacharia 14:5 over spreekt en worden daar gedood.
De veroordeelden komen uit Kanaän over een afstand van zestienhonderd stadiën – ongeveer 300 km, zijnde de afstand van Dan tot Bersheba, wat de traditionele aanduiding is voor het gehele land van Israël. Hoe we ons dat praktisch moeten voorstellen is mij niet duidelijk. De wijnpers staat immers buiten Jeruzalem (20a), dus een eerste reactie is dat de veroordeelden uit Jeruzalem komen. Het zal te Zijner tijd wel onthuld worden.
_________________________________________________________________________________________________
Deze studie is niet meer dan een uittreksel met beperkte inhoud. Voor een veel uitgebreider bespreking verwijzen we naar:
De Openbaring van Jezus Christus door GertA. van de Weerd.
Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

