Aflevering 7: Openbaring 5

Openbaring 5, Exegese – De Boekrol wordt Geopend

Vers 1: Aan de rechterzijde van Hem die gezeten was op de hoge troon (ik was nog steeds in het visioen) – was een boekrol die vanbinnen en op de achterzijde beschreven was en met zeven zegels verzegeld.

Het woord kathēmenou (1) (gezeten was) heeft een brede betekenis. Naast zitten kan het ook verblijven of wonen betekenen. De hoge troon is dus geen stoel of fraai versierde troon, maar omvat de gehele troonwagen; dus de vier levende wezens, de glazen zee daarboven en de groene boog (van smaragd) of uitspansel/gewelf dat het geheel overkoepelde.

Johannes weet nu dat de hoge God op de troon zit, maar spreekt zijn naam niet uit. Dat is een blijk van ontzag voor wat hij ziet: Een indrukwekkende troon met daarop een vurig silhouet waarvan de verterende uitstraling getemperd wordt door een wolk en een koepel, die over de ‘verschijning’ ligt. Uit Openbaring 4 bleek al dat er een sleutelmoment in de heilsgeschiedenis is aangebroken. De boekrol met Gods oordeel over de aarde wordt onthuld. De boekrol is een klein stukje geopend en aan weerskanten beschreven, maar Johannes staat te ver weg om het te kunnen lezen. De boekrol bevat zeven zegels en onder elk van die zevenzegels ligt een oordeel beschreven. Die oordelen worden uitgevoerd door de zeven aartsengelen en die staan nu onder bevel van Jezus Christus. Daarom moet Hij die zegels verbreken.

Wat Johannes ziet, dienen we ons voor te stellen als een gedeeltelijk open gerolde boekrol, aan weerskanten beschreven, waarvan de zeven zegels een verder afrollen onmogelijk maakte. Dat deed men met een koord dat met een zegel werd vastgezet. Volgens vers 1 was die ‘eerste pagina’ van de boekrol beschreven, maar Johannes kan niet onderscheiden wat erop staat. Daarvoor staat hij te ver weg

________________________________________________________________________________________

Vers 2: Ook zag ik een machtige engel die als een heraut met luide stem proclameerde: Wie is waardig de boekrol te openen, dus de zegels ervan te verbreken?

Er komt een aartsengel op. Hij proclameert een retorische vraag die onderdeel is van de ceremonie van overhandiging van de boekrol in de troonzaal van God, want het antwoord is al bekend (vers 3). De vraag weerspiegelt het belang van het moment, want als de boekrol overgaat in de handen van de verheerlijkte

Christus, opent dat de deur naar de schoonmaak van de aarde, opdat het Messiaanse Rijk kan aanvangen.

De vraag benadrukt ook de menselijke onmacht om de boekrol te openen. Is dat dan zo noodzakelijk? Ja, want een nieuwe schepping – die de doelstelling is van Gods Raad – vereist dat de mensheid verlost wordt. Er bestaat namelijk een onoverbrugbare kloof tussen God en de mens. Die kan alleen gedicht worden via schuldverzoening en persoonlijke heiliging. Maar, heiliging is geen eenrichtingsverkeer dat bereikt wordt door bekering alleen. Er rest dan nog steeds een niet-gecompenseerde schuld die ook voldaan moet worden. Het Nieuwe Verbond (Berit Olam genoemd) – de sleutel tot het Messiaanse Rijk – kan pas in werking treden als de schuld van de wereld verzoend is.

Praktisch gezien houdt die schulddelging in dat de vijanden van God gedood worden en de gelovigen – zij die zich onder de banier van Jezus Christus stellen en de oordelen overleven – het Messiaanse Rijk mogen binnengaan, want Jezus is erfgenaam en losser van de schepping.

De vraag van Openbaring 5:2 betekent ook: Wie is de toekomstige stadhouder van de aarde. De eigenaar is bekend: de hoge God. Maar in een ver verleden zond Hij Satan voor de zondeval naar de aarde als Zijn stadhouder. Daarom wordt hij de overste van deze wereld genoemd (Johannes 12:31, 14:30 en 16:11).

________________________________________________________________________________________

Vers 3: Maar niemand in de hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde was bij machte het boek te openen of er zelfs maar naar te kijken.

De plaatsen die genoemd worden, zijn:

1. De hemel. De plaats waar engelen en andere hemelse machten verblijven.
2. De aarde, dus geldt dat alle aardbewoners.
3. Onder de aarde; dat is de hāidēs (Hebreeuws Sheol), de plaats waar de doden verblijven tot aan hun opstanding ten leven of ten oordeel.

De drievoudige aanduiding verwijst naar Exodus 20:4 (de Wet) en betreft heel het universum – dus alles wat in de tijdstroom staat. Daarvan uitgezonderd is Gods woonplaats, want die staat buiten de tijd.

In vers 3 staan details die meestal over het hoofd gezien worden. Er staat namelijk niet alleen dat niemand in staat is om de boekrol te openen (dat duidt natuurlijk op het verbreken van de zegels). De tweede mededeling is dat niemand in staat was er zelfs maar naar te kijken. Het is namelijk onmogelijk voor een mens om de troonwagen (dus de Heerlijkheid van Jahweh) te benaderen. God is een verterend vuur (Hebreeën 12:29). Geen mens kan Hem zien en leven (Exodus 33:20).

Is er verschil tussen de boekrol openen en de boekrol inzien? Waarschijnlijk wel, want uit vers 1 blijkt dat de boekrol gedeeltelijk was geopend en beschreven. De inhoudsopgave was zichtbaar voor iemand die dichtbij kon komen (Johannes kon die tekst dus niet lezen, hij stond te ver weg). De inhoud van de boekrol, dus de daadwerkelijke uitvoering van het oordeel, was niet zichtbaar – die was verzegeld. Zo wordt Jezus Christus geopenbaard wat zijn taak is.

Nu gaat ook het woord niemand een sleutelrol spelen. Want in de begrippen hemel, aarde en onder de aarde is het Vaderhuis – Gods woonplaats – niet inbegrepen. En juist daar, aan de rechterhand van de Vader, troont ook zijn Zoon, Jezus Christus. Hij kan het verterend vuur van God wel verdragen, dus ook de troonwagen naderen. Het waardig-zijn (vers 2) heeft Jezus Christus verworven door zijn kruisdood. Het capabel zijn (bij machte) door zijn Zoonschap. Hij is dus de enige kandidaat.

________________________________________________________________________________________

Vers 4: En ik (Johannes) weende luid, omdat niemand waardig was gevonden om het boek te openen noch er zelfs maar naar te kijken. – Dit spreekt voor zich.

Vers 5: Eén uit de oudsten zei tot mij: Ween niet. Zie, de Leeuw Die uit de stam van Juda is voortgekomen, de wortel van David, heeft overwonnen om de boekrol te openen en de zeven zegels daarvan te verbreken.

Gelukkig komt er een einde aan de macht van Satan (Openbaring 20:1-3). Er wordt een nieuwe stadhouder benoemd (hoewel Hij zijn erfdeel nog niet heeft opgeëist). Die titel verwierf Jezus nadat Hij zijn leven tot een losprijs voor velen had opgeofferd (Mattheüs 20:28, Markus 10:45). Hij is de wortel van David; de Leeuw die uit de stam van Juda is voortgekomen. Genesis 49:9-10 (HSV) profeteert daarover:

9 Juda is een leeuwenwelp; van je prooi ben je opgestaan, mijn zoon. Hij heeft zich gekromd, zich als een leeuw neergelegd, als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan?
10 De scepter zal van Juda niet wijken en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten, totdat Silo (Jezus Christus) komt, en Hem zullen de volken gehoorzamen.

En Hebreeën 1:1-2 (HSV) zegt het zo:

1 Nadat God voorheen vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon,
2 Die Hij Erfgenaam gemaakt heeft van alles, door Wie Hij ook de wereld gemaakt heeft.
3 Hij, Die de afstraling van Gods heerlijkheid is en de afdruk van Zijn zelfstandigheid, Die alle dingen draagt door Zijn krachtig woord, heeft, nadat Hij de reiniging van onze zonden door Zichzelf tot stand had gebracht, Zich gezet aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen.
4 Hij is zoveel meer geworden dan de engelen als de Naam die Hij als erfdeel ontvangen heeft, voortreffelijker is dan die van hen.

Openbaring 5 schetst Jezus Christus zowel in zijn lijdende rol (het Lam – vers 6-14) als koning over het Messiaanse Rijk (de Leeuw van Juda). Waarom beide? Omdat schuldverzoening via Golgotha loopt. Daar betaalde Jezus de losprijs (heeft overwonnen) en daarom heeft Hij recht op de boekrol, want die geeft toegang tot Zijn koningschap op aarde. Jezus is dus de uitvoerder van het finale deel van de Raad Gods.

________________________________________________________________________________________

Vers 6a: En zie! (ik was nog steeds in het visioen): Tussen de hoge troon met de vier levende wezens en de oudsten stelde het Lam zich op Dat eens smadelijk gedood werd.

Er verschijnt een Lam, of (beter): het Lam, want zijn identiteit is direct helder. Johannes heeft Hem namelijk in Openbaring 1:17 al ontmoet. Het is de verheerlijkte Jezus Christus en rechtens komt Hij de boekrol van Gods oordeel ophalen. Dat is volgende stap naar de eindfase van de Raad Gods, want de oordelen over de aarde zijn bedoeld om die te ontdoen van de vijanden van God en de smet van Satan.

Sommigen zien in deze tekst een echt lam staan (zoals ds. Arie van de Veer schreef). Dat is niet het geval. Het is een titel evenals als de Leeuw. Johannes ziet Christus, bekleed met macht. Een stem van een oudste – als in vers 5) zegt hem dat Hij tevens het Lam is. Daarvoor hebben we de volgende argumenten:

1. Vers 5 spreekt van de Leeuw van Juda. Niemand veronderstelt dat Jezus ooit de gedaante van een leeuw heeft aangenomen. Dan is het tegenstrijdig om dat hier wel te veronderstellen. Als Johannes de Doper uitroept: Zie het Lam van God (Johannes 1:29) dan staat daar een mens, geen lam.
2. De verheerlijkte Christus neemt persoonlijk de boekrol weg van de rechterzijde van Zijn Vader. Dat veronderstelt een menselijke gestalte.
3. Nergens in de Bijbel wordt gesproken van een verandering van Jezus in een lam. Het woord dient uitsluitend als een metafoor voor zijn lijden en als verwijzing naar Pasen.
4. De scene ademt grote macht uit. Daar past geen lam bij. De lijdende rol van Christus verschafte Hem echter wel de sleutels tot die macht dus is dit een terugblik - het Lam Dat eens smadelijk gedood werd.

Vers 6b: Dat de zeven horens en zeven ogen beheerst – deze zijn de zeven Geesten van God, uitgezonden over heel de aarde.

Horens symboliseren in de Bijbel grote macht. Hier betreft dat de uitvoerende macht die God Hem ter beschikking heeft gesteld en dat zijn de zeven aartsengelen. Zij vormen ook de ‘ogen’ van Jezus Christus. Daar spreekt Zacharia 3:9 en 4:6 over (hoewel ze toen nog de hoge God ter beschikking stonden):

Die zeven zijn de ogen van de HEERE (Jahweh), die over heel de aarde trekken.(3)

Ze zijn identiek aan de zeven geesten en de zeven vurige lampen vóór de troon (Openbaring 1:4 en 4:5)

________________________________________________________________________________________

Vers 7: En, gekomen zijnde, heeft Hij de boekrol van de rechterzijde van Hem Die op de hoge troon zat weggenomen.

Geen mens kan in de nabijheid van God vertoeven; hij/zij zou sterven 1). Wij schieten in heiligheid tekort om het verterend vuur van de Hoogheilige te kunnen verdragen. Jezus Christus kan dat wel, want Hij zat kort voor deze ceremonie nog aan de rechterzijde van zijn Vader. Het getoonde tafereel ademt een intense spanning. Het is een adembenemend schouwspel als Jezus Christus ingaat op de uitnodiging van vers 2. , Jezus wordt niet bij naam geroepen. Hij loopt op eigen initiatief naar de troonwagen om zijn erfenis op te eisen die Hem rechtens toekomt. Hij is waardig de boekrol te openen en tevens zijn zegels te verbreken.

En, gekomen zijnde – De stappen naar de troon van God die Jezus hier aflegt, zetten de klok van Gods Raad in beweging. Want kort daarna opent Jezus elk van de zeven zegels, zoals Hem opgedragen is. De theoloog Seiss zegt erover: De opening van de zegels is een optreden in daadkracht – een oorlogs- verklaring – een uitbarsting van macht om bezit te nemen van het koninkrijk (het Messiaanse Rijk).

________________________________________________________________________________________

Vers 8a: En op het moment dat de boekrol was weggenomen van de vier levende wezens, vielen de vierentwintig oudsten neer voor het Lam.

De heiligheid van dit moment dienen we diep te laten doordringen. Jezus Christus ontvangt zijn legitieme portie (erfdeel), want door Hem is de brug tussen God en mens hersteld. Dankzij Hem mogen allen die in Christus sterven het Vaderhuis binnengaan. Die Goddelijke macht heeft Hij door verdienste verworven. Door de wil van Zijn Vader tot in detail uit te voeren, kreeg Hij namelijk de beschikking over de drie sleutels van macht die het lot van de mensheid gaan veranderen:

1. De sleutel van het dodenrijk – Grieks: Hades; Hebreeuws: Sheol.
2. De sleutel van de dood. Jezus kan iemand uit de dood doen opstaan. Hij heeft de dood overwonnen.
3. De sleutel van het Huis van David die Hem het koningschap over het Messiaanse Rijk verleent.

Deze drie sleutels geeft de hoge God in de hand van Jezus Christus en die geven Hem de totale controle over de aarde. Dat kan niet onmiddellijk uitgevoerd worden. Eerst moet de aarde gereinigd worden van de smet van Satan. Pas dan kan Jezus Christus het koningschap daadwerkelijk aanvaarden.

Eén beloning heeft Jezus al ontvangen, want sinds Zijn opstanding is Hij Heer van Zijn Gemeente. Zijn koningschap over het Messiaanse Rijk is de laatste stap en daar zal het ware Israël samen met gelovigen uit de volken regeren over de aarde onder de leiding van Jezus Christus, terwijl de Gemeente zijn priestertaak in de hemel zal uitoefenen. Er is dus alle reden voor de vierentwintig oudsten – die immers het ware Israël en de Gemeente vertegenwoordigen – om de Christus lof en eer toe te brengen.

Vers 8b: Zij beschikten elk over een lier en gouden schalen vol reukwerk. Dat zijn de gebeden van de heiligen.

De oudsten bieden Jezus een nieuw lied aan (vers 9) en gouden schalen vol reukwerk. Die schalen bevatten de gebeden van de heiligen. Dat zijn niet de martelaren van vóór de Opname van de Gemeente. Die zijn dan immers al opgewekt (de Opname) en door Jezus Christus meegevoerd naar de hemel. Hier spreekt Johannes over de gelovigen uit de Grote Verdrukking.

In Openbaring 8:3 worden deze gouden schalen vol reukwerk door Jezus Christus op het reukofferaltaar gebracht en aan God geofferd, als een aanklacht tegen hun verdrukkers en beulen. In het Oude Testament diende men offers in de tempel aan te bieden. Toen die verwoest werd, ontstond er een nieuwe wijze om God offers te brengen. Daar spreekt Hosea 14:2b over (we geven een directe vertaling uit de grondtekst):

Draag al onze ongerechtigheid weg en neem ons in goedgunstigheid aan, opdat wij U de jonge stieren met onze lippen mogen betalen.

De jonge stieren (dat doelt op de offerdienst) kunnen niet meer geofferd worden nu de tempel er niet meer is. Hosea zegt dus dat we met onze gebeden onze ongerechtigheid aan God ‘betalen’, alsof het werkelijke offers zijn. Mensen kunnen dat niet rechtstreeks doen, dat doet Jezus Christus voor ons in de hemel, vandaar dat die gebeden eerst Hem worden aangeboden. Die wijze van handelen vinden we ook in Openbaring 8:3-4. Daar brengt Jezus de gebeden van alle heiligen op het gouden altaar dat vóór de hoge troon staat. Het traditionele slot aan een gebed tot God – om Jezus wille – is dus geen holle frase maar draagt een diepe betekenis. Want in Christus zijn onze gebeden offers aan God, als eens de jonge stieren in de tempel. Psalm 141:2 (oude berijming) vertolkt dat mooi: Laat, Heer, mijn gebed en mijn handen / geheven zijn, tot U gericht / als reukwerk voor uw aangezicht, / als offers die des avonds branden.

________________________________________________________________________________________

Vers 9: Zij zongen een nieuw lied, zeggende: U bent waardig om de boekrol te nemen en de zegels daarvan te verbreken. Want U (Christus) bent smadelijk gedood en hebt ons voor de hoge God gekocht met Uw bloed; ja uit elke stam en taal en volk en natie.

De legitimiteit van de erfenis die Jezus Christus ontvangt, wordt hier nog eens benadrukt. Hij is waardig om de boekrol te nemen; waarom? Omdat Hij met Zijn sterven – het is volbracht – de schuld van de mensheid op Golgotha gedragen heeft. Dat was inderdaad een smadelijke dood. Zo heeft Jezus eenieder die Hem volgen wil voor de hoge God gekocht – uit elke stam en taal en volk en natie.

De oudsten spreken van gekocht, verleden tijd. We staan hier heilshistorisch op de drempel van de Grote Verdrukking. Dan is de Gemeente van Christus kort daarvoor al opgenomen in de hemel – vandaar dat de twaalf oudsten de Gemeente kunnen vertegenwoordigen. Zij verblijven in het Vaderhuis ter ere van God, dus zijn zij ook rechtens aanwezig bij de hemelse vergadering.

Met voorgaande uitspraak rijst de vraag: Hoe kunnen de andere twaalf oudsten Israël vertegenwoordigen als dat volk nu nog op aarde vertoeft? Antwoord: Die twaalf oudsten vertegenwoordigen de heiligen van het volk Israël. Dat zijn de overleden oudtestamentische gelovigen. Zij sliepen in Sheol (= de doodsslaap, Daniël 12:13) totdat Jezus Christus hen wekte. Echter, dat kon pas nadat Hij de dood had overwonnen. Ook voor de oudtestamentische gelovigen geldt dat het bloed van Christus sleutel is tot de zaligheid. De dood is het terrein van Satan. Om aan zijn heerschappij een eind te maken is de Zoon een mens geworden als zij om door zijn dood definitief af te rekenen met de heerser over de dood, de duivel (Hebreeën 2:14 NBV). Dus, toen Jezus opstond uit de dood ontving Hij de sleutel tot het dodenrijk (2 Timoteüs 1:10 – Zie Openbaring 5:8, Exegese) en kreeg Hij toegang tot het dodenrijk en macht erover.

De doodsslaap (Psalm 13:4) van de oudtestamentische gelovigen in Sheol (dat is de wereld van de doden) werd beëindigd toen Jezus Christus na zijn sterven afdaalde in het dodenrijk. Toen de Heer Jezus weer terugging naar de hemel, bevrijdde Hij de gevangenen (van de dood) en nam hen mee naar de hemel – het Vaderhuis dodenrijk (Efeze 4:8-10, 1 Petrus 3:19, Psalm 68:19).

________________________________________________________________________________________

Excurs: U hebt Ons voor God Gekocht

Er gaapt een grote kloof tussen God en de mens. De enige weg om tot Hem te komen – dus een status van heiligheid te verwerven die toegang biedt tot het Vaderhuis na dit leven – is via Jezus Christus, want alleen Hij kan onze schuld verzoenen (1). Maar, schuldverzoening is geen eenrichtingsverkeer die bereikt wordt door bekering alleen. Er rest nog steeds een niet-gecompenseerde schuld die voldaan moet worden.

Die schuld is een soort besmetting die aan ons kleeft – een vorm van onreinheid – en die staat tussen ons en God in. God heeft in Zijn oneindige wijsheid daarin voorzien door zijn Zoon te sturen. Jezus Christus is echter gebonden aan de wet en die wet eist compensatie, zo leren we uit het Oude Testament. Dat kan alleen gerealiseerd worden via het losserschap en zo komen we bij het Hebreeuwse woord gâmal.

1) Ook wel erfzonde genoemd – onjuist – want die term kent de Bijbel niet. Schuldverzoening dient altijd in het kader van ‘de heiliging voor God’ gezet te worden. We schieten dus tekort in heiligheid en dat is een vorm van onrein zijn, want er zit ‘bederf’ in ons. We verouderen en sterven!

Gods Wet eist Compensatie

Het Hebreeuwse woord gâmal heeft een bijzondere betekenis. Het wordt meestal vertaald met vergelden, goed zijn voor of belonen. Echter de laatste twee zijn meer exegese dan vertaling. Zo sneeuwt de letterlijke betekenis onder, want het betekent: compenseren of toevoegen aan.

In Psalm 13:6 leest de HSV: Hij is goed geweest voor mij, maar eigenlijk staat er: U (Jahweh) hebt mij toegevoegd. Dat is: toegevoegd aan hen die God welgevallig zijn. En Psalm 103:10 HSV: en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden. Dat moet zijn: Hij compenseert ons niet naar onze ongerechtigheden.

Wellicht zult u nu zeggen: Dat is maar een gering verschil. Beslist niet! Er wordt verwezen naar de rechtvaardigheid van God. Die eist volledige genoegdoening, dus 100% compensatie en dat kan een mens nooit geven. Daarvoor is het bloed van Jezus Christus nodig. Het begrip staat dus in het kader van de Raad Gods en de heiligmaking van de mens als noodzakelijke brug tot God.

Spreuken 11:17 is een mooi voorbeeld van de juiste betekenis. Daar staat: Een goedertieren mens doet zijn eigen ziel goed. Beter is: Een goedertieren mens voegt toe aan zijn eigen ziel en dat is een prachtige uitspraak. De heiligmaking van een mens wordt dus ondersteund door zijn goede daden. Daarmee bewerkt hij niet zijn eigen redding – dat doet Jezus Christus –, maar sluit hij aan bij de gezindheid van Christus die immers zijn Losser is!

In Psalm 7:5 staat: Als ik iemand kwaad vergolden heb die vrede met mij had… Letterlijk: Indien ik iemand gecompenseerd heb met kwaad, terwijl die mij Shalom gaf… Met het woord Shalom wordt hier aangegeven dat er over en weer geen schuld bestaat – er dus balans is. De bedoelde persoon probeert desondanks ‘schuld op te eisen’; dat is compenseren met kwaad!

Nu we vastgesteld hebben dat de Goddelijke wet compensatie eist om tot heiligheid te kunnen komen – gâmal – komen we bij het woord losser, want dat is de deur naar die heiliging.

Daarom Stuurde God een Losser

Omdat een mens zijn eigen zaligheid niet kan bewerken, dienen we gebruik te maken van een losser. Het woord losser duidt op een naaste bloedverwant die zowel gerechtigd is wraak te nemen op de dader, in geval een familielid van hem/haar gedood werd, als schuld te verzoenen/betalen die een bloedverwant heeft. In Israël was dat bij wet geregeld. Dat betreft geen automatisme. De persoon die schuld had, diende een beroep op de losser te doen om de schuldeiser af te laten kopen. In dit geval gaat het niet om een schuldige persoon, maar om de wereldbevolking, zowel Israël als de volken. Die zijn schuldig (1), dat staat vast en zijn niet in staat om die schuld zelf te betalen (compenseren - gâmal). De schuldeiser is God, want Die is de eisende partij (2). Kan de schuldeiser dan zelf losser zijn? Neen, dat zou de rechtvaardigheid van God aantasten, want er zou in dat geval geen sprake van enige genoegdoening zijn en Hij is Zichzelf tot wet. Daarom is iemand nodig die Zijn optreedt. Die moet dan wel aan strikte voorwaarden voldoen:

1. Hij moet door een bloedband aan de schuldeiser verbonden zijn (dan kan hij voor Hem optreden).
2. Hij moet ook met een bloedband aan de schuldenaar verbonden zijn (anders kan hij geen losser zijn).

Jezus Christus voldoet aan beide eisen. Hij is de Zoon van God en kan daarom voor zijn Vader optreden. Maar,… die bloedband dan? Die ontstaat als een mens zich bekeert en Jezus volgt. Dan wordt hij/zij deel van Zijn lichaam (Romeinen 12:4-5). En dat Lichaam heeft de schuld met Zijn bloed op Golgotha betaald. Daarom kan Johannes over Christus zeggen: U hebt ons voor God gekocht met Uw bloed.

1) Die schuld staat altijd in het kader van ‘een gebrek aan heiligheid’.
2) Die eisen komen voort uit Gods nooit aflatende liefde voor de mens. Hij wil ons verhogen naar een volmaakte staat, maar dat kan alleen door de wet uit te voeren.

________________________________________________________________________________________

Vers 10: En U hebt Zelf voor de hoge God ons tot een koninklijk huis van priesters gemaakt; zo zullen wij regeren over de aarde.

Met de stichting van de Gemeente heeft Jezus ons tot een koninklijk huis van priesters gemaakt. Die priesterklasse zal de hoge God dienen in de tempel te Jeruzalem én in de hemel (de Gemeente). Dat hier alleen over de aarde wordt gesproken, vloeit voort uit de aard van de profetie. Die betreft immers de overhandiging van de boekrol van Gods oordelen over de aarde aan Jezus Christus – dat is de Grote Verdrukking. Als dat oordeel achter de rug is kan het Messiaanse Rijk beginnen. De gelovigen op aarde – dat wil zeggen, allen die zich aan God en Christus vastgehouden hebben gedurende de Grote Verdrukking – zullen dan de priesterklasse vormen. En zo zullen wij regeren over de aarde.

________________________________________________________________________________________

Vers 11-14:

11 Terwijl ik nog steeds in het visioen was, hoorde ik de stem van vele engelen, rondom de hoge troon met de levende wezens en de oudsten: Duizenden en duizenden.

12 Met luide stem zeiden zij: Het Lam dat smadelijk gedood werd, is waardig de macht, rijkdom, wijsheid, kracht, eer en heerlijkheid te verwerven; namelijk elk schepsel, zowel in de hemel, als op aarde, als onder de aarde en al wat leeft in de zee – die de kernwaarde van het AL vormen.

13 Ik hoorde zeggen: Aan Hem die op de hoge troon zit en aan het Lam zij de zegen en de eer en de glorie en de macht tot in alle eeuwigheid.

14 Toen zeiden de vier levende wezens: Amen. Toen wierpen de oudsten zich neer en aanbaden Hem Die leeft in alle eeuwigheid.

Met de beschreven Goddelijke besluiten is de volgende fase van de Raad Gods ingezet. Dat betreft de finale; de laatste stappen naar het Messiaanse Rijk. Een dergelijk hoogtepunt in de heilsgeschiedenis (of de Raad Gods) verdient extra luister en die komt er ook. Duizenden en duizenden engelen verschijnen. Met luide stem verkondigen zij de verhoogde status van Jezus Christus en brengen Hem lof.

De kernwaarde is het LEVEN; AL wat God geschapen heeft met als kroon de intelligente mens.

De ceremonie van overdracht van de boekrol sluit met eerbewijs aan de hoge God die dit alles beschikt.

 

Deze studie is niet meer dan een uittreksel met beperkte inhoud. Voor een veel uitgebreider bespreking verwijzen we naar:

De Openbaring van Jezus Christus door GertA. van de Weerd.

 

Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

Laat een reactie achter

Let op: reacties moeten eerst worden goedgekeurd voordat ze worden gepubliceerd.

Deze site wordt beschermd door hCaptcha en het privacybeleid en de servicevoorwaarden van hCaptcha zijn van toepassing.