Inleiding
Hoewel over de vertaling uit de Griekse grondtekst weinig strijd is, geldt dat niet voor de wijze waarop men Openbaring 7 verklaart. De verschillen van mening concentreren zich op drie kernpunten:
A. Wat stelt de verzegeling voor en hoe is de uitwerking daarvan? (vers 3)
B. Wie zijn die honderdvierenveertigduizend uit de zonen van Israël? (vers 4)
C. Uit welke volken is de grote menigte die niemand tellen kan samengesteld? (vers 9)
Het is een rode draad in deze verklaring dat we de antwoorden in de Griekse grondtekst zelf zoeken of elders in de Bijbel, niet in een dogma of ons gemakkelijk aansluiten bij algemeen aanvaarde meningen. De Bijbel verklaart zichzelf en ook hier verschaft dat helderheid.
________________________________________________________________________________________________
Excurs 1: De Stadia Christi 1
De gelovige én kritische lezer zal het al opgevallen zijn dat Johannes vaak over Jezus Christus spreekt, maar Hem lang niet altijd zo noemt. Die afwijking van Zijn persoonsnaam dient om de bediening te accentueren ten opzichte van de profetie die daarmee verbonden is. Het is dus een herkenningsfactor die aangeeft waar Jezus mee bezig is. We onderscheiden:
A. Jezus Christus wordt in Openbaring 5:5 (2) de leeuw uit de stam van Juda genoemd. Dat verwijst naar de grote macht die Jezus verwierf toen Hij de dood overwon (Openbaring 5:5 spreekt dan ook van heeft overwonnen! – verleden tijd) (2). Die macht zal tot zijn toekomstig koningschap leiden.
B. In Openbaring 5:6-13 is sprake van Jezus’ relatie tot de 24 oudsten die door Zijn bloed gereinigd zijn; dus wordt Hij daar Lam genoemd.
C. En in Openbaring 7:2, als Jezus Christus op het punt staat de 144.000 uit de stammen van Israël te verzegelen, komt Hij als de Engel des HEEREN op (of: de Engel van Jahweh), want deze Israëlieten dienen God en leven nog onder de Oudtestamentische bedeling – dus onder de wet. En onder die wet fungeert Jezus als de Engel des HEEREN.
De Hoogheilige God ‘geeft’ de 144.000 over aan Jezus Christus en Die verzegelt hen. Uiteraard zullen deze Israëlieten Hem toen wel herkend hebben als hun Messias (Openbaring 14:4) en aldus zijn ze dan Christen geworden.
________________________________________________________________________________________________
De 144.000 Verzegelden
Vers 1: Toen dit voorbij was, zag ik vier engelen staan op de vier hoeken van de aarde. Zij beheersten de vier winden van de aarde, opdat er geen wind zou waaien op de aarde, noch op de zee, noch tegen enige boom.
Openbaring 7 opent met een verwijzing naar voorgaande gebeurtenissen onder het zesde zegel (Toen dit voorbij was) die in Openbaring 6:12-17 beschreven worden. Johannes wordt een nieuw visioen getoond.
Hij ziet vier aartsengelen die op de vier hoeken van de aarde staan. De aarde heeft geen hoeken. Hier volgt Johannes gewoon het alledaags spraakgebruik en drukt zo uit dat die vier aartsengelen de hele wereld bestrijken.
Het is haast vanzelfsprekend dat de vier engelen identiek zijn aan de vier ruiters in Openbaring 6:2-8. Dat blijkt niet alleen uit hetzelfde aantal. Een tweede reden is dat zowel de vier engelen als de ruiters ten oordeel komen. Aartsengelen hebben grote macht, maar zij mogen de scheppingsorde niet aantasten. Echter, hier is hen dat wel toegestaan, omdat zij gelast worden een Goddelijk oordeel uit te voeren; hoewel… nog niet – vers 2 – er wordt nog een pauze ingelast.
1b: de vier winden van de aarde
Vers 1 beschrijft de voorbereidingen die tot het oordeel van het zevende zegel moeten leiden, namelijk dat van de vier winden. Dat er een pauze tussen zegel zes en zeven wordt ingelast (= een stilte; Openbaring 8:1), doet daar niets vanaf. Vandaar dat vers 1 opent met: Toen dit voorbij was (= de oordelen van het zesde zegel).
________________________________________________________________________________________________
Vers 2: En ik zag in het visioen een zekere (hoge) Engel die opgekomen was uit de rijzende zon. Deze beheerde de zegelring van de levende God. Toen riep Hij met luide stem tot de vier engelen, aan wie het gegeven was zelfs de aarde en de zee schade toe te brengen.
Op spectaculaire wijze verschijnt een zekere hoge Engel. Zijn verschijning is verblindend, want Hij komt uit de hoge hemel, van God vandaan. Bij de grondtekstbespreking (Weerd, Openbaring) is breed onderbouwd dat het Jezus Christus is 1), in zijn bediening van Engel des HEEREN. Jezus Christus wordt niet bevolen zoals de aartsengelen – dat staat nergens. Jezus voert de voorwaarden van de boekrol van Gods oordeel uit en doet dat uit eigen vrije wil. Hij komt om de 144.000 uit het volk Israël te verzegelen en gelast daarom de vier ruiters om hun oordeel voor een korte tijd op te schorten.
Blijft over de vraag: Waarom spreekt Johannes niet van de Engel des HEEREN, maar van een zekere (hoge) Engel. Waarschijnlijk omdat zijn uiterlijk leek op de andere aartsengelen, maar deze Engel zich toch nadrukkelijk in majesteit onderscheidde – Johannes weet het niet zeker.
1) De zeven aartsengelen stonden oorspronkelijk ten dienste van God. In Openbaring 1:16 wordt beschreven dat ze onder bevel van Jezus Christus zijn gesteld.
2.1 Het Oordeel van het Zesde Zegel Tast de Scheppingsorde aan!
Bovenop de mededeling van vers 1 (dat deze vier engelen de vier winden beheersten) zegt vers 2 dat die vier toestemming hebben (wie het gegeven was) om schade aan de aarde en de zee toe te brengen. Dat is ingrijpen in de scheppingsorde (zoals ook in Openbaring 6:8) en dat is verboden; alleen de hoge God zelf mag dat doen. Met dit bevel wordt dat verbod opgeheven. Het woord zelfs accentueert nog eens dat van een uitzonderlijke opdracht sprake is.
We moeten hier scherp onderscheiden. Johannes spreekt van toestemming (wie het gegeven was), niet van een opdracht van God. Want de gebieder van de zeven aartsengelen is Jezus Christus. Hij is de uitvoerder van de oordelen van God (de verzegelde boekrol) en eerste verantwoordelijke. Echter, het aantasten van de scheppingsorde kan niet zonder toestemming van God zelf. Pas daarna kan die nieuw verkregen macht ingezet worden. Dat gebeurt na de stilte, als Jezus Christus vuur op de aarde werpt.
________________________________________________________________________________________________
Vers 3: Hij zei: Breng geen schade toe aan de aarde, noch aan de zee, noch aan de bomen, totdat Wij de dienaren van onze God (de 144.000) aan hun voorhoofd verzegeld hebben.
De oordelen worden opgeschort om de 144.000 te verzegelen. Ze worden onkwetsbaar voor de Antichrist en de oordelen, want in Openbaring 14:1-5 zijn ze allen nog in leven en staan in triomf op de berg Sion. Het zegel op hun voorhoofd betreft de hoge Naam van God. Er staat dus יְהוָה֙ (dat is: JHWH = Jahweh).
De 144.000 zijn bekeerde Israëlieten aan Jezus Christus worden toegevoegd. Openbaring 14:4 (HSV):
Dezen zijn het die het Lam volgen waar Hij ook naartoe gaat. Dezen zijn gekocht uit de mensen, als eerstelingen voor God en het Lam.
________________________________________________________________________________________________
Excurs 2: Gods Naam op het Voorhoofd
In Ezechiël 9:4 en 5 (HSV) staat geschreven:
4) En de HEERE zei tegen hem: Trek midden door de stad, midden door Jeruzalem, en zet een merkteken op de voorhoofden van de mannen die zuchten en kermen over al de gruweldaden die in het midden ervan gedaan worden.
5) Maar tegen die andere mannen zei Hij ten aanhoren van mij (= Ezechiël): Trek achter hem aan door de stad, en doodt! Ontzie niemand en heb geen medelijden.
In deze tekst spreekt Ezechiël over zeven verderfengelen die de bedrijvers van extreme goddeloosheid doden en dat zijn dezelfde zeven aartsengelen die in Openbaring optreden. Een tweede overeenkomst is dat Openbaring 6 en 7 over een identieke situatie spreken. De aardbevolking heeft zich, evenals destijds de bevolking van Jeruzalem, massaal tegen God gekeerd en daarmee de oordelen over zich afgeroepen. En evenals in Ezechiël 9 is sprake van een groep die zich afkeert van die goddeloosheid en God trouw blijft. Zij worden verzegeld en zullen daarom geen schade van de oordelen ondervinden. Het handelen van God is niet wispelturig maar (in zekere zin) voorspelbaar op basis van Zijn profetisch Woord en Zijn handelen in het verleden. Wat Ezechiël ons vertelt dient daarom ook als richtsnoer voor deze profetie.
De Tau: Het Teken van de Rechtvaardige
Veel verklaarders suggereren dat het teken op het voorhoofd in Openbaring 7:3 de Tau is; de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet (ת). Voluit staat er in Ezechiël 9:4 תָּ֜ו (= teken). Om dat te associëren met de Tau is dus interpretatie. Het kan juist zijn, maar daarvoor moeten meer bewijzen aangevoerd worden. In de oudheid, in archaïstisch cursiefschrift, had de Tau de vorm van een X of +. Later schreef men het als een T. In de eeuwen na de ballingschap was het onmiskenbaar het teken van de rechtvaardige. Ook de vroegchristelijke kerk kende de Taw. De kerkvader Origenes zegt erover:
Joden, die in Christus geloven, zeggen dat de vorm van de Taw in Oud-Hebreeuws schrift lijkt op het kruis en het voorzegt het teken, dat geplaatst zal worden op de voorhoofden van de Christenen (Openbaringen 7:2-3).
Toen de kerkvaders van de vroegchristelijke kerk algemeen de Taw (T) gingen associëren met het kruis van Jezus Christus en in het bloed van het lam in Exodus 12:13 de kruisdood van Christus voorzegd zagen, veranderde de Rabbinale leer. Het bloed werd een teken van verderf in plaats van ten leven, zoals de Bijbel leert. En de Taw die de rechtvaardigen uitbeeldde, werd niet meer met bloed, maar met inkt geschreven. Zoals gezegd wordt bij de verzegeling van de 144.000 door velen aan de Taw gedacht, maar dat is in strijd met Openbaring 14:1 (HSV): Ik zag, en zie, het Lam stond op de berg Sion, en bij Hem honderd-vierenveertigduizend mensen met op hun voorhoofd de Naam van Zijn Vader geschreven. De 144.000 worden verzegeld door Jezus Christus met de zegelring van God. Er staat dus יהוה (dat is: JHWH = Jahweh) op hun voorhoofden.
4) Het kruisteken was oorspronkelijk een T-vorm, want het kruis bestond uit een houten paal die op de executie- plaats bleef staan en een dwarsbalk die de veroordeelde meedroeg. De veroordeelde werd na aankomst op de executieplaats eerst op de dwarsbalk vastgebonden en daarna werden spijkers door zijn polsen geslagen. Vervolgens werd de dwarsbalk met de veroordeelde door middel van een pengatverbinding op de paal geplaatst en werden de voeten vastgespijkerd op een schuine plank die tegen de paal bevestigd was. Het huidige kruisteken is een ‘uitvinding’ van keizer Constantijn de Grote. Volgens bisschop Eusebius van Caesarea zag Constantijn in een droom dit kruis aan de hemel staan en hoorde hij de woorden: Toutoi nika (overwin hiermee). Daarop versloeg hij zijn rivaal Maxentius die in de Tiber verdronk.
________________________________________________________________________________________________
Excurs 3: De 144.000 Verzegelden
Uiteraard houden we ons aan de letterlijke betekenis van de Griekse grondtekst. Echter, daar wijken veel verklaarders vanaf. Velen putten zich uit in verklaringen die weinig binding met de grondtekst hebben. Die verklaringen hebben als richtsnoer: ‘De 144.000 komen niet uit het volk Israël’. Bij uitzondering geven we enige voorbeelden van bekende theologen:
1. Greijdanus: Evenals de getallen zinnebeeldig zijn, zoo zijn het ook de namen Israël en van de kinderen Israëls.
2. Koester: De 144.000 moeten beschouwd worden als een symbool van volledigheid. En ook: Het zijn volgelingen van Jezus en inwoners van het nieuwe Jeruzalem.
3. Thomas: Het is gewoon een zeer groot getal, minder dan een onbeperkt groot getal, maar groter dan een bepaald literair getal. Het zijn vertegenwoordigers van de kerk.
4. Kistemaker ziet in de 144.000 alle gelovigen. Hij ontleedt dat getal in twaalf maal twaalf maal duizend. En ook: Het getal twaalf verwijst naar het volmaakte. Het getal duizend is tien maal tien maal tien, welke is een menigte. Tien is het getal van de volheid van het decimale systeem. Bijgevolg is 144.000 een symbolisch getal dat een menigte (gelovigen) vertegenwoordigt die gekenmerkt wordt door absolute perfectie.
5. Gurtner: De 144.000 worden gewoonlijk metaforisch verstaan voor de ‘ware’ kerk.
6. Coffman: Het zijn de christenen van alle eeuwen tot het eind der tijden.
7. Smalley ziet in de 144.000 een exclusief symbool voor alle navolgers van Christus: de Christelijke kerk in zijn totaliteit.
8. Mounce: Het refereert aan die generatie van getrouwe gelovigen, aan het begin van de finale turbulente periode, die het einde van de menselijke geschiedenis kenmerkt.
In voorgaande meningsvorming speelt de letterlijke werkelijke betekenis van de grondtekst een bijrol, dat zal nu wel duidelijk zijn. Slechts een enkele verklaarder houdt zich aan de grondtekst.
9. Seiss: Deze 144.000 zijn een bijzondere klasse van geredden, verzameld vanuit het zaad van Jakob in en gedurende de periode van oordeel.
10. Ouweneel: De 144.000 uit de twaalf stammen van Israël zal God als zijn dienstknechten en getuigen verkiezen, en zij zullen tijdens de grote verdrukking bewaard blijven om als Gods volk het duizendjarig rijk binnen te gaan zonder de dood gezien te hebben.
Wij sluiten ons aan bij mening 10 en nemen de tekst letterlijk voor waar aan. Dat is ook de enige zinnige manier om de Bijbel te verstaan. Elke vorm van vergeestelijking die de binding met de letterlijke betekenis van de grondtekst doorsnijdt, leidt tot eigenmachtige verklaringen die alle kanten op kunnen gaan. Dat blijkt wel uit punt 1-8, waar sommige verklaringen zo extreem zijn dat ze haast lachwekkend aandoen. Zo mogen we niet met Gods woord omgaan.
________________________________________________________________________________________________
Excurs 4: De Stammen van Israël
Er is dus een belangrijke groep verklaarders die Openbaring 7:4 letterlijk neemt en vaststelt dat de 144.000 voortkomen uit de stammen van Israël. Nogal wiedes, zal de lezer wellicht zeggen, zo staat het er ook. Helaas blijkt dat niet zó eenvoudig te liggen, want er is ook een grote groep verklaarders die wat anders uit vers 4 haalt dan wat er staat (Excurs 3).
A. Twee Stammen Ontbreken
Met de vermelding van de stammen van Israël is iets vreemds aan de hand. Twee stammen ontbreken, namelijk Dan en Efraïm. Ook vermeldenswaard is dat Levi genoemd wordt. Deze stam wordt in het Oude Testament vaak weggelaten omdat Levi geen grondgebied in Kanaän kreeg toegewezen. Dit laatste is eenvoudig op te lossen. Ezechiël 48:10-13 profeteert namelijk dat de stam Levi en de afstammelingen van Zadok (de hogepriester) beide een gebied in het Kanaän van het Messiaanse Rijk toegewezen krijgen. Dus is Levi terecht vermeld.
B. Een Onbeantwoord Raadsel
Het ontbreken van de stammen Dan en Efraïm is niet te verklaren. In de opsomming van de toegewezen gebieden in het Messiaanse Rijk, zoals het boek Ezechiël die beschrijft, komen zowel Dan (Ezechiël 48:2) als Efraïm (Ezechiël 48:5) wel voor, maar ontbreekt Jozef.
De conclusie die we kunnen trekken, is dat Efraïm en Dan (1) niet onder de verzegelden geteld worden. Of, tweede mogelijkheid: Dat Manasse in dat geval onder de naam Jozef valt, echter Dan blijft ontbreken. Te zijner tijd zal God openbaren waarom dat zo is.
1) De kerkvader Ireneüs zegt dat de Antichrist uit Dan zal voortkomen en dat de stam daarom niet in de lijst voorkomt. Daar is echter geen Schriftuurlijk bewijs voor.
C. Een Opvallende Rangorde
De verdeling van het land Kanaän onder de stammen van Israël (Ezechiël 48) in het Messiaanse Rijk volgt de rangorde binnen het gezin van de aartsvader Jakob. De kinderen die uit de bijvrouwen, Bilha en Zilpa, geboren werden, verkrijgen gebieden die het verst verwijderd zijn van de herbouwde tempel in Jeruzalem. In het noorden zijn dat Dan (Bilha), Aser (Zilpa) en Naftali (Bilha). In het verste zuiden vinden we Gad (Zilpa). De ereplaatsen zijn voor de stam Juda (noordelijk van de Terumah (2), waar Jezus Christus uit voortkwam; voor Benjamin (zuidelijk van de Terumah), de meest geliefde zoon van aartsvader Jakob en voor Levi (de gebieden binnen de Terumah voor priesters en levieten).
2) De Terumah is het centrale deel van het land Kanaän van het toekomstige Messiaanse Rijk, waar ook Jeruzalem in ligt.
________________________________________________________________________________________________
Vers 4-8: 4) Daarop vernam ik het getal van hen die verzegeld werden: Honderdvierenveertigduizend die verzegeld werden uit alle stammen van de zonen van Israël. 5 Uit de stam Juda: twaalfduizend die verzegeld werden; uit de stam Ruben: twaalfduizend die verzegeld werden; uit de stam Gad: twaalfduizend die verzegeld werden. 6 Uit de stam Aser: twaalfduizend die verzegeld werden; uit de stam Naftali: twaalfduizend die verzegeld werden; uit de stam Manasse: twaalfduizend die verzegeld werden. 7 Uit de stam Simeon: twaalfduizend die verzegeld werden; uit de stam Levi: twaalfduizend die verzegeld werden; uit de stam Issaschar: twaalfduizend die verzegeld werden. 8 Uit de stam Zebulon: twaalfduizend die verzegeld werden; uit de stam Jozef: twaalfduizend die verzegeld werden; uit de stam Benjamin: twaalfduizend die verzegeld werden.
Uit elke stam van Israël worden twaalfduizend leden door God uitverkoren om Zijn zegel te ontvangen.
Na het aantal verzegelden (de 144.000) volgt een specificatie per stam. Uit elk van de twaalf stammen worden 12.000 leden door God uitverkoren om Zijn zegel te ontvangen. De stamrangorde is van bijzondere samenstelling. Juda wordt als eerste genoemd, niet Ruben, de eerstgeborene. Die keuze is begrijpelijk, want uit de stam Juda is Jezus Christus voortgekomen. Waarom Dan ontbreekt, weten niet. In plaats van Efraïm wordt Jozef (de vader van Manasse en Efraïm) genoemd (vers 8).
De verzen 5-8 tonen een verrassende diepgang. Sinds de ondergang van het tienstammenrijk zijn de tien stammen verdwenen. Het volk Israël wordt sindsdien vertegenwoordigd door de Joden (Juda, Benjamin en Levi). Echter, het is duidelijk dat Johannes hier niet over de tijd vóór die ondergang spreekt – hij spreekt over de toekomst; de Eindtijd. Indirect zegt hij hier dat de tien stammen nog bestaan en eens terug zullen komen.
________________________________________________________________________________________________
Vers 9a: Daarna had ik een visioen en zie!: Een grote menigte die niemand tellen kon, uit alle naties, stammen, volken en talen, stond vóór de hoge troon en vóór het Lam, bekleed met witte gewaden en palmtakken in hun handen.
Met vers 9 begint een volgend visioen waarin Johannes de toekomst geopenbaard wordt. Dit visioen speelt zich af in de hemel, op dezelfde plaats als in Openbaring 1, 4, 5, 6, – dus de hemelse vergadering onder leiding van God, met als aanwezigen de verheerlijkte Christus, de vier levende wezens, de 24 oudsten en zeven aartsengelen (vers 11). Het panorama wat hij ziet is echter veranderd, want er is een grote menigte mensen bijgekomen.
Een kritische lezer zal opmerken dat de aartsengelen uitgezonden zijn, dus eigenlijk in vers 11 zouden moeten ontbreken. Dat is niet zo. Het uitzenden van de vier ruiters en andere engelen is gebonden aan een bepaald tijdstip op aarde dat voor ons in de toekomst ligt – onderdeel van de tijdstroom, zoals elk mens dat is. God staat echter buiten de tijd. Hij is de eeuwige en zijn woonplaats met Hem. De vergadering in de hemel omspant dus de tijd en is verleden, heden en toekomst in één – de echo van de grote Naam van God – Jahweh. De vergadering is dus compleet in zijn samenstelling én in doelstelling die namelijk tot het einde der tijden reikt.
Johannes ziet nu een enorme menigte gezaligde gelovigen, uit alle naties, stammen, volken en talen. Ze dragen witte gewaden en zijn geheiligd in het bloed van het Lam (Jezus, vers 14); geestelijk rein gemaakt. Daarom kunnen ze in de nabijheid van de hoge God verkeren en Zijn verterend vuur verdragen.
De palmtakken in hun handen zijn teken van hun overwinning in Christus. De menigte staat vóór zowel de hoge troon (met de Heerlijkheid des HEEREN) als vóór Jezus (het Lam) die dicht bij de troon staat.
We moeten hier duidelijk onderscheiden. De 144.000 verzegelden verblijven op aarde (in de tijdstroom). De grote menigte die niemand tellen kon in de hemel (buiten de tijdstroom). Het zijn twee verschillende groepen. Dat zegt ook de waarneming van Johannes. Het getal van de 144.000 verzegelden wordt hem verteld – hij zag ze niet. De grote menigte ziet hij echter met eigen ogen.
________________________________________________________________________________________________
Vers 10-12 10. Toen riepen zij met luide stem, zeggende: Het heil is aan Hem Die op de troon zit – onze hoge God – en aan het Lam! 11. En al de hoge engelen stonden rondom de hoge troon, evenals de oudsten en de vier levende wezens. Toen vielen zij vóór de hoge troon neer op hun aangezicht en aanbaden God. 12. Ze zeiden: Zo wordt de zegen, de heerlijkheid, de wijsheid, de dankzegging, de eer, de wonderkracht en de sterkte van onze hoge God bevestigd tot in de eeuw der eeuwen; Amen.
De gezaligde menigte brengt hulde aan de hoge God en aan het Lam – een uiting van diepe dankbaarheid voor de zaligheid die zij in Christus ontvangen. In aanwezigheid van de hoge engelen, de oudsten en de vier levende wezens werpen zij zich in aanbidding neer. De devote menigte brengt God de hoogste eer, want de lofprijzing bezingt de almacht van God. De eeuw der eeuwen duidt op het Duizendjarig Rijk (de eeuw/tijdperk van de eeuwen). Velen vertalen tot in eeuwigheid. Dat is onwaarschijnlijk, want de profetie hiervoor spreekt over de Grote Verdrukking die tot de vestiging van het Messiaanse Rijk zal leiden.
________________________________________________________________________________________________
Vers 13-14: 13. Daarop nam één van de oudsten het woord en zei tegen mij: Deze mensen, die bekleed zijn met witte gewaden – wie zijn zij en waar zijn zij vandaan gekomen? Daarop heb ik tot hem gezegd: Heer, u weet het. 14. Toen zei hij tot mij: Dit zijn de mensen die uit de Grote Verdrukking komen. Zij hebben hun gewaden gewassen en hun gewaden zijn blinkend wit gemaakt in het bloed van het Lam.
Johannes wordt aangesproken door één van de vierentwintig oudsten en die stelt hem een retorische vraag – hij verwacht geen antwoord. Zijn spreken is de inleiding op een nadere omschrijving van de menigte in witte gewaden. Johannes, onwetend over de herkomst van deze menigte, zegt dan ook: Heer, u weet het.
De martelaren zijn om het geloof gedood en komen uit De Grote Verdrukking – Mattheüs 24:21(HSV):
Want dan zal er een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is vanaf het begin van de wereld, tot nu toe, en zoals er ook nooit meer zal zijn.
Openbaring 14:13 spreekt over hen. Dat betreft een voorfase, voordat zij in de hemel worden opgenomen.
________________________________________________________________________________________________
Vers 15: Om die reden zijn zij voor het aangezicht van de hoge troon van de ware God en dienen zij Hem dag en nacht in Zijn tempel. En Hij die op de hoge troon zit zal Zijn tent over hen opslaan.
De martelaren uit de Grote Verdrukking worden door Jezus aan God aangeboden. Dat kan Hij doen want ze zijn van Hem, gewassen in het bloed van het Lam. Ze worden tot dienaren in Zijn tempel aangesteld. Cruciale vraag is nu: Welke tempel bedoelt Johannes? Die in de hemel of op de aarde?
De hemelse vergadering vindt plaats bij de troon van God in de hoogste hemel. De martelaren hebben een hemels lichaam gekregen, want zij kunnen zonder schade voor Gods troon staan en dat is een sterfelijk mens niet gegeven. Conclusie: De gezaligde martelaren komen in Gods dienst van de hemelse tempel.
Op typisch Oudtestamentische wijze wordt hier onbeperkte gastvrijheid omschreven. In de tijd van Abraham, Izak en Jakob leefden de Israëlieten in tenten. Gastvrijheid stond toen hoog in het vaandel, dus
werd een bezoeker altijd voedsel en onderdak geboden. Dat deed men door een zijkant van de tent uit te
klappen en op palen te zetten. Vervolgens werden dan kleden aan de open kanten opgehangen, waardoor de oorspronkelijke tent een extra vertrek kreeg. Als dus over Zijn tent over hen opslaan gesproken wordt dan wijst dat erop dat de hoge God woonruimte aanbiedt. Daarover spreekt ook Johannes 14:2 (HSV):
In het huis van Mijn Vader zijn veel woningen; als dat niet zo was, zou Ik het u gezegd hebben. Ik ga heen om een plaats voor u gereed te maken.
En Deuteronomium 33:27-28 (HSV):
Niemand is er als God Jesjurun! Hij rijdt op de hemel om u te helpen, en in Zijn majesteit op de wolken. De eeuwige God is voor u een woning, en onder u zijn eeuwige armen.
________________________________________________________________________________________________
Vers 16-17: 16 Zij zullen geen honger meer hebben en zelfs geen dorst; noch zal de zon of enige hitte op hen vallen. 17 Want het Lam midden voor de troon zal hen weiden en hen geleiden naar levenbrengende waterbronnen. Dan zal God alle tranen van hun ogen afwissen.
In de hemel heeft niemand voedsel of water nodig. Noch schijnt daar zon of maan, want God is de mens tot eeuwig licht. De martelaren staat nu nog voor de troon van God. Maar Jezus Christus zal hen weiden en naar levenbrengende waterbronnen brengen, in Gods huis. Daar zal geen verdriet of pijn meer zijn.
________________________________________________________________________________________________
Dit is een uittreksel van de tekst van een serie van 26 Bijbelstudies op Family7 die d.v. vanaf begin april op televisie zullen worden uitgezonden. Voor een uitgebreide bespreking verwijzen we naar: De Openbaring van Jezus Christus door GertA. van de Weerd.
Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

