📄 Download deze Bijbelverklaring (PDF)
Mattheüs 14:1-2
Een Omwenteling in de Bediening van Jezus
In Mattheüs 13-14 voltrekt zich een omwenteling. Tot dan toe was het werkterrein van Jezus beperkt tot Galilea, waar Hij woonde. Aanvankelijk werd Hem daar geen strobreed in de weg gelegd. Als Rabbi met Semikhah was Hij een hoge autoriteit op theologisch gebied en genoot Hij respect van de bevolking en ook van de leidende clerus – Farizeeën en Schriftgeleerden. Herodes Antipas zal niet blij met Jezus geweest zijn, maar liet Hem met rust. Dat verandert in Mattheüs 14. Herodes ziet in Jezus dan geen onschadelijke prediker en wonderdoener meer (zoals voorheen), maar een potentiële leider van een dreigende opstand. De aanleiding voor deze verandering was de executie van Johannes de Doper. Daarmee haalde Herodes Antipas zich de woede van het Joodse volk op zijn hals en krijgt de roep om het Romeinse juk af te werpen nieuw vuur. De veronderstelde leider van de opstand is Jezus Christus en over Hem gaan na de dood van Johannes de wildste geruchten rond. Heeft Jezus daar zelf aanleiding toe gegeven? Neen het zijn geruchten (Mattheüs 14:1-2) die de wankelmoedige Herodes Antipas gelooft en ernstig verontrusten. Zo wordt Jezus staatsvijand nummer 1 en ongewild hét boegbeeld voor revolutionaire bewegingen.HYem te doden
In de familie van Herodes was liquideren van tegenstanders vaste werkwijze. Het lag dus voor de hand dat Jezus nu het volgende doel van de toorn van Herodes Antipas zou zijn. De berichten over de dood van Johannes de Doper bereiken Jezus in vers 12-13. Hij besluit dan Galilea te verlaten (waar Herodes Antipas regeerde) en de Jordaan over te steken naar Gaulanitis, een gebied waarover een halfbroer van Herodes Antipas regeerde, de Tetrarch Filippus. Hij was een betrekkelijk milde heerser die om zijn onderdanen gaf.
Een Spontane Toogdag: Jezus week met zijn discipelen uit naar Gaulanitis om zo een eventuele arrestatie door Herodes Antipas te ontlopen. Hij zocht een eenzame plaats op om daar onder te duiken. Die beslissing moet vrij abrupt genomen zijn (wat aangeeft dat het gevaar reëel was), want als leeftocht hadden ze slechts vijf broden en twee vissen bij zich (Mattheüs 14:17). Het pakte geheel anders uit.
Toen de boot met Jezus en Zijn discipelen vertrok, liep de route evenwijdig aan de noordkust van het Meer van Galilea. Je kon de boot dus van het vasteland goed volgen. De boot voer de monding van de bovenloop van de Jordaan voorbij en landde enige kilometers verderop op een eenzame plaats in de streek Gaulanitis. Een aantal volgelingen van Jezus hebben dat gezien en gaven bericht door aan zielsverwanten in de steden (Mattheüs14:13b), waarmee onder andere Kafarnaum en Nazareth bedoeld worden. Het bericht gaat als een lopend vuurtje onder de volgelingen van Jezus rond en die besluiten massaal hun woonplaats te verlaten om Jezus op te zoeken (vers 13b). Het was alsof er spontaan een toogdag georganiseerd werd.
De menigte die zich Gaulanitus verzamelde, telde ongeveer 5.000 mannen – was dus nog veel groter. Dat leek nogal verdacht veel op een volksbeweging die het begin van een opstand kon zijn, slechts enige kilometers van de grens met Galilea waar Herodes Antipas regeerde. Het zal duidelijk zijn dat de Tetrarch Filippus dat niet kon tolereren en dat zal Jezus Christus ook beseft hebben. Toch kan Hij het niet over Zijn hart verkrijgen deze toegewijde mensen met lege handen terug naar huis te sturen. Hij werd innerlijk door hen bewogen en begon al hun zieken te genezen (vers 14b). Pas als alle zieken genezen zijn trekt Jezus alleen de bergen in en verdwijnt zo tijdelijk uit het zicht.
Bespreking van de Grondtekst
Vers 1 Op een zekere dag hoorde Herodes, de Tetrarch, een bijzonder gerucht over Jezus.
Vers 2 Daarop zei hij tegen zijn dienaren: Hij moet Johannes de Doper zijn. Hijzelf is opgewekt uit de doden en dientengevolge werken wonderbare krachten in hem!
Mattheüs 14 opent met een scene aan het hof van Herodes Antipas. Het is nu enige maanden later dan de periode waar Mattheüs 11:2-6 over spreekt. Toen zat Johannes de Doper al wel gevangen, maar ten tijde van vers 1-2 is hij al gedood en het gerucht ging rond dat Jezus de opgestane Johannes de Doper was.
De bijgelovige Herodes Antipas was een zwak heerser en een onzeker mens die op geruchten en vermoedens afging. Herodes Antipas had een slecht geweten over de dood van Johannes, een executie waartoe hij zich tegen zijn zin had laten verleiden, maar die hem bijzonder slecht bekomen was. Want Johannes de Doper was populair onder de bevolking en zijn gevangenneming had een volksoproer tot gevolg gehad (vers 5). Ook nu gistte het nog onder de bevolking en dreigden er rellen.
Vers 3 Nu was het geval dat Herodes Antipas Johannes de Doper met groot machtsvertoon in de boeien had laten slaan en in de gevangenis geworpen, op aandringen van Herodias die de wettige vrouw van zijn broer Filippus was.
Vers 4 Want Johannes de Doper had voortdurend verkondigd: Het is u verboden haar te bezitten!
De arrestatie van Johannes de Doper was een gewelddadige demonstratie van de macht van Herodes Antipas. De soldaten waren hard opgetreden en de volgelingen van Johannes de Doper met bruut geweld uiteengeslagen, wat tot grote verontwaardiging leidde . Waarschijnlijk zat zijn vrouw, Herodias, achter de arrestatie. Zij haatte Johannes de Doper en had grote invloed aan het hof. Herodias was getrouwd geweest met Herodes Filippus 1 die in Rome woonde. Toen Herodes Antipas Rome bezocht, werd hij verliefd op Herodias en zij was maar al te bereid om haar status te verhogen door van Herodes Filippus te scheiden en met hem te trouwen. Haar voorwaarde was dat Herodes Antipas zijn toenmalige vrouw zou verstoten en dat deed hij. De Joodse Wet verbood scheiding zonder wettige reden en ook het trouwen met een schoonzuster.
Vers 5 En hoewel Herodes hem had willen doden, was hij daarvan teruggekomen uit vrees voor een volksoproer, aangezien zij hem als een profeet beschouwden.
De grondtekst spreekt van: ephobēthē ton ochlon. Dat is: vreesde hij dé menigte (of: hét volk). Met dé/hét 1) wordt op een bepaalde menigte geduid die zich kennelijk verzet had tegen de arrestatie van Johannes de Doper. Daarom spreken we van volksoproer om dat naar behoren te vertolken.
De profeten werden hoog geëerd, maar er was lange tijd geen profeet meer verschenen. Toch leefde er een stellige verwachting dat de profeet Elia zou terugkeren. Dat was gebaseerd op Maleachi 3:22-24 (NBV21):
22 Houd je aan het onderricht van Mozes, mijn dienaar, aan wie Ik op de Horeb wetten en geboden heb gegeven die gelden voor heel Israël.
23 Voordat de dag van de HEER aanbreekt, die groot is en ontzagwekkend, stuur Ik jullie de profeet Elia, 0
24 en hij zal ervoor zorgen dat ouders zich verzoenen met hun kinderen en kinderen zich verzoenen met hun ouders. Anders zou Ik het land volledig moeten vernietigen.
Toen Johannes de Doper begon te preken, trad hij op in de geest van Elia en ook zijn kleding – een mantel van kamelenhaar – verwees naar Elia. Met hem ontstond een golf van verwachting dat de Romeinen het land uitgegooid zouden worden en het Messiaanse Rijk zou beginnen. Toen Johannes ook nog Jezus aanwees als Messias (Mattheüs 3:7-17), kreeg de beweging tevens een gedoodverfde leider (tegen de zin van Jezus). Met de gewelddadige arrestatie van Johannes de Doper en zijn dood werd die hoop zwaar gefrustreerd. Zo was een geest van revolutie ontstaan die Herodes Antipas terecht vreesde en richtte de Joodse hoop van herstel van het koninkrijk van David zich nu op Jezus Christus.
Vers 6 Toen echter het verjaardagsfeest van Herodes Antipas gehouden werd, danste de eigen
dochter van Herodias te midden van de aanwezigen om Herodes te plezieren.
Verjaardagsfeesten waren een Romeins gebruik dat door de Joden veroordeeld werd. Echter aan het hof van Herodes Antipas leefde men naar Romeinse maatstaven. Mannen en vrouwen hielden gescheiden feesten die vaak zedelijk ontspoorden. Hoewel veel verklaarders van mening zijn dat de dochter van Herodias een erotische dans ten beste gaf, zegt de grondtekst dat niet. Haar leeftijd – 12 tot 14 jaar – suggereert eerder een sierlijke dans van een mooi meisje die daarmee de aanwezigen tot verrukking bracht.
Vers 7 In een opwelling beloofde hij onder een eed om haar te geven wat ze ook maar zou vragen. Het meisje echter was beïnvloed door haar eigen moeder.
Als de wijn is in de man is de wijsheid in de kan, zegt een volkswijsheid en dat blijkt ook hier. Herodes Antipas zwelt van trots als ‘zijn dochter’ de aanwezigen met haar dans tot verrukking brengt. Op gezwollen toon beloofd hij haar te geven wat ze ook maar zou vragen. Markus 6:23 spreekt zelfs van ‘de helft van mijn koninkrijk’. Echter dat kon Herodes Antipas helemaal niet, want hij was een vazalvorst van geringe statuur in dienst van het Romeinse Rijk. Hier spreekt een beneveld mens die een te grote broek aantrekt.
Vers 7b beloofde hij onder een eed om haar te geven wat ze ook maar zou vragen.
Een vorst als Herodes de Grote hoefde geen eed te zweren om iets gedaan te krijgen. Zijn wil was wet. Echter zijn zoon, Herodes Antipas, was van een ander kaliber. Hij was onzeker. Daarom gebruikt hij grote woorden en zweert hij, waardoor hij zichzelf in een onmogelijke positie plaatst, want er is geen weg terug.
Vers 7c Het meisje was echter beïnvloed door haar eigen moeder.
Salomé was een dochter uit het eerste huwelijk van Herodias met Herodes Filippus. Zij stond onder sterke
invloed van haar moeder en wist natuurlijk dat Johannes de Doper een gevaar voor haar moeder vormde en
dat Herodias hem dood wenste. De giftige invloed van de moeder weerklinkt in het verzoek van vers 8.
Vers 8 Ik wil graag hebben… – zo onthulde zij – het hoofd van Johannes de Doper hier en nu op een schaal.
Herodias was de drijvende kracht achter haar man. Zij wilde dat hij koning over heel het rijk van Herodes de Grote zou worden. Johannes eiste echter dat het huwelijk tussen haar en Herodes ontbonden zou worden en daarom moest Johannes de Doper opgeruimd worden. De minachting die Herodias voor een menselijk leven koesterde, sijpelt door in de wens van de dochter die dat op aansprekende wijze verwoordt.
Vers 9 De koning was geschokt, maar vanwege de gegeven eden en de aanwezige gasten beval hij dat haar het hoofd geschonken zou worden.
Vers 10 Hij heeft toen iemand gezonden en liet in zijn gevangenis Johannes de Doper onthoofden.
Herodes Antipas beseft onmiddellijk dat hij in de val is gelopen. Echter gezichtsverlies was geen optie, dus komt hij zijn gegeven eden na en geeft bevel Johannes te onthoofden.
Vers 11 Daarna werd zijn hoofd binnengedragen op een schaal en aan het meisje gegeven en zij bracht het weer naar haar moeder.
Het kostte weinig tijd om Johannes te onthoofden. Johannes zat dus in hetzelfde gebouw gevangen en dat was de Burcht van Machaerus. Die lag in Perea, ten oosten van de Dode Zee. Het afgehakte hoofd van Johannes de Doper wordt binnengedragen. Schilders hebben het gruwelijke voorval vaak afgebeeld en dan ligt het hoofd keurig opgemaakt op een schaal. Zo zal het ook wel gegaan zijn – slordig met bloed knoeien was er niet bij. Er wordt in de feestzaal nog een schijn van beschaving opgehouden. Het meisje aanvaart het hoofd en brengt het zelf in triomf naar haar moeder die waarschijnlijk in haar eigen vertrekken is.
Vers 12 De discipelen van Johannes zijn er heengegaan, takelden het lichaam omhoog uit het graf en begroeven het. Toen hebben zij de Heer Jezus benaderd en brachten Hem verslag uit.
Het zal minstens een dag geduurd hebben voordat de discipelen van Johannes van zijn dood hoorden. Een gestorvene diende volgens de wet dezelfde dag begraven te worden. Als sprake was van een executie dan werden de lijken van veroordeelden in een naamloos graf gegooid. Kennelijk kwamen de discipelen er achter waar het lijk van Johannes de Doper lag. Vers 12 is een onderkoeld verslag van wat waarschijnlijk een riskante operatie was. Want de Burcht Machaerus lag op een geïsoleerde plaats in de wildernis en werd goed beveiligd. Er was dus moed voor nodig om het lichaam van Johannes daar weg te halen.
Vers 13a Als reactie op wat Hij hoorde, beraadde de Heer Jezus zich. Hij week toen vandaar per
schip uit en ging alleen met Zijn getrouwen naar een eenzame plaats.
De ontvreemding van het lichaam van Johannes zal door Herodes als een vijandelijke daad beschouwd zijn. Jezus was de enige overgebleven ‘leider van de beweging’ die het Messiaanse Rijk propageerde en dat zou het einde van het rijk van Herodes betekenen. Na zijn dood zullen velen van Johannes’ discipelen zich bij de ‘Jezus beweging’ hebben aangesloten. Jezus vormde in de ogen van Herodes Antipas daarom een grote bedreiging voor zijn positie en zijn bizarre overtuiging dat Hij de opgestane Johannes de Doper was (vers 1 en 2) versterkte die gedachte. Het heeft er alle schijn van dat Jezus zijn hachelijke positie besefte en daarom een eenzame plaats buiten het gebied van Herodes Antipas opzocht om een eventuele arrestatie te ontlopen.
We weten niet precies waar de eenzame plaats van Mattheüs 14:13 lag. Waarschijnlijk een paar kilometer zuidoostelijk van Betsaïda Julias (Lukas 9:10). Die streek heette Gaulanitis en lag aan de noordzijde van het Meer van Galilea, oostelijk van de Jordaan. Het behoorde tot het gebied van de Tetrarch Filippus, een halfbroer van Herodes Antipas en dat was een veiliger plaats dan Galilea, waar Herodes Antipas regeerde.
Vers 13b Toen de vele mensen die Zijn volgeling waren dat vernamen, verlieten ze de steden en volgden Hem over land.
Door de geruchten over de dood van Johannes de Doper en de dreigende arrestatie van Jezus ontstond
ontstond een sfeer van geheimzinnigheid waarin gelijkgestemden elkaar weten te vinden. Want het nieuws dat Jezus het gebied van Herodes Antipas verlaat wordt snel onder Zijn volgelingen verspreid. Gaulanitis was dichtbij en velen verlieten hun woonplaats en volgden het schip met Jezus en Zijn discipelen. Dat kon prima, want de boot voer langs de noordkust naar het oosten en was vanaf de wal goed te volgen.
Vers 14a Nadat de Heer Jezus de boot verlaten had, overzag hij een menigte mensen.
Was Jezus verrast toen Hij bij aankomst een menigte mensen zag toestromen? Waarschijnlijk niet, want vanaf de boot (die dicht onder de kust voer) zal Hij zeker gezien hebben dat veel mensen de boot volgden.
Wel is duidelijk dat Jezus met zijn getrouwen een eenzame plaats zocht en dat lukte dus niet.
Vers 14b Toen werd Hij innerlijk door hen bewogen en begon al hun zieken te genezen.
Dat een grote menigte Jezus volgde doorkruist het plan van Jezus om onder te duiken. Die menigte zou door Herodes Antipas zeker voor ‘potentiële revolutionairen’ worden aangezien, net over de grens van zijn gebied. Dat bracht Filippus de Tetrarch in een moeilijke positie en hem op het idee brengen met Herodes Antipas samen te werken. In plaats van veiligheid neemt het gevaar dus toe. De urgentie voor Jezus en Zijn discipelen om een veilig heenkomen te zoeken bleef daarom bestaan, zoals bevestigd wordt in vers 22.
Vers 15 Bij het vallen van de avond kwamen de discipelen naar Jezus toe met de volgende suggestie: Dit is een verlaten streek en de dag is al bijna verstreken. Stuur al die mensen toch weg opdat zij naar de dorpen gaan en voedsel voor zichzelf kopen.
Vers 16 Maar Jezus sprak hen tegen en zei: Zij hoeven niet weg, geven jullie hun zelf maar te eten.
Vers 17 Zij weerlegden dat en zeiden: Wij hebben hier vrijwel niets, slechts vijf broden en twee vissen.
Vers 18 Hij echter droeg hen op: Breng ze maar hier.
Hoeveel mensen Jezus Christus genezen heeft, weten we niet. Het moeten er honderden geweest zijn (al hun zieken – 14b). Dat zal uren geduurd hebben en al die tijd blijven de vele gelovigen geduldig wachten. Water was dichtbij (het Meer van Galilea), maar voedsel zullen maar weinigen bij zich gehad hebben.
De zon staat al laag aan de hemel als de discipelen verontrust naar Jezus gaan en hem verzoeken de menigte naar huis te sturen, zodat de mensen voedsel kunnen kopen. Voor de meesten was dat twee tot drie uur lopen dus wellicht konden ze nog voor donker thuis zijn. Jezus geeft een verrassend antwoord: geven jullie hun zelf maar te eten. Dat was natuurlijk een onmogelijk verzoek. De enige leeftocht die ze hadden was voor henzelf en dat was al karig en nauwelijks toereikend voor Jezus en de discipelen.
Mochten de discipelen verwachten dat Jezus op wonderlijke wijze voor meer voedsel zou zorgen? Neen, want dat was nooit eerder gebeurd. De wonderen van Jezus waren genezingen. Je kunt dus niet van ongeloof van de discipelen spreken, zoals sommige verklaarders doen. Het tegenargument van de discipelen is dan ook volkomen logisch: Wij hebben hier vrijwel niets, slechts vijf broden en twee vissen. Heel gewoontjes zegt Jezus dan: Breng ze maar hier.
Vers 19 Nadat Jezus alle mensen opgedragen had te gaan zitten op het gras, nam Hij de vijf broden en de twee vissen. Hij keek omhoog naar de hemel en sprak het zegengebed uit. Toen Hij de broden in stukken gebroken had, gaf Hij die aan de discipelen en de discipelen gaven het weer aan de vele aanwezige mensen.
Jezus loopt tussen de drommen mensen door en maant ze vriendelijk om in het gras te gaan zitten. Je ziet het haast voor je: Een verwachtingsvolle menigte volgt met de ogen de man die zij als Messias vereren. Hij pakt het brood en de vissen en heft zijn gezicht in aanbidding omhoog naar de hemel. Waarschijnlijk sprak Jezus Christus toen het traditionele zegengebed uit: Geprezen zijt Gij, Heer, onze God, Koning der wereld, die het brood uit de aarde laat voortkomen. Dan gebeurt het wonder. Jezus breekt de broden in stukken en die verminderen niet, evenals de vis, totdat iedereen te eten heeft. Was dit een gezellige picknick? Natuurlijk niet. Hier spraken de mensen op zachte toon – diep onder de indruk van het wonder. Er moet een heilige stilte hebben gehangen die ook optreed als we avondmaal vieren in de kerk – ook dat verwijst naar een wonder: De dood van Jezus Christus tot verzoening van alle zonden van hen die Hem volgen.
Vers 20 Toen hebben zij allen gegeten en werden verzadigd. Daarna hebben de discipelen de overblijvende brokken opgehaald – twaalf manden vol.
Vers 21 Degenen nu die daarvan aten, telden ongeveer vijfduizend mannen, vrouwen en kinderen niet meegerekend
Als iedereen gegeten heeft blijkt er zoveel brood over te zijn dat twaalf manden ermee gevuld worden. Aan het einde van de maaltijd had men dus nog meer brood dan aan het begin. De menigte telde ongeveer vijfduizend mannen. Mannen kunnen gemakkelijker van huis dan vrouwen (vanwege de kinderen), dus zal het totale aantal mannen, vrouwen en kinderen ergens tussen de acht tot tienduizend gelegen hebben.
Vers 22a Meteen daarna drong de Heer Jezus sterk aan bij Zijn discipelen om in de boot te stappen
Ondertussen is de ‘politieke situatie’ niet veranderd. Er is sprake van grote urgentie om de streek zo snel mogelijk te verlaten. Dat moet dus een bedreiging geweest zijn. De samengestroomde menigte van wellicht 10.000 personen trok de aandacht en de Tetrarch Filippus zal zich zeker afgevraagd hebben of dit een potentieel begin van een oproer zou kunnen zijn. Hoewel hij een mild regeerder was kon hij dit onmogelijk tolereren. Er zullen dus al tekenen geweest zijn dat Filippus maatregelen overwoog. Jezus staat er daarom op dat de discipelen direct naar een veiliger plaats vertrekken. Hijzelf kan echter nog niet met hen meegaan,
want er zijn nog vele zieken die Hij wil genezen.
Vers 22b en Hem voor te gaan naar de overkant van het meer, totdat hij alle mensen kon laten gaan.
De bestemming aan de overzijde van het Meer van Galilea is Genesareth (Mattheüs 14:34).
Die plaats lag enige kilometers ten zuidwesten van Kafarnaüm en dat was een dichtbevolkt vruchtbaar gebied. Wellicht verwachte Jezus dat Hij en zijn discipelen daar onder konden duiken.
(Introductie A, B en C)
Vers 23 Daarna nam Hij afstand van al die mensen en klom omhoog de berg op om in afzondering te bidden. De nacht was ondertussen gevallen en Hij was daar helemaal alleen.
Als alle zieken genezen zijn (vers 14b) trekt Jezus alleen de bergen in. Die lagen oostelijk van het Meer van Galilea en dat betrof een desolaat gebied, waar je gemakkelijk een schuilplaats kon vinden.
Vers 24 De boot was ondertussen door beukende golven reeds naar het midden van het meer gedreven, want ze hadden harde wind tegen.
De nacht was al gevallen, dus was de boot met de discipelen al uren onderweg. Met goede wind duurde de overtocht een uur of twee, drie (de af te leggen route is ongeveer 10 km en die loopt evenwijdig aan de noordkust). De boot was echter halverwege het Meer van Galilea, want ze hadden harde wind tegen – ze waren dus ver uit de koers geslagen.
Vers 25 Tijdens de vierde wake van die nacht kwam de Heer Jezus naar hen toe terwijl Hij over het meer liep.
Vers 26 Toen de discipelen Hem op het meer zagen lopen, raakten zij in paniek. Zij riepen: ‘Het is een spook!’ en schreeuwden het uit van angst.
De vierde nachtwake betreft de laatste uren van de nacht. Het zal dus zo ongeveer vijf a zes uur in de ochtend geweest zijn. De discipelen zien Jezus van verre lopen op het water zonder Hem te herkennen. De nacht was kennelijk helder en maanverlicht 1).
Na een doorwaakte nacht, waarin de vissersboot door de harde wind en de hoge golven ver uit de koers is geslagen en de discipelen doodmoe zijn, zien ze een menselijke gestalte die op het water loopt. Dat is een schokkende belevenis die hen in paniek brengt.
1) Dat is niet strijdig met de harde wind (vers 24) die in Nederland meestal met zware bewolking gepaard gaat. De woestijnwind of sirocco waait ook op heldere dagen.
Vers 27 Maar de Heer Jezus begon meteen te praten door hen toe te roepen: Houd moed! Ik ben het! Wees toch niet bang!
Dit is een mooie zin die de liefdesband tussen Jezus en Zijn discipelen verwoordt. Want Jezus reageert snel door hen toe te roepen en zo hun angst weg te nemen.
Vers 28 Degene die Petrus genoemd werd reageerde echter en zei: Heer, als U het bent, beveel mij dan om over het water naar U toe te komen.
Vers 29 Die sprak hem toe en zei toen: ‘Kom maar’. Petrus stapte uit de boot en liep over het water om zo naar de Heer Jezus te gaan.
Petrus wordt vaak neergezet als haantjes de voorste, maar dat klinkt nogal negatief. Het is beter hem enthousiast te noemen en zeer toegewijd. Die instelling brengt hem tot een gewaagde stap. Als Jezus op het water kan lopen, waarom hij niet? Jezus had Zijn discipelen immers grote macht gegeven (Mattheüs 10:1). Als Jezus hem toeroept: ‘Kom maar’ bedenkt Petrus zich geen moment en stapt op het water.
Het lijkt er sterk op dat vers 28 een woordspeling bevat. Want de uitdrukking: Degene die Petrus genoemd werd kan ook vertaald worden als: degene die rots genoemd werd. Aldus wordt Petrus als de standvastigste van de discipelen aangeduid, dus de dapperste en dat blijkt ook. Alleen hij durft op het water te stappen.
Vers 30 Maar toen hij de harde stormwind voelde, werd hij bang en begon te zinken. Hij schreeuwde het uit en riep: ‘Heer, red mij!’
Vers 31 Onmiddellijk strekte de Heer Jezus nu Zijn hand uit en greep hem vast. Hij sprak hem toe: Kleingelovige, waarom ben je gaan twijfelen?
Jezus bevindt zich op enige afstand van de boot en aanvankelijk loopt Petrus net als Hij over het water. Dan ervaart hij de stormwind en wordt hij bang. Met het wankelen van zijn geloof verliest het wonder zijn kracht en begint hij te zinken – de angst overweldigt hem.
Petrus moet Jezus Christus dan al heel dicht genaderd zijn, want Jezus kan hem onmiddellijk vastgrijpen en
zo redden. Petrus begon zo goed, maar ging uiteindelijk toch twijfelen. Zo toont de dappere daad van Petrus
enerzijds hoe krachtig een waar geloof kan zijn, maar ook hoe gemakkelijk we gaan twijfelen. Zijn falen wordt verwoord in Mattheüs 17: 20-21 (NBV21):
19 Toen de leerlingen met Jezus alleen waren, vroegen ze Hem: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’
20 Hij antwoordde: ‘Vanwege jullie gebrek aan geloof. Ik verzeker jullie: als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, dan zeg je tegen die berg: “Verplaats je van hier naar daar!” en dan zal hij zich verplaatsen. Niets zal voor jullie onmogelijk zijn.’
Vers 32 En terwijl zij in de boot stapten, ging de wind liggen.
Jezus neemt Petrus aan de hand mee en samen lopen ze over het water naar de boot. Als ze dan aan boord stappen bedaart de stormwind.
Vers 33 Allen die aan boord waren, wierpen zich voor Hem neer en beleden: U bent werkelijk een zoon van God.
Dit is geen belijdenis dat Jezus dé Zoon van God is, zoals velen stellen. Er staat: een zoon van God. Dat was een synoniem voor theios anēr (Goddelijke man), dus een algemene benaming voor een van God gezonden persoon of een man Gods, zoals ook een profeet omschreven werd. Pas in Mattheüs 16:16 en 17:5 komt het begrip ‘dé (= enige) Zoon van de hoge God’ tot ontwikkeling.
Vers 34 Toen ze overgestoken waren, kwamen zij aan land bij Gennesaret.
Gennesaret was een stad en vlakte ten noordwesten van het meer van Galilea, enige kilometers ten zuidwesten van Kafarnaüm. Het was een vruchtbaar en dichtbevolkt gebied. ____________________________________________________________________________________________________________________________________________
Jezus Begint Galilea te Mijden
Als Jezus aankomt in Gennesaret zoekt hij ook daar de anonimiteit. Maar Hij wordt door enige mannen herkend (Mattheüs 14:35) en die sturen bericht door de gehele omgeving. Dat was geen beslissing van Jezus zelf, maar een onwelkome actie van Zijn volgelingen. Zo werd bekend waar Hij was en konden de Farizeeën en schriftgeleerden Hem ook vinden om met Hem in debat te gaan. Het dreiging door Herodes Antipas was echter acuut. Daarom besluit Jezus om Galilea weer te verlaten en zich in de provincie Tyrus en Sidon terug te trekken (Mattheüs 15:21). Daar had geen enkele Herodes enige macht en was Hij veilig.
Als Jezus Tyrus en Sidon na enige tijd verlaat kiest hij een noordelijk route, oostwaarts en gaat dan via Gaulanitis langs de oostzijde van het Meer van Galilea naar het zuiden. Zo bleef Hij buiten het gebied van Herodes Antipas Hij arriveerde in Decapolis (Markus 7:31), waar het veilig was. Daar aangekomen ging Hij een berg op en daar vond de tweede ‘spijziging’ plaats, nu van 4.000 mannen.
In Mattheüs 15:39 steekt Jezus het Meer van Galilea over naar Magadan. Deze plaats is onbekend en lag wellicht ergens aan de zuidoever van het meer, in Decapolis. Ook het feit dat Jezus in Mattheüs 16:13 naar Caesarea Filippi vertrok (het gebied van Tetrarch Filippus) duidt erop dat Hij niet naar Galilea terugkeerde.
Pas in Mattheüs 17:22-24 keert Jezus met Zijn discipelen terug naar Galilea. Dan is nergens meer sprake van een menigte die Hem volgt. Jezus gaat met individuen om. De grote volksbeweging is geluwd en wellicht heeft Herodes Antipas zijn aandacht naar andere zaken verplaatst. Enige tijd daarna vertrekt Jezus via de Jordaanvallei naar Judea (Mattheüs 10:1) en daar blijft Hij tot Zijn dood (Mattheüs 20:18).
Vers 35 Maar enige mannen uit die plaats herkenden Hem en zonden bericht door de gehele omgeving. Daarop bracht men allen die ziek waren naar Hem toe.
Vers 36 Die smeekten Hem dat zij slechts de zoom van Zijn kleed zouden mogen aanraken. En iedereen die dat deed werd genezen.
Jezus maakt Zich niet zelf bekend. Hij wordt herkend, waarschijnlijk tegen Zijn zin. De mare van Zijn komst verspreidt zich als een lopend vuur en de mensen stromen massaal toe. Was dat Jezus’ bedoeling? Vrijwel zeker niet. Jezus wilde een poosje onderduiken om arrestatie door Herodes Antipas te voorkomen. In plaats daarvan ontstaat weer een zeer opvallende samenscholing van een menigte mensen en daarmee een grote kans op het ingrijpen van Herodes Antipas.
Dan volgt een wonderlijk gebeuren. Jezus gaat er niet toe over om de zieken te genezen, zoals in Mattheüs 14:14. Het initiatief ligt nu bij de menigte en de zieken. Zij nu tonen een groot geloof, want de mensen vertrouwen erop dat slechts de aanraking van Zijn mantel genezing brengt. En zo geschiedt het!
Dit is een uittreksel van de Verklaring van Mattheüs door Gert A. van de Weerd. Daar wordt de in deze studie gebruikte grondtekst diepgaand verantwoord.
Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

