📄 Download deze Bijbelvertaling (PDF)
Mattheüs 14:1-36
De Dood van Johannes de Doper
1 Op een zekere dag hoorde Herodes, de Tetrarch, een bijzonder gerucht over Jezus.
2 Daarop zei hij tegen zijn dienaren: Hij moet Johannes de Doper zijn. Hijzelf is opgewekt uit de doden en dientengevolge werken wonderbare krachten in hem!
3 Nu was het geval dat Herodes Antipas Johannes de Doper met groot machtsvertoon in de boeien had laten slaan en in de gevangenis geworpen, op aandringen van Herodias die de wettige vrouw van zijn broer Filippus was.
4 Want Johannes de Doper had voortdurend verkondigd: Het is u verboden haar te bezitten!
5 En hoewel Herodes hem had willen doden, was hij daarvan teruggekomen uit vrees voor een volksoproer, aangezien zij hem als een profeet beschouwden.
6 Toen echter het verjaardagsfeest van Herodes Antipas gehouden werd, danste de eigen dochter van Herodias te midden van de aanwezigen om Herodes te plezieren.
7 In een opwelling beloofde hij onder een eed om haar te geven wat ze ook maar zou vragen. Het meisje echter was beïnvloed door haar eigen moeder.
8 Ik wil graag hebben… – zo onthulde zij – het hoofd van Johannes de Doper hier en nu op een schaal.
9 De koning was geschokt, maar vanwege de gegeven eden en de aanwezige gasten beval hij dat haar het hoofd geschonken zou worden.
10 Hij heeft toen iemand gezonden en liet in zijn gevangenis Johannes de Doper onthoofden.
11 Daarna werd zijn hoofd binnengedragen op een schaal en aan het meisje gegeven en zij bracht het weer naar haar moeder.
12 De discipelen van Johannes zijn er heengegaan, takelden het lichaam omhoog uit het graf en begroeven het. Toen hebben zij de Heer Jezus benaderd en brachten Hem verslag uit.
Jezus Vlucht voor Herodes Antipas
13 Nadat de Heer Jezus dat gehoord had, beraadde Hij zich. Hij week toen vandaar per schip uit en ging alleen met Zijn getrouwen naar een eenzame plaats. Toen de vele mensen die Zijn volgeling waren dat vernamen, verlieten ze de steden en volgden Hem over land.
14 Nadat de Heer Jezus de boot verlaten had, overzag hij een menigte mensen. Toen werd Hij innerlijk door hen bewogen en begon al hun zieken te genezen.
De Eerste Wonderbare Spijziging
15 Bij het vallen van de avond kwamen de discipelen naar Jezus toe met de volgende suggestie: Dit is een verlaten streek en de dag is al bijna verstreken. Stuur al die mensen toch weg opdat zij naar de dorpen gaan en voedsel voor zichzelf kopen.
16 Maar Jezus sprak hen tegen en zei: Zij hoeven niet weg, geven jullie hun zelf maar te eten.
17 Zij weerlegden dat en zeiden: Wij hebben hier vrijwel niets, slechts vijf broden en twee vissen.
18 Hij echter droeg hen op: Breng ze maar hier.
19 Nadat Jezus alle mensen opgedragen had te gaan zitten op het gras, nam Hij de vijf broden en de twee vissen. Hij keek omhoog naar de hemel en sprak het zegengebed uit. Toen Hij de broden in stukken gebroken had, gaf Hij die aan de discipelen en de discipelen gaven het weer aan de vele aanwezige mensen.
20 Toen hebben zij allen gegeten en werden verzadigd. Daarna hebben de discipelen de overblijvende brokken opgehaald – twaalf manden vol.
21 Degenen nu die daarvan aten, telden ongeveer vijfduizend mannen, vrouwen en kinderen niet meegerekend
Jezus Wandelt op het Meer van Galilea
22 Meteen daarna drong de Heer Jezus sterk aan bij Zijn discipelen om in de boot te stappen en Hem voor te gaan naar de overkant van het meer, totdat hij alle mensen kon laten gaan.
23 Daarna nam Hij afstand van al die mensen en klom omhoog de berg op om in afzondering te bidden. De nacht was ondertussen gevallen en Hij was daar helemaal alleen.
24 De boot was ondertussen door beukende golven reeds naar het midden van het meer gedreven, want ze hadden harde wind tegen.
25 Tijdens de vierde wake van die nacht kwam de Heer Jezus naar hen toe terwijl Hij over het meer liep.
26 Toen de discipelen Hem op het meer zagen lopen, raakten zij in paniek. Zij riepen: ‘Het is een spook!’ en schreeuwden het uit van angst.
27 Maar de Heer Jezus begon meteen te praten door hen toe te roepen: Houd moed! Ik ben het! Wees toch niet bang!
28 Degene die Petrus genoemd werd reageerde echter en zei: Heer, als U het bent, beveel mij dan om over het water naar U toe te komen.
29 Die sprak hem toe en zei toen: ‘Kom maar’. Petrus stapte uit de boot en liep over het water om zo naar de Heer Jezus te gaan.
30 Maar toen hij de harde stormwind voelde, werd hij bang en begon te zinken. Hij schreeuwde het uit en riep: ‘Heer, red mij!’
31 Onmiddellijk strekte de Heer Jezus nu Zijn hand uit en greep hem vast. Hij sprak hem toe: Kleingelovige, waarom ben je gaan twijfelen?
32 En terwijl zij in de boot stapten, ging de wind liggen.
33 Allen die aan boord waren, wierpen zich voor Hem neer en beleden: U bent werkelijk een zoon van God.
34 Toen ze overgestoken waren, kwamen zij aan land bij Gennesaret.
35 Maar mannen uit die plaats herkenden Hem en zonden bericht door de gehele omgeving. Daarop bracht men allen die ziek waren naar Hem toe.
36 Die smeekten Hem dat zij slechts de zoom van Zijn kleed zouden mogen aanraken. En iedereen die dat deed werd genezen.
Dit is een directe vertaling uit de Griekse Grondtekst. Een verantwoording daarvoor vindt u in De Verklaring van Mattheüs door Gert A. van de Weerd. Daarin wordt deze afwijkende tekst breed verantwoord.
Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

