Openbaring 10: Jezus Claimt de Aarde als Zijn Bezit
Inleiding
Dit is een hoofdstuk dat nogal onderschat wordt. Belangrijkste reden is dat velen niet goed weten wat ze met de tekst aan moeten. Men slaagt er nauwelijks in de verklaring in overeenstemming te brengen met de eigen theologie van Openbaring. De zeer gevarieerde meningen tonen dat wel aan. Dat heeft weer geleid tot een geringe motivatie bij geleerden om de Griekse grondtekst nauwkeuriger te onderzoeken. Wij hebben dat wel gedaan en zo onvermoede diepten in de tekst opgedolven die leidinggeven aan de exegese.
De Claimceremonie
Openbaring 10 spreekt over een belangrijk heilsfeit. Jezus Christus claimt formeel Zijn recht als heerser van deze aarde. Dat betekent dat de oude (Satan) verdwijnen moet en dat gaat niet zonder strijd. De claim van Jezus wordt aanschouwelijk gemaakt doordat Hij zijn voeten symbolisch op de wateren en het land plaatst. In het oosterse denken heeft dat grote betekenis. Want als een koning een land aanviel, plaatste hij zijn voeten net over de grens op het vijandelijke gebied om aanschouwelijk dat grondgebied te claimen. Dat gold ook een overwonnen tegenstander, zoals uit Jozua 10:24 blijkt.
De Kleine Boekrol
Jezus overhandigt Johannes een kleine boekrol. Dat is een typologische handeling die direct voortvloeit uit de claimceremonie. Het boekrolletje bevat de ‘verkorte wet’ van de nieuwe heerser (Jezus Christus) over de aarde die elke onderdaan van dat toekomstige Rijk gehoorzamen moet. Die Messiaanse wet wordt op een bijzondere manier ingesteld. Johannes krijgt namelijk opdracht het boekrolletje op te eten – hij moet die wet dus ‘van binnen’ ervaren; proeven. Het boekrolletje smaakt zoet voor gelovigen, maar bitter (= giftig) voor de vijanden van Jezus Christus. Die bitterheid wijst op de resterende oordelen en Johannes wordt opgedragen daarover te profeteren.
________________________________________________________________________________________________
Vers 1: Ik was nog steeds in het visioen, toen een zekere (hoge) Engel met macht nederdaalde uit de hemel. Een wolk omhulde Hem en een stralenkrans was om zijn hoofd. Zijn gezicht was als de zon en zijn voeten waren als zuilen van vuur.
Een zekere (hoge) Engel – Jezus Christus – verlaat de hemel en daalt neer op de aarde (vers 2). Zijn gestalte straalt een oogverblindende vuurgloed uit die getemperd wordt door een omhullende wolk die Zijn lichaam bedekt. Zijn gelaat straalt als de zon en een stralenkrans of halo is om Zijn hoofd. Het is een beeld van zinderende macht die elke menselijk toeschouwer met stomheid zou slaan – zo ook Johannes.
Het tafereel doet denken aan de Sjechinah van Jahweh (de Heerlijkheid des HEEREN), zoals die het volk Israël voorging tijdens hun tocht in de woestijn. Ook daar werd de vurige uitstraling getemperd door een omhullende wolk (Exodus 13:21-22 en 14:24).
Sommigen betwijfelen of deze Engel wel de Christus is, omdat Johannes Hem niet herkent, want – zo is de redenering – dan had Johannes dat wel duidelijk aangegeven. Dat is echter een drogreden, want Johannes wordt hier met stomheid geslagen door de overweldigende macht die deze Engel uitstraalt. Dat laat geen ruimte voor suggesties over zijn identiteit – wellicht vermoedde hij alleen maar dat het Jezus Christus was of herkende hij Hem in het geheel niet. De Jezus die Johannes zich herinnerde had immers een gewone menselijke gestalte. Het is daarom dat hij een voorzichtige omschrijving geeft – een zekere (hoge) Engel – die wel aangeeft dat van een bijzondere aartsengel sprake is, maar niet Zijn naam geeft.
Johannes zal verlamd van angst en schrik naar de hemelse gestalte gestaard hebben, zoals ook in Openbaring 1:17 beschreven wordt.
________________________________________________________________________________________________
De Kleine Boekrol
Voorwoord
Het woord biblaridion (kleine boekrol – vers 2) is qua betekenis betwist. Velen negeren het ‘kleine’ en ziet er een gewone boekrol in. Dat doet men omdat zo in de vertaling de indruk wordt gewekt dat de kleine boekrol en boekrol in Openbaring 6-8 (die van de zeven zegels) dezelfde zijn. Daar staat echter biblion (boekrol). Die afwijking is een standaardvoorbeeld van inlegkunde en bovendien zeer strijdig met de uiterst zorgvuldige wijze waarop Johannes verslag doet – elk woord van hem dienen we serieus te nemen! Anderen zien in biblaridion het Nieuwe Testament en ook dat wordt nergens onderbouwd. Weer anderen verwijzen naar Ezechiël 2:9-3:3, waar ook sprake is van een kleine boekrol die Ezechiël opeet. Maar die profetie heeft geen binding met deze gebeurtenis. We signaleren dus dat de verklaringen alle kanten opvliegen.
Is de Kleine Boekrol een Mezuzah?
De kleine boekrol blijkt eetbaar. Dat geeft tevens aanwijzingen voor de mogelijke grootte. Die zal zeker niet de lengtemaat hebben gehad van een gemiddelde boekrol (50-100 cm), noch van een kleinere boekrol (25-40 cm), zoals wij die kennen. Er is waarschijnlijk sprake van een ‘boekrolletje’ – hoe zou je die anders kunnen opeten? Echter die zijn vrijwel onbekend in de Joodse traditie, behalve als Mezuzah.
Mezuzah betekent eigenlijk deurpost. Maar al eeuwenlang duidt het ook op een tekstkokertje dat volgens traditioneel Joods gebruik op de rechterbinnenkant van de deurposten wordt aangebracht. Het kokertje bevat de volgende twee Bijbelgedeelten:
Het Sjema; Deuteronomium 6:4-9 (NBG):
4 Hoor, Israël: de HERE is onze God; de HERE is één!
5 Gij zult de HERE, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht.
6 Wat ik u heden gebied, zal in uw hart zijn,
7 gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat.
8 Gij zult het ook tot een teken op uw hand binden en het zal u een voorhoofdsband tussen uw ogen zijn,
9 en gij zult ze schrijven op de deurposten van uw huis en aan uw poorten.
Deuteronomium 11:13-21 (NBG):
13 Indien gij nu aandachtig luistert naar de geboden, die ik u heden opleg, zodat gij de HERE, uw God, liefhebt en Hem dient met uw ganse hart en uw ganse ziel,
14 dan zal Ik de regen voor uw land op zijn tijd geven, de vroege en de late regen, zodat gij uw koren en uw most en uw olie kunt inzamelen,
15 en Ik zal op uw veld gras geven voor uw vee, zodat gij kunt eten en verzadigd worden.
16 Neemt u ervoor in acht, dat uw hart zich niet laat verlokken, zodat gij afwijkt, andere goden dient en u voor hen nederbuigt.
17 Dan zou de toorn des HEREN tegen u ontbranden en Hij zou de hemel toesluiten, zodat er geen regen komt, de bodem zijn opbrengst niet geeft en gij weldra te gronde gaat in het goede land, dat de HERE u geven zal.
18 Maar gij zult deze mijn woorden in uw hart en in uw ziel leggen; gij zult ze tot een teken op uw hand binden en zij zullen een voorhoofdsband tussen uw ogen zijn.
19 Gij zult ze uw kinderen leren en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit en wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat;
20 gij zult ze schrijven op de deurposten van uw huis en aan uw poorten,
21 opdat gij en uw kinderen in het land, waarvan de HERE uw vaderen gezworen heeft, dat Hij het hun zou geven, zó lang leeft, als de hemel boven de aarde staat.
Het probleem van het ‘boekrolletje’ heeft me intens beziggehouden. Daarbij waren de vele studieboeken die ik raadpleegde van weinig nut. We worden daarom teruggeworpen op de woorden van Johannes zelf en die geven waardevolle informatie. De volgende kenmerken en suggesties kunnen ons verder helpen.
1. De rol is klein genoeg voor Johannes om die geheel te kunnen opeten 2). Hij kan dus niet veel langer dan 10-15 cm zijn geweest.
2. Boekrollen werden met twee handen vastgehouden en al lezende afgerold. Deze past – geopend – in de hand van de Engel 3). Dit boekrolletjes kan dus maar een zeer beperkte tekst bevatten en die moet zichtbaar zijn, anders is het ‘geopend zijn’ zonder zin.
3. Het is een bindend voorschrift dat de tekst van een Mezuzah op één zijde geschreven wordt. De gehele tekst is dus zichtbaar als die geopend in een hand gelegd wordt. Op de achter- zijde staat slechts Sjaddai (= Almachtige).
4. De kleine boekrol heeft te maken met Openbaring 11, dat is wel duidelijk 4). Daar zoomt de focus van de profetie in op het land Kanaän en/of Jeruzalem – op het volk Israël. De tekst dient dus ook met het volk Israël verbonden te zijn en – zo mogelijk – algemeen bekend.
5. In Openbaring 10:6 zweert Jezus Christus: Er zal geen verder uitstel meer zijn! Waarvan? Ongetwijfeld van Zijn wederkomst 5) en de stichting van het Messiaanse Rijk, want de komst van dat Rijk is zijn missie. Dan dient de tekst van het boekrolletje daarop te duiden, anders wordt de logica van dit visioen geweld aangedaan.
6. In Openbaring 10:2 claimt de verheerlijkte Christus de aarde als zijn erfgoed. De kleine boekrol zou daar mee te maken moeten hebben.
Op basis van voorgaande argumenten zoeken we dus naar een kleine boekrol die uitgerold in de palm van een hand past en een inhoud heeft die te maken heeft met het Messiaanse Rijk. Welnu dat vinden we in de Mezuzah, want daarin wordt opgeroepen om de Hoogheilige met heel je hart te dienen en dat geloof te delen met de naaste. Daar vinden we ook de zegeningen van het Messiaanse Rijk (Deuteronomium 11:13-21) en de vervloeking voor wie Gods wet overtreedt – conform de Messiaanse wet. Ben ik zeker van voorgaande verklaring?... Het blijft bij een sterk vermoeden, want ik besef dat de onderbouwing van mijn stelling aan de magere kant is. Hoe dan ook: de Mezuzah is een heel goede kandidaat!
Vers 2: Hij hield een kleine geopende boekrol op Zijn hand en zette Zijn rechtervoet op de wateren en daarna de linker op het vasteland.
De Engel (Jezus Christus) verlaat de hemel en ‘landt’ ergens op een strand. Waar dat gebeurt, wordt niet gezegd. Dat hoeft ook niet want de focus is gericht op de daad, niet op een geografische plaats. Op dat strand plaatst Hij de ene voet op het zand (het vasteland) en de andere voet op het wateroppervlak (de wateren). Dat had Jezus eerder gedaan (Mattheüs 14:25-26 en Markus 6:48). Toen deed Hij dat om zijn grote macht te tonen. Hier gaat Jezus Christus nog een stap verder, want met deze daad claimt hij Zijn recht op het koningschap over de aarde en de zee en alles wat daarin is. In de hand van Jezus Christus ligt een klein, geopend boekrolletje – dat waarschijnlijk een Mezuzah is. De zichtbare tekst daarop vormt in feite de verkorte wet van het toekomstige Messiaanse Rijk. Het bevat de volgende kernbegrippen:
1. Een oproep om Jahweh te eren als de enige, dus unieke God (Deuteronomium 6:4).
2. Een bevel (gij zult!) om God lief te hebben in denken en doen (Deuteronomium 6:5).
3. De opdracht aan ouders om hun kinderen in ‘de vreze des HEEREN’ op te voeden (Deuteronomium 6:7).
4. De verplichting om de liefde tot God ook in uiterlijke tekenen te tonen, zowel persoonlijk als materieel, bijvoorbeeld in eigen huis (Deuteronomium 6:8 en 9).
5. Indien God collectief gediend wordt, zoals Hij dat verlangt, valt dat volk onder Gods zegen en ontstaat een ideale maatschappij (Deuteronomium 11:13-15).
6. Als Gods geboden collectief overtreden worden, volgt onmiddellijk straf en valt er geen regen meer (Deuteronomium 11:17). Zacharia 14:16-17 (NBG), dat over het Messiaanse Rijk spreekt, bevestigt dat:
16 Allen, die zijn overgebleven van al de volken, die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, zullen van jaar tot jaar heen- trekken om zich neer te buigen voor de Koning, de HERE der heerscharen, en het Loofhuttenfeest te vieren.
17 Maar wie uit de geslachten der aarde niet naar Jeruzalem zal heentrekken om zich voor de Koning, de HERE der heerscharen, neder te buigen, op hem zal geen regen vallen.
7. Als Gods volk naar Zijn geboden leeft, ontvangen zij het land – waarvan de HERE uw vaderen gezworen heeft, dat Hij het hun zou geven (Deuteronomium 11:21 NBG).
Tweede zegen is dat eenieder dan een lang leven ontvangt, zoals eens vóór de Zondvloed ook het geval was. Dat wil zeggen: een levensspanne van 1000 jaar of zelfs meer; zó lang als de hemel boven de aarde staat. Als de duizend jaar van het Messiaanse Rijk voorbij zijn, komt er namelijk een einde aan de huidige hemel en aarde en schept God een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
________________________________________________________________________________________________
Vers 3 en 4
3 Toen riep Hij met een machtige stem, gelijk de leeuw brult. En toen Hij luid geroepen had, hebben de Zeven dat verwoord met hun eigen donderende stemmen.
4 Nadat de Zeven met hun eigen donderende stem hadden gesproken, wilde ik dat opschrijven. Maar ik hoorde een stem uit de hemel die tot mij zei: Verzegel wat de Zeven met donderende stem gesproken hebben; schrijf het zelf niet op!
We komen nu bij een merkwaardige gebeurtenis. De verheerlijkte Christus proclameert met donderende stem een belangrijke mededeling. De zeven aartsengelen herhalen die – ook met ‘donderende stemmen’. Vervolgens wordt Johannes verboden de tekst van de proclamatie op te schrijven in zijn boek, want die moet op bevel van Jezus Christus verzegeld worden.
Conclusie: De boodschap is niet voor de Gemeente bestemd, maar voor de inwoners van het Messiaanse Rijk. Dan zal de proclamatie ontsloten worden.
________________________________________________________________________________________________
Vers 5-6: 5) Toen hief de hoge Engel, die ik op de wateren en het vasteland zag staan, Zijn rechterarm op naar de hemel. 6) En Hij zwoer bij Hem Die leeft tot in eeuwigheid, Die de hemel geschapen heeft en alles wat daarin is, maar ook de aarde met alles wat daarop is en de zee met alles wat daarin is: Er zal geen verder uitstel meer zijn.
Na de geheime proclamatie van vers 3-4 zweert de hoge Engel (de verheerlijkte Christus) een eed: Er zal geen verder uitstel meer zijn. Dat doet Hij heel formeel door juist die kenmerken van God te noemen die de Hoogheilige verheft boven alle andere machten in hemel en op aarde. Hij is de Eeuwige en de Schepper van alles in hemel en op aarde. Dat vormt tevens de legitimatie voor de stap die Jezus Christus nu zet – de claim op deze aarde – want die is Hem door zijn Vader toegezegd. Het gaat nu gebeuren. Dat nu ligt voor ons helaas nog in de toekomst, maar we mogen er toch al getuige van zijn.
________________________________________________________________________________________________
Vers 7: Want ten tijde dat de stem van de zevende hoge Engel zal klinken – als hij op de bazuin zal blazen –; dan zal de verborgenheid van God volbracht worden, zoals Hij die als blijde boodschap heeft verkondigd aan degenen die Zijn dienstknechten zijn: de profeten.
Dit is de zevende bazuin en die kondigt een nieuwe reeks oordelen aan die kort op elkaar volgen. Die bazuin klinkt hier nog niet, want de tekst zegt: want ten tijde en: als hij op de bazuin zal blazen. Dat gebeurt pas in Openbaring 11:15. We zijn dan waarschijnlijk in de laatste maanden of weken van de zeven jaar van De Grote Verdrukking aangeland.
Johannes gaat na het klinken van de zevende bazuin (Openbaring 11:15) niet direct door met een verslag van die laatste oordelen. Hij gaat eerst over naar andere gebeurtenissen en die vormen een soort verklarend intermezzo, hier verborgenheid van God genoemd. Die kunnen we opdelen in:
1. Het optreden van de twee getuigen (Openbaring 11);
2. De profetie over de vrouw en de draak (Openbaring 12);
3. De profetie over het beest uit de zee en de aarde (Openbaring 13);
4. Het visioen van het Lam en de 144.000 verzegelden (Openbaring 14).
Het intermezzo verschaft informatie, voordat de oordelen van de zevende bazuin daadwerkelijk beginnen. Pas na het intermezzo gaat Openbaring verder met de beschrijving van de uitvoering van de oordelen van de zevende bazuin. Die worden De Zeven Schalen van de Gramschap genoemd.
De opdracht om de oordelen van de Zeven Schalen uit te voeren wordt niet terloops gegeven, maar blijkt een belangrijke ceremonie aan het ‘Hof van God’ in de hemel die een Teken, Groot en Wonderbaar wordt genoemd. Daar worden door de hoge God de Zeven engelen de laatste zeven plagen toevertrouwd, want daarmee wordt de toorn van God voleindigd (Openbaring 15:1, Grondtekst). Daar vertrekken de zeven aartsengelen onder het gezang van het Lied van Mozes en het Lam uit de hemel (Openbaring 15:3) en pas dan beginnen de oordelen van De Zeven Schalen van de Gramschap daadwerkelijk (Openbaring 16).
Samenvattend
De in Openbaring 10:7 aangekondigde laatste oordelen (de Zeven Schalen) beginnen pas na de onthulling van de verborgenheid van God. En die oordelen luiden weer de wederkomst van Jezus Christus in, waarmee De Grote Verdrukking eindigt en het Messiaanse Rijk kan beginnen 1).
De verborgenheid van God 2) is dus een verklarend intermezzo van de Raad Gods dat tot het Messiaanse Rijk leidt, en tevens (na 1000 jaar) tot de schepping van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde aan het einde van dat Rijk. Dat is namelijk de essentie van de blijde boodschap die door de eeuwen heen door Zijn dienstknechten, de profeten, door Jezus Christus en later door de apostelen werd verkondigd.
________________________________________________________________________________________________
Vers 8-10: 8) Toen hoorde ik opnieuw de stem uit de hemel die mij aansprak, zeggende: Ga heen, neem de kleine boekrol dat in de geopende hand van de hoge Engel ligt die op de wateren en het vasteland staat. 9) Ik begaf me naar de hoge Engel en zei tot Hem: Wilt u mij die kleine boekrol geven. Daarop zei Hij tot mij: Neem het en eet het op. Het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal het zoet zijn als honing. 10) Toen nam ik de kleine boekrol uit de hand van de hoge Engel en at hem op. Het was in mijn mond als honing zo zoet. Maar toen ik het opgegeten had werd mijn buik bitter.
Het boekrolletje – waarschijnlijk een Mezuzah – bevat een summiere wetgeving die in het Messiaanse Rijk zal gelden. Maar hij wordt kennelijk ook nu al geldig, anders is het ‘geopend zijn’ zonder zin.
Johannes eet het boekrolletje op en ervaart in aanvang dat het heerlijk zoet smaakt. Echter, even later krijgt hij krampen in zijn buik – het boekrolletje valt slecht zouden we zeggen.
Zoet en bitter staan voor de twee gezichten van de komst van het Messiaanse Rijk. Voor gelovigen is het zoet; voor de vijanden van God en Jezus Christus is het giftig, want het leidt tot hun ondergang. Want onder de Messiaanse wet is geen plaats voor hen die Jezus Christus niet willen volgen. Zij worden verdelgd. Zacharia 14:12-14 (HSV) profeteert erover:
12 Dan zal dit de plaag zijn, waarmee de HERE alle volken zal treffen, die tegen Jeruzalem zijn uitgerukt: Hij zal ieders vlees, terwijl hij nog op zijn voeten staat, doen wegteren, en ieders ogen zullen wegteren in hun kassen, en ieders tong zal wegteren in zijn mond.
13 Ja, te dien dage zal er onder hen een grote, door de HERE bewerkte, ontsteltenis wezen, en ieder zal de hand van een ander grijpen, en ieders hand zal zich tegen die van een ander verheffen.
NB. Openbaring 10:11 is bij Openbaring 11 gevoegd.
________________________________________________________________________________________________
Dit is een uittreksel van de tekst van een serie van 26 Bijbelstudies op Family7 die d.v. vanaf begin april op televisie zullen worden uitgezonden. Voor een uitgebreide bespreking verwijzen we naar: De Openbaring van Jezus Christus door GertA. van de Weerd.
Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

