Aflevering 3: Openbaring 2

De Zeven Brieven: Ook Profetie! In Openbaring 2 en 3 dicteert Jezus Christus zeven brieven (Openbaring 1:19) die bestemd zijn voor zeven gemeenten in Asia. Zo laat Jezus een peillood neer in die kerken om haar geloofskracht te meten.

Vers 1a: De hoge engel: Aan de gemeente van Efeze.

Uit de Bijbel kennen we slechts twee aartsengelen bij naam: Gabriël en Michaël. De Joodse traditie benoemd ook de andere vijf: Uriël, Raphaël, Raguël, Jeremiël en Saraquël. Efeze was een belangrijke zeehaven en bekend religieus centrum. Er stond een reusachtige tempel van de godin Artemis.

Vers 1b: Dat geschreven zij: Zo spreekt Hij Die de macht heeft over de zeven sterren aan Zijn eigen rechterzijde; Die rondgaat te midden van de gouden lampstandaards.

In Koninklijke taal zegt één van de zeven sterren (aartsengelen) dat Jezus Christus de macht over de zeven heeft. Dat is een grote verandering want ze stonden vroeger God ter beschikking (Openbaring 1:4). Jezus zit sindsdien aan de rechterzijde van God (Markus 16:19). Die plaats heeft een symboolfunctie, want dat was een ereplaats voor zijn hoogste dienaren (Psalm 110:1- 2). Jezus gaat rond te midden van de gouden lampstandaards. Een gemeente van Christus heeft opdracht om het licht van de wereld te zijn; een stad op een berg – zichtbaar voor iedereen (Mattheüs 5:14). Dat licht brandt alleen als de Heilige Geest op die gemeente is neergedaald. Hier wordt dat gesymboliseerd door de lampstandaards.

________________________________________________________________________________________________

Vers 2-3:

2 Ik ken uw werken en uw zwoegen, maar ook uw volharding; ja, dat u het kwaad niet kunt verdragen. Ook beproefde u hen die zeggen apostelen te zijn, maar het niet zijn. Zo ontdekte u dat zij leugenaars waren.

3 Maar u heeft dat doorstaan, ja u hebt volharding getoond. Ook heeft u zich omwille van Mijn naam ingespannen, maar u bent niet verzwakt.

Jezus spreekt lovend over Efeze, want in deze gemeente wordt kwaad niet verdragen. Al in Handelingen 20:30 wordt gesproken over valse leiders. In Efeze werden deze leugenaars ontmaskerd.

De gemeente van Efeze was een baken van hoop in een harde wereld. Bij die christenen klopte geen enkele arme vruchteloos aan. Men kende geen werkweek van 38 uur en een vrij weekend. Pas in de avond was er gelegenheid andere taken te verrichten. Dat is zwaar. Toch zegt Jezus: maar u bent niet verzwakt.

________________________________________________________________________________________________

Vers 4-5a:

4 Anderzijds heb Ik tegen u dat u uw eerste liefde hebt verlaten. Bedenk daarom vanwaar u bent gevallen en bekeer u en doe die eerste werken.

5 Maar als Ik niet tot u kom, zal Ik uw lampstandaard van zijn plaats verwijderen – als u zich niet bekeert.

Dit vers is een koude douche na de complimenten in vers 2-3. Jezus ziet dat er een kentering op komst is. Het frisse enthousiasme van de beginperiode is bezig weg te ebben. Uw eerste liefde –dan ben je niet bezig met theologische scherpslijperij of eigen eer, maar toont je een aanstekende liefde tot Jezus en de naaste. Jezus herinnert Efeze aan die geweldige tijd en spoort hen aan dat weer na te streven.

De eerste christengemeenten leefden in de veronderstelling dat Jezus spoedig terug zou komen. Daarom zegt Jezus zoiets als: ‘Stel dat Ik niet spoedig kom en dat de gemeente van Efeze verder afglijdt; dan zal Ik uw lampstandaard (de Heilige Geest) van zijn plaats verwijderen’. Dat is een serieuze waarschuwing!

________________________________________________________________________________________________

Vers 6: Evenwel u hebt vóór, dat u het gedrag van de Nicolaïeten haat, die ook Ik haat.

De Nicolaïeten hingen de leer van Bileam aan. Die zei dat men tegelijk God en de afgoden kan dienen. Dat was een aantrekkelijke optie, want de cultus rond de tempels in Efeze was van groot economisch belang. Welnu, de Nicolaïeten wilden graag lid van de gemeente van Christus zijn, maar toch hun oude leven niet opgeven, want dat zou hen wellicht in armoede dompelen. Dat gedrag tolereert Jezus Christus niet en (gelukkig) de gemeente van Efeze ook niet.

________________________________________________________________________________________________

Vers 7: Wie het oor heeft, moet luisteren naar wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint, aan hen zal ik te eten geven van de Boom des Levens die in het midden van het Paradijs van de hoge God staat.

De Geest is Heilige Geest door Wie Christus tot de gemeenten spreekt. Johannes 16:13-15 (HSV) getuigt:

13 Maar wanneer Die komt, de Geest van de waarheid, zal Hij u de weg wijzen in heel de waarheid, want Hij zal niet vanuit Zichzelf spreken, maar wat Hij gehoord zal hebben, zal Hij spreken, en de toekomstige dingen zal Hij u verkondigen.

14 Die zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne nemen en het u verkondigen.

15 Alles wat de Vader heeft, is het Mijne; daarom heb Ik gezegd dat Hij het uit het Mijne zal nemen en het u zal verkondigen.

Alleen zij die de Heilige Geest ontvangen, hebben het juiste oor om Openbaring te verstaan. Het is Jezus Christus zelf die hier spreekt. Hij is het die ondubbelzinnig de Zaligheid belooft (eten van de Boom des Levens) aan iedereen die Hem volgt; dus met Hem overwint.

________________________________________________________________________________________________

Vers 8: De hoge engel: Aan de gemeente van Smyrna. Dat geschreven zij: Zo spreekt de belangrijkste en tevens de minste, Die dood is geweest en tot leven kwam.

Smyrna was een grote havenstad en een bekend religieus centrum, want er stonden beroemde tempels.

De tweede aartsengel treedt naar voren. Zijn brief is gericht op de gemeente van Smyrna. Ook hier opent de brief met kenmerkende eigenschappen van Jezus Zelf. Hij is na zijn opstanding de sleutelfiguur voor de mens geworden – de belangrijkste. Dat werd Hij door eerst de minste te zijn. Die stap heeft Hem macht gegeven over dood en leven. 2 Timotheüs 1:10 (HSV) getuigt daarvan:

Maar nu is geopenbaard door de verschijning van onze Zaligmaker, Jezus Christus, Die de dood tenietgedaan heeft, en het leven en de onvergankelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie.

En Filippenzen 2:7b-11 (NBV):

7 Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens. En als mens verschenen,

8 heeft hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis.

9 Daarom heeft God hem hoog verheven en hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat,

10 opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde,

11 en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader.

________________________________________________________________________________________________

Vers 9a: Ik ken uw werken; zowel de verdrukking als de armoede – maar toch bent u rijk –;

Jezus kent de Zijnen en dat blijkt ook hier. Hij weet dat Hem volgen geen garantie is voor een onbezorgd leven; in tegendeel. Want de wereld verzet zich tegen het evangelie en dat gold zeker de stad Smyrna. Dat was een rijke, bruisende stad. Daar stond de beroemde tempel van Dea Roma (Romeinse beschermgodin); maar ook de tempel van Asclepius, de god van de geneeskunde en daaraan waren allerlei bedrijvigheden op het gebied van de geneeskunde verbonden. Daar stond de tempel van keizer Augustus; het centrum van de keizerverering in Asia. Een groot deel van Smyrna was dus met de afgodendienst verbonden en er economisch van afhankelijk. Het evangelie dat de gemeente van Smyrna verspreidde, wees die afgoden- dienst radicaal af en werd zo een bedreiging voor de gevestigde machten.

Formeel was de christelijke godsdienst toegestaan, want die werd als een variant op de Joodse godsdienst beschouwd. Echter in Smyrna blijkt die regel niet meer te gelden. De christengemeente aldaar werd als een nieuwe godsdienst gezien en dat was verboden in het Romeinse Rijk. Daarom spreekt Jezus over verdrukking en armoede. Toch noemt Hij die gemeente rijk. Dat is een geestelijke rijkdom, want deze gemeente bleef Christus trouw en was vruchtbaar. Zo vruchtbaar dat Smyrna een eeuw later uitgroeide tot één van de toonaangevende christelijke centra.

Vers 9b: en de laster van hen die van zichzelf zeggen Joden te zijn en het niet zijn, maar een synagoge van Satan.

Sommige christenen gingen over naar het Judaïsme, de Joodse godsdienst die officieel toegestaan was. Zo onttrok men zich aan de verdrukking (die overigens zelden levensbedreigend was; het was vooral een economische boycot). Daarvoor moesten ze wel Jezus Christus verloochenen en daar ligt het probleem. Want zij die de Christus hebben leren kennen en Hem bewust afwijzen, maken zich schuldig aan ‘de lastering van de Geest’ (Mattheüs 12:31) en daar is geen vergeving voor. Vandaar dat gesproken wordt van een synagoge van Satan, want de enige andere onvergeeflijke zonde betreft een bewuste keuze voor Satan (overleveren aan Satan genoemd). Dat geeft duidelijk aan hoe zwaar dit aangerekend wordt.

Die halfslachtige houding – wel God dienen maar Christus verloochenen of: Christus willen dienen, maar de verlokkingen van de wereld niet afwijzen – loopt als een rode draad door de brieven heen. Die zien we ook in Pergamum (vers 14 en 15), in Thyatira (vers 20) en in Filadelfia (Openbaring 3:9) en wellicht in Sardis en Laodicea (lauwheid gaat gewoonlijk samen met wereldgelijkvormigheid). In al die gevallen is sprake van mensen die hun oude leven niet willen opgeven en maar half voor Jezus Christus kiezen.

________________________________________________________________________________________________

Vers 10: Niemand zij bevreesd voor wat toekomstig lijden is. Zie, de duivel zal van de uwen in de gevangenis werpen, zodat u op de proef gesteld wordt en u zult verdrukking ondergaan, tien dagen lang. Ga voort getrouw te zijn, zelfs tot de dood en Ik zal u de kroon des levens geven.

Het toekomstig lijden duidt niet op die tijd, maar ziet twee eeuwen verder, toen christenen in heel het Romeinse Rijk vervolgd en gedood werden. Toen was de keus: verloochen Christus of sterf. Velen bleven toch getrouw en hebben de dood getrotseerd. Voor hen is de kroon des levens weggelegd.

Er is veel gespeculeerd over de tien dagen, maar geen bevredigt. We laten het maar open.

________________________________________________________________________________________________

Vers 11: Wie het oor heeft, moet luisteren naar wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint zal geenszins schade lijden van de tweede, definitieve dood.

Vaak hoor je onder christenen: ‘De dood is de laatste vijand’. Dan bedoelt men dat niemand graag sterft, wat op zich vaak waar is. Echter, hier wordt de laatste vijand de tweede, definitieve dood genoemd. Dat is de dood van de ziel. Zij die in Christus zijn, hoeven dat niet te vrezen. Zij zijn geborgen in hun Heiland.

________________________________________________________________________________________________

Vers 12: De hoge engel: Aan de gemeente in Pergamum. Dat geschreven zij: Zo spreekt Hij Die het zwaard heeft, dat zowel scherp als tweesnijdend is.

De derde proclamatie is gericht aan de gemeente van Pergamum en dat was een rijke stad. Er stond een reusachtig altaar voor de Griekse god Zeus en een grote tempel voor Athena. De inwoners van Pergamum waren ruimdenkend. Waarschijnlijk ondervonden christenen daar aanvankelijk weinig tegenstand.

Hier wordt gesproken van een andere Christus dan we uit de evangeliën kennen. Daar is Hij de dienende en lijdende knecht van God. Hier wordt van een machtige Jezus gesproken als in Jesaja 59:17-18 (HSV):

17 Want Hij trok de gerechtigheid aan als een harnas en zette de helm van het heil op Zijn hoofd. Het gewaad van de wraak trok Hij aan als kleding en Hij hulde zich in de na-ijver als mantel.

18 Naar de daden, daarnaar zal Hij vergelden, grimmigheid aan Zijn tegenstanders, vergelding aan Zijn vijanden. Aan de kustlanden zal Hij vergelden wat zij verdienen.

19 Dan zullen zij de Naam van de HEERE vrezen vanwaar de zon ondergaat, en Zijn heerlijkheid vanwaar de zon opkomt. Als de vijand zal komen als een rivier, zal de Geest van de HEERE de banier tegen hem oprichten.

________________________________________________________________________________________________

Vers 13: Ik weet van uw werken en in wat voor een plaats u woont, waar de troon van de Satan is. Ook dat u kracht ontleent aan Mijn Naam en het geloof in Mij niet hebt verloochend, zelfs niet in de dagen waarin Antipas die van Mij getuigde, de getrouwe, in uw tegenwoordigheid gedood werd, waar de Satan verblijft.

Het altaar van Zeus (de troon van de Satan) was enorm van afmeting en domineerde de stad. Het was in u-vorm gebouwd, met daartussen een brede imposante trapgalerij. Op het hoogste niveau stond een troon. Het bouwwerk bestaat nog steeds en is heden te zien in het Pergamonmuseum in Berlijn.

Ook dat u kracht ontleent aan Mijn Naam duidt op wonderen ‘in de naam van Jezus’. Van Antipas weten we verder niets. De plaats hij stierf – waar de Satan verblijft – wijst op het altaar van Zeus. Vermoedelijk heeft Antipas daar het evangelie verkondigd en is hij gedood door vereerders deze afgod.

________________________________________________________________________________________________

Vers 14-15 14 Niettemin heb Ik iets tegen u. Want onder u zijn er die zich sterk maken voor de leer van Bileam, die Balak leerde een strik te spannen voor de ogen van de zonen van Israël: het eten van afgodenoffers en zelfs seksuele uitspattingen. 15 Op die manier heeft u zich sterk gemaakt voor de leer van de Nicolaïeten die Ik haat.

Evenals in vers 6 spreekt de profetie hier over de leer van de Nicolaïeten. Nu echter wordt dat verder uitgelegd. Bileam was een befaamd waarzegger uit Mesopotamië die door Balak, de koning van Moab, werd ingehuurd om Israël te vervloeken (Numeri 22-24; 25:3). Dat plan mislukte omdat God hem dat verbood. In plaats daarvan zegende hij het volk Israël op Gods bevel. Toch deed Bileam Israël veel kwaad, want hij adviseerde de koning van Moab en Midian om Israël te verleiden aan afgodische feesten mee te doen (Judas:11, 2 Petrus 2:5). Aldus bewoog hij Gods volk tot grove afgoderij.

De christenen in Pergamum waren fel gekant tegen de afgodendienst. Zo ontstond vijandschap tussen hen en de bevolking, want daar waren grote economische belangen mee gemoeid. Die vijandschap deed een dwaling ontstaan; de leer van de Nicolaïeten. De Nicolaïeten beweerden dat een christen vrij was om aan de afgodendienst in Pergamum mee te doen. Dat betrof zowel de befaamde feestmalen als de seksuele diensten die in tempels werden aangeboden. Dat was een aantrekkelijke optie, want zo kon een christen normaal functioneren in de samenleving van Pergamum en werd de oorzaak voor de vijandschap tot de christenen weggenomen. De vermenging van discipelschap van Jezus met de geneugten van de wereld en haar afgodendienst is altijd een valkuil binnen de kerk geweest. God haat dat gedrag (vers 6 en 15).

________________________________________________________________________________________________

Vers 16: Bekeer u, maar zo niet, dan zal Ik plotseling tot u komen en oorlog tegen hen* voeren met het zwaard van Mijn mond.

Nu springt de profetie naar de Grote Verdrukking. We weten dat Jezus Christus pas aan het einde daarvan wederkomt (Zacharia 14:4), dus kan Hij pas daarna oorlog tegen hen (= zondaren, de Antichrist) voeren.

Zoals gezegd, wijst de leer van de Nicolaïeten niet op een eenmalige zonde. Het is de meest verbreide zonde onder christenen. Daarin is het volk Israël niet anders dan de kerk van Jezus Christus. We hebben al vastgesteld dat vers 16 aan het einde van de Grote Verdrukking valt, dus moeten we de identiteit van hen daar zoeken. Ook daar vinden we een volk dat de leer van de Nicolaïeten aanhangt. Dat is de staat Israël die in de Eindtijd een verbond met de Antichrist zal sluiten. Als echter het beeld van het beest wordt opgericht, waar de geest van Satan in vaart, zal het Joodse volk uiteenvallen in twee delen:

1. Zij die de Thora trouw blijven en God niet willen verloochenen; en

2. Degenen die de Antichrist volgen en Gods vijanden worden.

De Thoragetrouwe Joden zullen, zo mogelijk, vluchten (Mattheüs 24:15-22 spreekt daarover).

Tegen het goddeloze deel van de Joden en de Antichrist zal Christus (Ik) oorlog voeren. Die oorlog wordt op diverse plaatsen in de Bijbel voorzegd. We geven enkele voorbeelden: Jesaja 11:4 (HSV) 5):

Maar Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond en met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze* doden 5). (* beter is: de verdorvene)

Die verdorvene is de Antichrist (Daniël 11:36-45) In Daniël 11:36 (HSV) wordt hij geïdentificeerd:

Die koning (de Antichrist) zal handelen naar eigen goeddunken. Hij zal zich verheffen en zich groot maken boven elke god. Hij zal tegen de God der goden (Jahweh) wonderlijke dingen spreken. Hij zal voorspoedig zijn tot de gramschap (Grote Verdrukking) voltrokken is. Want wat vast besloten is, zal gebeuren.

En ook Daniël 11:45b voorzegt zijn dood:

Dan zal hij tot zijn einde komen, en geen helper hebben.

Evenals 2 Thessalonicenzen 2:8-10 (HSV):

En dan zal de wetteloze (de Antichrist) geopenbaard worden. De Heere (er staat: Jezus de Heer) zal hem verteren door de Geest van Zijn mond en hem tenietdoen door de verschijning bij Zijn komst hem, wiens komst overeenkomstig de werking van de satan is, met allerlei kracht, tekenen en wonderen van de leugen, en met allerlei misleiding van de ongerechtigheid in hen die verloren gaan, omdat zij de liefde voor de waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden.

________________________________________________________________________________________________

Vers 17: Wie het oor heeft, moet luisteren naar wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint, zal ik te eten geven van het verborgen manna. Ook zal Ik hem een witte kiezelsteen geven en op die steen een nieuwe Naam geschreven, die niemand kent dan de ontvanger.

Het ‘leven in de Geest’ is zo belangrijk dat elke brief aan Gemeenten daarmee eindigt.

In de Ark lag een gouden kruik met manna (Exodus 16:33). Johannes 6:48-51 (HSV) verwijst ernaar:

48 Ik ben het Brood des levens.

49 Uw vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn en zij zijn gestorven.

50 Dit is het brood dat uit de hemel neerdaalt, opdat de mens daarvan eet en niet sterft.

51 Ik ben het levende brood, dat uit de hemel neergedaald is; als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. En het brood dat Ik geven zal, is Mijn vlees, dat Ik geven zal voor het leven van de wereld.

Het manna, dat eens het volk Israël in leven hield in de woestijn – hemels brood –, wordt ons gegeven in het lichaam van Christus. Wie in Hem gelooft, wordt één met Zijn lichaam en krijgt te eten van het verborgen manna en dat betreft natuurlijk het eeuwige leven of de Zaligheid.

Als het oordeel geveld was, ontving de beklaagde een witte (vrijspraak) of zwarte kiezelsteen (schuldig). In dit geval is er geen rechtszaak, maar wordt een rechtszaak voorkomen. Want iedereen die Christus volgt, heeft deel aan Zijn lichaam (de Gemeente). Die ontvangt daarom een witte kiezelsteen met zijn naam erop. Die steen spreekt vrij, voordat het oordeel plaatsvindt. Johannes 5:24 (HSV) getuigt erover:

Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie Mijn woord hoort en Hem gelooft Die Mij gezonden heeft, die heeft eeuwig leven en komt niet in de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan in het leven.

En Romeinen 8:1 (HSV):

Dus is er nu geen verdoemenis voor hen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.

De nieuwe Naam krijgt de gelovige als hij/zij de zaligheid verwerft. Die naam zal in overeenstemming zijn met wat hij/zij ten diepste is en alleen bekend zijn aan de ontvanger en Jezus Christus (Ik). ________________________________________________________________________________________________

Vers 18: De hoge engel: Aan de gemeente in Thyatira. Dat geschreven zij: Zo spreekt de Zoon van God, wiens ogen als vlammend vuur en wiens voeten als van blinkend, veredeld goud zijn:

De derde proclamatie is gericht aan de gemeente van Thyatira. De aartsengel leest woorden van Jezus Christus voor. Daarin spreekt Jezus over zichzelf en beschrijft Hij zijn hemelse gedaante. De boodschap is een waarschuwing. Want de Jezus die wij hebben leren kennen, was gemakkelijk benaderbaar; een vriendelijk mens. Dat kon omdat Jezus zich toen vernederd heeft (Filippenzen 2:7b-11) en de gedaante van een sterfelijk mens aannam. Dat was een dienende Jezus (Johannes 13:13-15). De hemelse persoon die in vers 18 beschreven wordt, staat door zijn grote macht en hemelse uitstraling hoog boven ons.

________________________________________________________________________________________________

Vers 19: Ik ken uw werken: de liefde, het dienstbetoon en het geloof, maar ook uw volharding. En dat van uw werken de laatste meer zijn dan de eerste.

Van Efeze wordt gezegd dat zij de eerste liefde verlaten hebben. Echter in Thyatira is sprake van een opgaande lijn, van geestelijke groei. In alle opzichten is het een vruchtbare gemeente.

________________________________________________________________________________________________

Vers 20: Toch heb Ik iets tegen u. Namelijk dat u de vrouw Izebel, die zich profetes noemt, laat begaan in het leren en misleiden van Mijn dienstknechten; (te weten) seksuele uitspattingen en het eten van afgodenoffers.

Het woord oliga (iets) betekent: Niet zo belangrijk. Het wordt Tyatira dus niet zwaar aangerekend. De vrouw Izebel is iemand uit de gemeente Thyatira. Ook zij verspreidde de ‘leer van Bileam’ (vers 14-15).

________________________________________________________________________________________________

Vers 21-23:

21 En Ik heb haar tijd gegeven, opdat zij zich van haar ontucht zou bekeren, maar zij heeft zich niet bekeerd.

22 Zie, Ik werp haar in de Grote Verdrukking te bed, samen met hen die met haar overspel plegen, tenzij ze zich bekeren van hun werken.

23 En haar kinderen zal Ik doden in de dood (in het dodenrijk). Dan zullen alle gemeenten weten dat de IK BEN het is Die nieren en harten doorgrondt. Ja Ik zal een ieder van u geven overeenkomstig uw werken.

Jezus sprak al eerder over de Grote Verdrukking, namelijk in Mattheüs 24:21. Daarmee krijgt de tweede betekenis van vers 20 een sterker fundament en dienen we vers 21, 22 en 23 in de Eindtijd te plaatsen. Zo wordt duidelijk dat Izebel een type is in een groter perspectief. En dat vinden we in Openbaring 17:4, waar sprake is van de grote hoer die in de geest van Izebel optreedt. Haar evangelie zegt dat je zowel de wereld als God kunt dienen – jawel, de leer van Bileam, die dan wereldwijd onderwezen wordt.

Er is een tweede reden om deze verzen in de Eindtijd te plaatsen. De verzen 21-23 bevatten nogal heftige profetieën. Het vreemde is nu dat deze gebeurtenissen nooit te boek gesteld zijn. We mogen aannemen dat Izebel in de hele gemeente van Thyatira bekend was, evenals haar volgelingen. Zij worden collectief gestraft (samen met hen die met haar overspel plegen). Voor het oog van de gemeente worden ze te bed geworpen (22a); bedoeld wordt met ziekte geslagen en gedood (vers 23). Dat zal zoveel indruk maken dat alle gemeenten zullen weten dat God dit gedaan heeft, maar daar wordt niets van bericht. Conclusie is dat het nog niet gebeurd is. Dit is Eindtijdprofetie als het oordeel over de Bileamreligie wordt uitgesproken.

________________________________________________________________________________________________

Vers 24: Maar tot u en de overigen in Thyatira zeg Ik – voor zover zij deze leer niet aanhangen en zij de diepten van Satan niet kennen (zoals zij dat noemen): Ik zal u geen andere last opleggen.

Jezus is mild in zijn oordeel over Tyatira en de gemeente wordt dan ook niet bestraft (geen andere last). Maar er wordt een voorbehoud gemaakt. Zij die de diepten van Satan kennen, vallen wel onder het oordeel. Het ligt voor de hand dat de diepten van Satan een verwijzing is naar het kwaad van de leer van Bileam; (te weten) seksuele uitspattingen en het eten van afgodenoffers (vers 20). Maar daarmee zijn we er nog niet, want met het zoeken naar de diepten van Satan wordt de deur naar Satan opengezet; kom je in de ban van het occulte. Dat noemen we ‘overgegeven aan Satan’.

________________________________________________________________________________________________

Vers 25: Evenwel, houd gij vast aan wat u hebt, alsof Ik wellicht al zou kunnen komen.

Dat milde oordeel (vers 24) blijkt ook hier. Jezus draagt deze gemeente niet op om te veranderen, maar door te gaan op de ingeslagen weg. Want zij keken elke dag uit naar de wederkomst van Christus.

Jezus Christus bevestigt niet dat Hij spoedig zal komen, zoals deze gemeente geloofde (zie: vers 5b). Hij draagt de leden op te leven alsof Hij elk moment zou kunnen komen.

________________________________________________________________________________________________

Eindtijdprofetie

De verzen 26-28 wijzen, evenals 21-23, op de toekomst en wel het Einde. Ze spreken over de beloning die de martelaren in de Eindtijd zullen ontvangen.

Vers 26: Wie overwint en Mijn werken onderhoudt tot het Einde; hem zal Ik gezag geven over de volken.

Nooit is aan martelaren gezag over de volken gegeven. Dat gaat nog gebeuren, want een ieder die God trouw blijft in de Grote Verdrukking en Jezus Christus niet verloochent, krijgt een bijzondere beloning, want die wordt ‘gezag gegeven over de (heiden) volken’. Veel exegeten interpreteren dat als regeren over, maar dat is verre van zeker. Het woord exousian kan namelijk ook moreel gezag betekenen. In die betekenis zouden de martelaren in dienst van God komen te staan en aldus gezag ontvangen.

________________________________________________________________________________________________

Vers 27: Dan zal Hij hen hoeden met een ijzeren staf; als de vaten van de pottenbakker zullen zij verbrijzeld worden.

Hij is de verheerlijkte Christus die ten oorlog is uitgerust (vers 12 en Openbaring 1:13-16). Deze profetie verwijst naar Psalm 2:9 waar dit al eeuwen daarvoor voorzegd werd.

5 Dan zal Hij (Jezus Christus) tot hen spreken in Zijn toorn, in Zijn brandende toorn hun schrik aanjagen.

6 Ik (God) heb Mijn Koning toch gezalfd over Sion, Mijn heilige berg (Jeruzalem).

7 Ik zal het besluit bekendmaken: De HEERE (Jahweh) heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon, Ík heb U heden verwekt.

8 Eis van Mij en Ik zal U de heidenvolken als Uw eigendom geven, de einden der aarde als Uw bezit.

9 U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter, U zult hen in stukken slaan als aardewerk.

________________________________________________________________________________________________

Vers 28: Gelijk ook Ik die heb ontvangen van de Vader, zal Ik aan hem dan de ware Ster van het Grote Ochtendgloren geven.

De onderscheiding, die de martelaren in de Eindtijd zullen ontvangen, wordt hier verder uitgewerkt. Er wordt een bekend beeld gebruikt: de Morgenster, Venus. Die ster kondigt een nieuwe, stralende dag aan. Die stralende dag is het Duizendjarig Vrederijk. Numeri 24:17 (NBV) spreekt daarover:

Wat ik zie is niet in het heden, wat ik waarneem is niet nabij. Een ster komt op uit Jakob, een scepter uit Israël.

Die scepter duidt op het koningschap van Jezus in het Messiaanse Rijk (het Grote Ochtendgloren). ________________________________________________________________________________________________

Vers 29: Wie het oor heeft, moet luisteren naar wat de Geest tegen de gemeenten zegt.

Deze vermaning klinkt hier voor de vierde maal. Romeinen 8:14 en 17 (HSV):

14 Immers, zovelen als er door de Geest van God geleid worden, die zijn kinderen van God.

17 En als wij kinderen zijn, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus; wanneer wij althans met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.

________________________________________________________________________________________________

 

Deze studie is niet meer dan een uittreksel met beperkte inhoud. Voor een veel uitgebreider bespreking verwijzen we naar:

Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

Laat een reactie achter

Let op: reacties moeten eerst worden goedgekeurd voordat ze worden gepubliceerd.

Deze site wordt beschermd door hCaptcha en het privacybeleid en de servicevoorwaarden van hCaptcha zijn van toepassing.