📄 Download deze Bijbelverklaring (PDF)
Het Ontstaan van de Evangeliën
Rond anno 50 begon in de Gemeenten van Christus het besef door te dringen dat de ooggetuigen van de ‘omwandeling van Jezus op aarde’ aan het uitsterven waren. Dus wilde men het levensverhaal van Jezus op schrift hebben en die wens werd bij de apostelen neergelegd. Nu waren Mattheüs en Johannes discipelen van Jezus; Markus en Lukas niet. Maar indirect deed ook Paulus mee, want Lukas was vaste medewerker. En Markus schreef zijn evangelie in opdracht van Petrus. Werd er in de vroegchristelijke tijd getwijfeld aan het auteurschap van Mattheüs? Neen vroege kerkvaders als Papias, Irenaeus, Clemens van Alexandrië, Eusebius en Origenes getuigen dat de apostel Mattheüs de schrijver is en het boek in 60-70 schreef.
1. Is het Evangelie van Mattheüs Gods Woord? Volgens Mattheüs niet. Nooit getuigt hij dat God Zelf tot hem sprak, zoals we wel in de profeten vinden of in de boeken van Mozes. De hoge God heeft dit evangelie niet persoonlijk ingesproken. Mattheüs heeft de geschiedenis van Jezus naar beste weten opgetekend.
2. Wat Is het Mattheüs dan Wel? De getuigenis van een volgeling van Jezus én kenner van het Oude Testament die, aangespoord door de Heilige Geest, dit boek geschreven heeft. Maar de Heilige Geest maakt van een mens geen willoze spreekbuis, maar stimuleert tot daden. De eigen verantwoording blijft bestaan.
3. Maakt Mattheüs Fouten? Ongetwijfeld, hoewel onbedoeld. Mattheüs getuigt over wat hij als apostel van Jezus heeft meegemaakt (hij was ooggetuige) en put natuurlijk ook uit kennis van anderen. Ook maakt hij gebruik van gezaghebbende rabbinale geschriften die deels verloren zijn gegaan.
4. Hiaten in de Tijdslijn. Vers 13-15 bevat negen namen in een periode van bijna 500 jaar. Dat zijn er veel te weinig. Lucas spreekt van bijna tweemaal zoveel geslachten in dezelfde periode (wat ook al vrij weinig is). De hiaten vallen vooral na de Babylonisch Ballingschap en die namen zijn kennelijk verloren gegaan.
De Missie van Jezus Christus
De Raad Gods is geen onafwendbaar lot, maar wordt beïnvloed door het gedrag van mensen. Slechts het einddoel staat vast. Op de weg daarnaar toe heeft Jezus Christus de hoofdrol - Efeziërs 1:8b-10 (NBV):
Hij (God) heeft ons in al zijn wijsheid en inzicht dit mysterie onthuld: zijn voornemen om met Christus de voltooiing van de tijd te verwezenlijken en zijn besluit om alles in de hemel en op aarde onder één hoofd bijeen te brengen, onder Christus.
De Hoogheilige God heeft Jezus Christus dus een missie opgedragen. Die missie is tweeledig:
1. Jezus werd door de hoge God naar deze wereld gezonden om ons met Hem te verzoenen. Met Zijn dood – wat een bloedoffer ter delging van schuld is – en Zijn opstanding is aldus een weg geopend die ons naar de Vader kan leiden, mits wij Jezus aannemen als onze losser.
2. Zijn tweede missie is de vestiging van het Messiaanse Rijk, waarmee de beloften aan aartsvader Abraham en koning David worden ingelost.
Beide missies worden door Mattheüs omstandig besproken en Schriftuurlijk onderbouwd. Het doel van de geslachtslijn in Mattheüs 1 is duidelijk. De apostel toont zo aan dat Jezus zowel van Abraham als van koning David afstamt. In de aartsvader rust een landbelofte en in koning David een koningsbelofte.
De Landbelofte – Abraham ontving van God de belofte dat hij vader van een groot volk zou worden in een eigen land: Kanaän. Genesis 15:13-18 (HSV) getuigt:
13 Toen zei God tegen Abram: Weet wel dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land dat niet van hen is; zij zullen hen dienen en men zal hen vierhonderd jaar onderdrukken.
14 Maar ook zal Ik over het volk dat zij zullen dienen, rechtspreken en daarna zullen zij met veel bezittingen wegtrekken.
18 Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat.
En Genesis 17:6 en 8 (HSV 1)) vult aan:
6 Ik zal u uitermate vruchtbaar maken: Ik zal u tot volken maken en er zullen koningen uit u voortkomen.
8 Ik zal aan u en uw nageslacht na u het land waar u vreemdeling bent, heel het land Kanaän, als eeuwig bezit geven. Ik zal hun tot een God zijn.
Met voorgaande beloften is de hoge God een eenzijdig verbond met Abraham aangegaan. Dat verbond wordt geschraagd door een Goddelijke eed en is dus per definitie onherroepelijk. De landbelofte van Genesis15:18 is tot op heden nooit ten volle vervuld. Dat gaat daarom nog gebeuren; in de Eindtijd.
De Koningsbelofte – Die werd koning David toegezegd, de man naar Gods hart; 2 Samuël 7:12-16 HSV:
12 Wanneer uw dagen voorbij zijn en u met uw vaderen ontslapen bent, zal Ik uw nakomeling na u, die uit uw lichaam voortkomt, doen opstaan en Ik zal zijn koningschap bevestigen.
13 Die zal voor Mijn Naam een huis bouwen, en Ik zal de troon van zijn koningschap voor eeuwig bevestigen.
Als de eed aan Abraham vervuld wordt, zal ook een nazaat van David koning worden: Jezus Christus. Die belofte kan alleen ten volle uitgevoerd worden als er een Israëlitisch koninkrijk beschikbaar is waarvan de bevolking Jezus Christus erkend als hun Heer – dat is nog niet het geval. Dat gebeurt pas in de Eindtijd.
Mattheüs 1 - Inleiding
We lezen hier de stamboom van Jezus vanaf aartsvader Abraham en een kort verslag van Zijn geboorte. De hoge God volgt in de geslachtslijn niet de wet die de oudste zoon aanwees als erfopvolger. Hij ziet het hart aan en kiest ongewone paden en personen. Vier vrouwen vertegenwoordigen dat ongewone: Tamar, Rahab, Ruth en Batseba. De traditie zet ze weg als zondig. Zelfs bij Ruth worden vraagtekens gezet omdat zij als vierde vrouw bij de ‘zondaressen’ is toegevoegd die – zo legt men vaak uit – gered moesten worden. Dat is een vorm van extreem christologisch denken die geen Bijbelse wortels heeft. Want als we de grondtekst nauwgezet volgen én in de context van die tijd zetten, dan ontmoeten we vier vrouwen die onrecht werden aangedaan. Ook Ruth, want haar werd een erfopvolger onthouden. Dat werd pas later goedgemaakt toen zij Boaz trouwde. Alle vier stamden uit de heidenen. Elk van de vier zocht gerechtigheid en zij kregen die ook, want de hoge God trok Zich hun lot aan. Door dat woord – gerechtigheid – traden zij toe tot een linie van voorouders van Jezus Christus. Sta ik alleen in dit standpunt? Neen, want rabbinale verklaringen omschrijven de vier vrouwen als proselieten (= tot het Israëlisch geloof bekeerd) en daar ga ik in mee.
De Verklaring – Mattheüs 1:1-17
Vers 1: Het boek van de wordingsgeschiedenis van Jezus Christus, Zoon van David, Zoon van Abraham.
Hoewel het boek als Evangelie naar Mattheüs bekend staat, was dit waarschijnlijk de oorspronkelijke titel.
De titel Christus is de Griekse vertaling van het Hebreeuwse Meshiach (Messias) en betekent: gezalfde.
Vers 2: Abraham verwekte als erfopvolger Isaak. Isaak verwekte daarna als erfopvolger Jakob.
Jakob verwekte nadien als erfopvolger Juda en ook nog zijn broers.
Hier treffen we de eerste bijzonderheid aan. De erfopvolger is niet Ruben – de oudste zoon, volgens de wet (Deuteronomium 21:15-17) – maar Juda die Gods keuze is. Genesis 49:3, 4 en 10-12 (NBV21) getuigt:
In Juda’s handen zal de scepter blijven, tussen zijn voeten de heersersstaf 1), totdat hij komt die er recht op heeft; hem zullen de volken gehoorzaam zijn 2).
1) De ondergang van Juda maakte een einde aan het Davidische koningschap, maar de belofte bleef staan. Tussen zijn voeten de heersersstaf is een verwijzing naar de ‘koningsloze periode’ die tot op heden voortduurt.
2) Bedoeld wordt Jezus Christus en Zijn koningschap in het toekomstige Messiaanse Rijk.
Vers 3: Juda verwekte daarop als erfopvolger Perez en bovendien als erfopvolger Zerah bij Tamar zijn schoondochter. Perez verwekte nadien als erfopvolger Hezron. Hezron verwekte toen als erfopvolger Aram.
Tweede bijzonderheid in de geslachtslijn is dat Juda de erfopvolger niet bij zijn eigen vrouw verwekt, maar bij Tamar, zijn schoondochter. De normale weg is: Juda verwekt Er (zijn oudste zoon) en die verwekt de volgende erfopvolger. Echter Er sterft kinderloos en dan ontvouwt zich een bizarre geschiedenis.
Waarom wordt Tamar dan in de geslachtslijn genoemd? Omdat haar kwaad was aangedaan door Juda en door zijn tweede zoon Onan. Tamar streefde gerechtigheid na en werd opgenomen in de heilige stamboom.
Tamar, Perez en Zerah: In Genesis 38 vinden we de geschiedenis van Tamar en Juda (zoon van Jakob). Juda trouwt met een Kanaänitische vrouw en krijgt drie zonen: Er, Onan en Sela. De oudste zoon van Juda (Er) huwt met Tamar. Nadat Er kinderloos overleden is, laat Juda Onan de plaats van Er innemen. Op grond van de leviraatswet (Deuteronomium 25:5-10) moet Onan bij zijn schoonzus Tamar nu een kind verwekken dat de geslachtslijn van Er kan voortzetten. Onan weigert dat te doen. Hij heeft wel geslachtsgemeenschap met Tamar, maar verspilde zijn zaad op de grond (Genesis 38:9). God doodt hem daarom. Volgens de wet was nu de derde zoon van Juda, Sela, aan de beurt om bij Tamar een kind te verwekken. Die was nog jong en daarom stuurde Juda Tamar terug naar haar eigen familie. Zo werd de wet Gods geschonden. Na verloop van tijd overlijdt de vrouw van Juda en zoekt hij zijn gerief bij andere vrouwen. Hij treft Tamar (die hij voor een hoer houdt). Maar zij heeft een nobeler doel, want zo voldoet zij aan de leviraatswet. Tamar wordt zwanger van een tweeling en confronteert Juda met bewijs dat ze door hem verwekt zijn. Volgens Genesis 38:27 baarde Tamar een tweeling. Toen de geboorte begon stak een baby de hand uit haar geboortekanaal. De vroedvrouw bond er een rode draad om. Die baby werd Zerah genoemd en ontving het eerstgeboorte- recht. Echter de hand werd teruggetrokken en de tweede werd als eerste geboren en ontving de naam Perez.
Was hij toen de erfopvolger? – Neen, ze worden beiden in 3a genoemd. Pas toen Juda de kinderen van Tamar erkende als kinderen van zijn gestorven zoon Er, werd Perez als erfopvolger aangewezen.
Vers 4: Aram verwekte vervolgens als erfopvolger Amminadab. En Amminadab verwekte toen als
erfopvolger Nachson. Nachson verwekte daarna als erfopvolger Salmon.
Vers 5: Salmon verwekte vervolgens als erfopvolger Boaz bij Rahab (Jozua 2). Boaz verwekte daarna als erfopvolger Obed bij Ruth (Ruth 1-4). Obed verwekte toen als erfopvolger Jesse.
Rahab was uitbaatster van een huis van lichte zeden in Jericho. Dat klinkt nogal zondig, maar het is de vraag of dat juist is. Want in die tijd was dat vaak tevens restaurant en logeergelegenheid, zoals de context getuigt. Het was een eerzaam beroep in een tijd waarin vooral mannen reisden (zoals kooplieden die zich bij karavanen aansloten – Jericho lag namelijk aan een belangrijke karavaanroute!). Zij waren vaak vele maanden van huis en verlangden dan naar vrouwelijk gezelschap. In Jozua 2:1b (HSV) lezen we:
Zij gingen dan en kwamen in het huis van een hoer, Rachab geheten, waar zij gingen slapen.
Het woord hoer zet een negatieve toon die onterecht is. We lezen de grondtekst van Jozua 2:1b. Daar staat:
toen vertrokken zij (wayyêlêḵū) - en gingen naar (wayyāḇō’ū) - huis (bêṯ) 1) - vrouw (’iššāh) hoer/hoeren (zōwnāh) - en naam 2) (ūšəmāh) - Rahab (rāḥāḇ) - en zij logeerden in het (wayyiškəḇū) - aldaar (šāmmāh).
1) Het woord bêṯ heeft een bredere betekenis dan huis. Het kan ook een herberg zijn. Flavius Josephus noemt het de herberg van Raäbe (Rahab). En in rabbinale geschriften vinden we: Rahab de herbergierster.
2) Het woord ūšəmāh is afgeleid van shem 5) en betekent: naam, reputatie, bekend zijn als, zoals hier.
Jozua 2:1b kunnen we beter vertalen als: Toen vertrokken zij en gingen naar een huis met vrouwen van lichte zeden dat bekend stond als (de herberg van) Rahab 6) en zij logeerden aldaar.
Ons bezwaar geldt ook vertalingen van Jozua 6:22. Daar staat: ga naar het huis van dé vrouw, dé vrouw van lichte zeden. We vertalen: Ga naar de herberg van die vrouw, dus die van de vrouwen van lichte zeden.
Toen Jozua twee verspieders naar Jericho stuurde, vonden ze onderdak bij Rahab (Jozua 2:1-2). Het is uitgesloten dat Rahab zelf seksuele diensten verleende, want ze trouwde later met de Israëliet Salmon en het is ondenkbaar dat die een hoer tot vrouw kon nemen. Het gedrag van Rahab, die de verspieders van een wisse dood redde, wordt haar tot gerechtigheid gerekend en daarom wordt zij vermeld.
Boaz en Ruth Ook bij Ruth is gerechtigheid het sleutelwoord en die vinden we in een opvallende geloofsbelijdenis die ze tegen Naomi (haar schoonmoeder) uitspreekt; Ruth 1:16-17 (NBV21):
Maar Ruth antwoordde: ‘Vraag me toch niet langer u te verlaten en terug te gaan, weg van u. Waar u gaat, zal ik gaan, waar u slaapt, zal ik slapen; uw volk is mijn volk en uw God is mijn God. Waar u sterft, zal ook ik sterven, en daar zal ik begraven worden. Alleen de dood zal mij van u scheiden, en anders mag de HEER met mij doen wat Hij wil!’
Ruth ging met Naomi mee en vond een bloedverwant (Boaz – Ruth 3:2) die haar losser wilde zijn, met haar trouwde en haar zo een wettige erfopvolger schonk. Aldus werd Ruth (de Moabitische!) gerechtvaardigd voor God en verwierf zij een eervolle plaats in de geslachtslijn van Jezus Christus.
Vers 6: Jesse verwekte vervolgens als erfopvolger David de hoge koning. David nu, de hoge koning, verwekte als erfopvolger Salomo bij de vrouw die van Uriah was.
Met nadruk vermeldt Mattheüs dat met David (de hoge koning) er een nieuw tijdperk is begonnen – die van het Davidische koningshuis, waar ook Jezus uit zou voortkomen.
De vierde bijzondere vrouw in de geslachtslijn van Jezus is Batseba. Haar naam wordt niet genoemd. De nadruk ligt op koning David die de erfopvolger verwekte bij de vrouw die van Uriah was. Dat suggereert groot onrecht, want nergens wordt gezegd dat Batseba zelf avances naar David gemaakt heeft.
Gewoonlijk wordt Batseba in verklaringen als een verleidelijke vrouw beschreven die in het zicht van koning David lonkende poses aanneemt terwijl zij een bad neemt. Dat blijkt nergens uit de tekst. We moeten dit verhaal in z’n juiste kader zetten. Een man wordt niet in een paar uur serieus verliefd, maar kan wel in korte tijd een brandende passie ontwikkelen. Een koning iets weigeren was toen levensgevaarlijk. Die overweging zal Batseba ertoe gebracht hebben aan de nukken van David toe te geven. Die gedachte
krijgt vaste grond als we de Griekse grondtekst onderzoeken. De NBV21 vertaalt 2 Samuël 11:4a als volgt:
David liet haar bij zich komen en sliep met haar.
De grondtekst kan echter wel wat beter vertaald worden. Daar staat namelijk:
toen zond David boodschappers en nam haar en zij kwam naar hem en hij lag met haar.
De grondtekst suggereert overweldiging – bepaald geen romantische ontmoeting. Mede daarom denk ik dat Batseba het vreselijk gevonden heeft, want hoewel de NBV21 vertaalt –:
David liet haar bij zich komen en sliep met haar. (De voorgeschreven periode van onthouding na haar onreinheid was juist verstreken.) Daarna ging ze terug naar huis –
neem ik die vertaling niet voor juist aan. Er staat namelijk in de Hebreeuwse grondtekst:
en hij (David) lag met haar – toen reinigde zij zich van haar onreinheid en keerde terug naar haar huis.
De verbeterde tekst suggereert een reiniging ná de geslachtdaad, dus een poging van Batseba om de status van ‘bezoedeld zijn’ op te heffen. Zij ging huilend naar huis! De gerechtigheid van Batseba is dat koning David door God gestraft werd (2 Samuël 12), maar ook dat God haar compenseerde voor deze brute daad en het verlies van haar man Uriah (die door David middels een lage list werd gedood) en kind. Zij mocht de moeder van Salomo worden en kreeg aldus een prominente plaats in de stamboom van Jezus Christus.
Vers 7-15 slaan we over, want het is een dorre opsomming van merendeels onbekende personen.
Vers 16a: Jakob verwekte hierna als erfopvolger Jozef die de wettige man van Maria was.
Biologisch gezien was Jozef niet de vader van Jezus. Wettelijk gezien wel, want in Israël (dus ook voor Joden) was de wettelijke status van een kind belangrijker dan de biologische.
Vers 16b: Uit haar is Jezus geboren die Christus genoemd wordt.
Jozef is niet de verwekker van Jezus, dat is de Geest van God (Mattheüs 1:20). Noch is sprake van een actieve rol van Maria (zoals bij een normale bevruchting). Het overkwam Maria. De wettelijke status van Maria als ‘vrouw van Jozef’ verbindt de Goddelijke afkomst van Jezus zo met Abraham en David.
Vers 17: Samenvattend tellen alle genoemde geslachten vanaf Abraham tot David veertien generaties. En vanaf David tot de grote deportatie naar Babylon ook veertien generaties. En van de grote deportatie naar Babylon tot de ware Christus ook veertien generaties.
In de laatste serie tellen we maar 13 ‘verwekkers’ (of: geslachten), maar de veertiende is de Geest van God en daaruit werd Jezus geboren. Het klopt dus toch.
Mattheüs 1:19-25 - De Geboorte van Jezus Christus
Vers 18a: Wat betreft de wordingsgeschiedenis van Jezus Christus gebeurde ook nog het volgende:
Het woord wordingsgeschiedenis omvat alle Bijbelse profetie die de geboorte en de taak van de Messias, Jezus Christus, tot onderwerp hebben. Mattheüs beschrijft het zo, om met nadruk op profetieën aangaande de komst van de Messias te wijzen en daarin herkennen we een Joods-rabbinale wijze van denken.
Vers 18b: Omdat zijn eigen moeder het huwelijk sloot – dus Maria met Jozef –, voordat zij zelfs maar konden samenkomen,
Meisjes werden toen vanaf de leeftijd van 12-13 jaar uitgehuwelijkt. Een jaar na de huwelijkssluiting werd
het huwelijk pas gevierd en begon het samenwonen. Voor velen zal deze vertaling verrassend zijn, maar die is stevig onderbouwd (zie Grondtekst). De tekst spreekt over een huwelijkscontract. Ontbinding van dat contract werd als een scheiding gezien en dat kon alleen door middel van een scheidbrief. Het contract ging zelfs zo ver dat, indien de man stierf voordat het huwelijk ‘geconsumeerd’ was (= er geslachtsgemeenschap had plaatsgevonden) de vrouw toch als weduwe beschouwd werd. Het lijkt er sterk op dat Maria tot op dat moment geen direct contact met Jozef had, dus kon zij hem ook niet vertellen dat haar zwangerschap van God gegeven was. Bovendien was Maria, kort nadat haar zwangerschap zichtbaar was geworden (Lukas 1:39), naar haar nicht Elisabeth vertrokken die in het bergland van Judea woonde, waar zij drie maanden verbleef. Dat was ver van Nazareth, waar Maria en Jozef woonden.
Vers 18c: kwam uit dat zij uit onbekende bron zwanger was geworden.
Dit is een wonderlijke mededeling, want pas later (vers 20) wordt door een engel aan Jozef geopenbaard dat Maria zwanger gemaakt is door de Geest van God. Wat betekent deze opmerking dan? De woorden kwam uit duiden natuurlijk op uiterlijke kenmerken dat Maria zwanger was, dus bijvoorbeeld haar zwellende buik. Meest logische conclusie is dat deze woorden een toen bekende uitdrukking waren die op ongewenste zwangerschap duidde, dus een wat smalende stigmatisering als de biologische vader onbekend was.
Vers 19: Jozef nu – haar wettige echtgenoot – was een rechtvaardige en hij wilde Maria niet publiekelijk vernederen, maar haar in het geheim wegsturen.
Het komt Jozef ter ore dat zijn aanstaande vrouw zwanger is en ook nog dat zij is verdwenen (afgereisd naar haar tante, Elisabeth, die in het bergland van Judea woonde, ver van Nazareth). De gang van zaken was natuurlijk uiterst verdacht – in feite bekende Maria zo dat zij overspel had gepleegd – en zo zullen buren, familie en kennissen het zeker beschouwd hebben.
Jozef had nu alle recht om het huwelijkscontract te laten ontbinden. Echter dan diende hij wel de wettelijk weg te volgen. Volgens Deuteronomium 22:20-21 moest een overspelige vrouw gestenigd worden, maar dat werd in die tijd waarschijnlijk niet meer gepraktiseerd. Wel werd overspel door een rabbinale rechtbank behandeld. De overspeelster werd publiekelijk te schande gemaakt, wat haar kansen op een normaal huwelijk met een andere man vrijwel uitsloot. Bovendien kon Jozef dan de bruidsschat terugvorderen.
Jozef toont zich een mild mens. Hij wil Maria niet publiekelijk vernederen en besluit om een scheidbrief te schrijven. Dat betrof een officieel document dat in het bijzijn van twee getuigen werd opgesteld. Daarmee gaf hij tevens de bruidsschat op en verklaarde hij Maria onschuldig. Dat hield wel in dat hij daarmee de verdenking op zich laadde dat hijzelf de verwekker van het kind was. Echter de schande voor hem (als man) was veel minder groot als in het geval dat Maria veroordeeld werd. Bovendien is het maar de vraag of die scheidbrief openbaar werd gemaakt – waarschijnlijk niet, want dan kon Maria gestenigd worden.
Voor de buitenwacht was Maria de schuldige, maar zij was verdwenen (naar haar nicht Elisabeth – Lucas 1:39). Jozef zal wellicht verwacht hebben dat Maria niet meer terug zou komen en daarmee zou de commotie rond de zwangerschap van Maria vanzelf wegebben. Kortom een elegante oplossing.
Vers 20a: Toen hij daarover op zijn bed aan het piekeren was, zie plotseling verscheen een engel van de Heer aan hem in een droom, zeggende: Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd om Maria – die immers uw vrouw is – bij u in huis te nemen. Want wat in haar werd verwekt, is uit een Inblazing die Heilig is.
Jozef ligt op zijn bed te overwegen hoe hij de scheiding moet aanpakken, als hem in een droom een engel verschijnt. Hij wordt aangesproken als ‘zoon van David’ en zo wordt het grote belang van de wettelijke geslachtslijn benadrukt. De boodschap van de engel (waarschijnlijk de aartsengel Gabriël) is bijzonder. Jozef wordt opgedragen Maria in huis te nemen. Dat was de laatste fase van de contractuele huwelijks- sluiting. Zou hij dat niet doen, dan werd in feite het huwelijk ontbonden en dat mag niet, want dan vervalt de band met het geslacht van David. Het soeverein handelen van God overstemt hier de wet.
Vers 20b: Want wat in haar werd verwekt, is uit een Inblazing die Heilig is.
Met deze mededeling wordt Jozef duidelijk dat God Zelf het kind bij Maria verwekt heeft en geen sprake is van overspel. Mattheüs vertelt ons niet hoe Jozef dit alles ervaren heeft en nog minder of hij toen al besefte dat dit kind de beloofde Messias was. Later zal Maria hem dat ongetwijfeld verteld hebben, want zij was veel uitgebreider door de aartsengel Gabriël ingelicht (Lucas 1:30-38). Als Jozef de boodschap van de engel ontvangt is Maria wellicht nog steeds bij haar nicht Elisabeth, in de bergen van Judea (zie: vers 18b). Kennelijk stuurde Jozef haar een bericht dat ze (zwanger en wel) toch welkom is.
Vers 21: Dientengevolge zal zij een Zoon baren en u zult Hem de hoge naam Jezus geven. Hijzelf zal namelijk degene zijn die Zijn volk zal helen van al hun zonden.
De voorbeschikking door de hoge God wordt doorgetrokken. Want het ongeboren kind zal Jezus heten en met een missie de wereld ingezonden wordt. In de naam Jezus – dat betekent: Jahweh redt – wordt de missie ook in Zijn naam uitgedragen. Het is dus inderdaad een hoge naam, want zonder Hem zou iedereen verloren gaan. Jozef is hier de gever van de naam van Jezus. Zo erkende hij officieel dat het zijn kind is.
Vers 22: Dit alles is in wording opdat geheel vervuld zou worden wat de Heer bij monde van een hoge profeet heeft gesproken, zeggende:
Vers 23: Zie! de hoge maagd zal zwanger worden en een Zoon baren en men zal Zijn grote faam luid proclameren: IMMANUEL – vertaald betekent dat: De hoge God is met ons.
Vers 23 citeert Jesaja 7:14 uit de Septuaginta (Griekse vertaling). Opvallend is dat in de Hebreeuwse versie van Jesaja sprake is van een jonge vrouw of een beeldschone jonge vrouw. De Septuaginta spreekt echter van ‘een maagd’. Mattheüs voegt daar extra nadruk aan toe door dé maagd te schrijven; dat is: een ware maagd. Hebben de vertalers die de Septuaginta schreven hier profetisch gehandeld? Het lijkt er wel op.
Mattheüs 1:23 profeteert niet over de naamgeving van Jezus. Het is namelijk niet Jozef die als vader en naamgever spreekt. Dat blijkt ook, want het kind krijgt de naam Jezus (Mattheüs 1:21 en 25), niet Immanuel. Er staat namelijk: men zal luid proclameren. Dat heeft de betekenis van: Men zegt van Hem…!; dus gaat het hier om wat anderen (Zijn volgelingen) over Hem zeggen 4) of proclameren.
De kernboodschap is dat in Jezus God met ons is – dat Hij naar ons omziet en een Verlosser stuurt. Er wordt dus geprofeteerd over de komende bediening van Jezus Christus! Dat betreft het uitdragen van Zijn reputatie of faam; van Zijn zending, als een geloofsbelijdenis! De naam Jezus bevestigt dat nog eens, want die is afgeleid van Jeho-shua; dat is: Jahweh’s redden.
Mattheüs exposeert zichzelf als een groot kenner van de Tenach (Oude Testament), want hij bedient zich van een woordenspel. Door Jahweh’s redden is dé God met ons 5). We kunnen dus toch zingen: O kom, o kom, Immanuel!
In de betekenis van het woord Immanuel beluisteren we een aanzwellend credo dat de ware kerk tot het eind der tijden zal uitdragen – Mattheüs 28:20 (HSV):
Zie Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld.
De Profetie van Bileam
Mattheüs 1:23 is de vervulling van een eeuwenoude profetie door de hoge profeet Jesaja zoals neergelegd in Jesaja 7:14. Dat is natuurlijk een verbluffende voorzegging, want Jesaja leefde in de tweede helft van de achtste eeuw vóór Christus. Er zijn echter veel meer profetieën die de geboorte van de Messias aankondigen. Eén van de mooiste en meest indrukwekkende vinden we in Numeri 24:15-10 (NBV21). Die profetie spreekt over de Eindtijd als het Messiaanse Rijk gevestigd wordt:
15 ‘Zo spreekt Bileam, de zoon van Beor 1), zo spreekt de man wiens oog geopend is 2),
16 zo spreekt hij die Gods woorden hoort 3), die weet wat de Allerhoogste weet 4) en ziet wat de Ontzagwekkende toont, in vervoering, met ontsloten ogen:
17 Wat ik zie is niet in het heden, wat ik waarneem is niet nabij 5). Een ster komt op uit Jakob 6), een scepter uit Israël 7). Hij verbrijzelt Moab de slapen, de kinderen van Set slaat hij neer 8).
18 Het land van zijn vijand verovert hij 9), het land van Edom en Seïr. Israël wordt machtig en sterk,
19 uit Jakob staat een heerser op 10). Wie ontkomt uit de stad brengt hij om.’ 11)
1) Bileam was een beroemde waarzegger uit Petor in Aram. Zijn naam komt ook in andere inscripties voor.
2) Dit is een officiële standaardformulering waarmee Bileam zich als ziener liet aankondigen.
3) Bileam ontving inderdaad Goddelijke boodschappen, zoals Numeri 22-24 getuigt.
4) Dit is een zwakke vertaling. Er staat: Proclamatie van hem die de woorden van God hoort en kennis heeft van de Almachtige. Die het visioen van de Almachtige ziet – die overvallen wordt met open ogen.
5) Een dichterlijke omschrijving dat Bileam over de verre toekomst spreekt.
6) De ster staat voor koningszoon – in dit geval Jezus – en voor de ster van Bethlehem die de wijzen de weg wees naar het kind Jezus. Deze tekst werd zelfs als een Messiaanse titel gezien: Bar Kochba – zoon van de ster.
7) De scepter verwijst naar het toekomstige koningschap van Jezus Christus in het Messiaanse Rijk.
8) Deze woorden staan typologisch voor alle vijanden van God, want die zullen zich voor de Messias moeten buigen – Openbaring 12:5 (NBV21) – die alle volken zal hoeden met een ijzeren staf.
9) In de grondtekst staat: vijanden – meervoud. Daarmee worden Jordanië, Libanon en een groot deel van Syrië bedoeld. In Ezechiël 47 worden de grenzen van dat toekomstige land Kanaän gedetailleerd aangegeven.
10) Weer wordt op het koningschap van Jezus Christus in het Messiaanse Rijk gewezen.
11) Met de stad wordt meestal Jeruzalem bedoeld. Waarschijnlijk wordt hier naar Zacharia 14:5 verwezen, waar in de grondtekst staat: Gij zult vluchten naar de diepe kloof van Mijn bergen, want de kloof van Mijn bergen zal toegesloten worden – dat wil zeggen: de vluchtelingen zullen sterven. (Weerd, Zacharia, Herziene Uitgave )
Vers 24: Toen Jozef dan opgestaan was uit de slaap deed hij zoals de hoge engel van de Heer hem bevolen had en nam zijn wettige vrouw in huis.
Vers 24: Maar hij zocht geen gemeenschap met haar totdat zij een zoon had gebaard. Toen maakte Jozef Zijn hoge naam bekend: Jezus.
Jozef beschouwt Maria vanaf de boodschap van vers 22-23 als heilig – terecht want zij droeg heilig zaad – en behandelt haar ook zo, want hij zocht geen gemeenschap met haar totdat zij een zoon had gebaard. Het is Jozef – als wettige vader – die de hoge naam het kind bekend maakt: Jezus. Dat betekent: Hij die redt.
Dit is een uittreksel van de Verklaring van Mattheüs door GertA. van de Weerd. Daarin wordt de grondtekst diepgaand verwoord.
Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

