Mattheüs 10 Bethel (Exegese)

📄 Download deze Bijbelverklaring (PDF)

Mattheüs 10 – De Verklaring

Mattheüs 10:1-15 De Uitzending van de Twaalf Discipelen

Vers 1 Toen Jezus eens alle twaalf discipelen van Hem bij Zich geroepen had, gaf Hij hun macht over onreine geesten opdat zij die konden uitdrijven en tevens om elke ziekte en kwaal te kunnen genezen.

Er is enige tijd verstreken – wellicht maanden, waarin de discipelen gewoon thuis zijn – als Jezus zijn twaalf discipelen weer oproept. Als ze samengekomen zijn geeft Hij ze een wonderlijke opdracht en een buitengewone wondermacht. Macht over demonen berust alleen bij de hoge God en bij Jezus Christus. Het genezen van zieken is slechts aan enkele profeten gegeven en de opwekking van een dode alleen aan Elia en Eliza (eenmalig). Dat de discipelen die vermogens ontvangen is dus een unicum in de Bijbel en zou reden moeten zijn voor boeiende verhalen in de evangeliën. Niets daarvan. Conclusie: Soms moeten we in Bijbelcommentaren conclusies trekken die voortkomen uit ‘wat er niet staat’. Want het ontbreken van een verslag over de uitzending van de twaalf discipelen zegt ons dat die evangelisatiecampagne mislukt is.

Vers 2 Deze twaalf nu werden als afgezant aangewezen. Hun namen zijn: Simon die ook Petrus genoemd wordt als principaal en Andreas zijn enige broer; Jakobus, de zoon van Zebedeüs en zijn enige broer

Vers 3 Johannes. Filippus en Bartholomeüs; Thomas en Mattheüs die een tollenaar was; Jakobus, de

Vers 4 zoon van Alfeüs en Lebbeüs die ook Thaddeüs genoemd werd; Simon de Kananiet en Judas Iskariot die Hem ook overgeleverd heeft.

Jezus doet zelf niet mee aan de campagne. Bijzonder, want tot nu toe lag het initiatief bij Hem. Nu stuurt Hij Zijn onervaren discipelen op pad om het evangelie te verkondigen. Petrus wordt aangewezen als leider van de groep. Voor Rooms-katholieken één van de redenen waarop later het Pausschap gevestigd werd.

Het woord Kananiet is een hebraïsme van qannā’j (קַנְאָן), wat zelotēs betekent; dat is ijveraar van de Wet. Zelotēs duidt ook op een politieke verzetsbeweging, waar Simon kennelijk lid van was. Iskariot wordt zeer gevarieerd verklaard. Voor de hand liggend is: ‘Man (ish) uit Kerioth’, een dorp uit Judea (Jozua 15:25) .

Vers 5 Al deze twaalf mannen heeft de Heer Jezus met een persoonlijk woord uitgezonden. Hij zei ook: Begeef je niet onder de heidenen en ga geen enkele stad van de Samaritanen binnen,

Vers 6 maar keer je alleen tot de afgedwaalde schapen van het huis van Israël.

Voordat de discipelen uitgezonden worden spreekt Jezus ze persoonlijk toe. De opdracht om alleen te evangeliseren onder het Joodse volk is geen verrassing. Die staat namelijk in het kader ‘herstel van het Sinaïtische Verbond’. Nu onder Jezus’ bezielende leiding én beperkt tot de Joden (= Juda en Benjamin, want de overige stammen zijn verdwenen). Daaruit zou het Messiaanse Rijk ontstaan. Voorwaarde was een algemene bekering. Deze opdracht tot evangelisatie is dus verschillend van het zendingsbevel in Mattheüs 28:19. Dat betreft alle mensen op aarde.

Campagne Mislukt – De bekering van het Joodse volk bleef echter uit en dat is tevens de reden waarom de vier evangelisten nauwelijks iets over de campagne zeggen. De discipelen kwamen teleurgesteld terug.

Vers 7 Als jullie gaan, verkondig dan de volgende boodschap: Het hoge Hemelse Koninkrijk is nabijgekomen.

Vers 8 Genees zieken, reinig melaatsen, wek doden op, drijf demonen uit. Geef gul wat je als vrije gift ontving.

De uitdrukking het hoge Hemelse Koninkrijk was algemeen bekend (en nooit door Jezus weersproken). Dat was het herstel van het koninkrijk van David en Salomo onder de Messias.

Waren de wonderdaden van Jezus al spraakmakend; nu gaan er liefst twaalf mannen met die vermogens op

pad. Dat moet wel tot een enorme opwinding in Galilea geleid hebben. Echter de evangelisten spreken er niet over, noch enige andere bron. En weer rijzen onbeantwoorde vragen:

1. Durfden de twaalf discipelen hun nieuwe gaven niet te gebruiken?

2. Was gebrek aan geloof de reden dat zij hun wondermacht niet toepasten?

3. Blokkeerde het ongeloof van de toeschouwers de wonderen?

Ik denk dat punt 3 juist is, want daar spreekt Jezus over in Markus 6:1-5,6 (NBV21) Hij kon daar (= in Nazareth) geen enkel wonder doen, behalve dat Hij een paar zieken de handen oplegde en hen genas. Hij stond verbaasd over hun ongeloof. (Zie ook: Mattheüs 13:58)

Jezus genoot grote autoriteit onder de bevolking omdat Hij een Rabbi met Semikhah was. De discipelen echter waren onbekende jongelui – eenvoudige vissers. Zouden wij wel naar hen geluisterd hebben?

Vers 9 Neem liever geen goud aan, noch zilver of koper voor jullie eigen gordels.

Vers 10 Schaf ook geen reiszak voor onderweg aan, noch twee onderkleren, extra sandalen of een staf. Want elke arbeider is zijn levensonderhoud waard.

Jezus raadt de discipelen af betaling aan te nemen. Het evangelie mag niet door geldelijk gewin bezoedeld worden. Ook draagt Hij hen op om zonder bagage te reizen. Zo konden de opgaan in de plaatselijke bevolking, want iemand met bagage is overduidelijk een vreemdeling en daarom gemakkelijk op te pakken.

Vers 11 In welke stad of dorp jullie ook zullen komen, zorg ervoor dat je eerst goed hebt uitgezocht

wie daar waard is (om je te ontvangen) en blijf daar totdat jullie reden hebben om weg te gaan.

Die voorzichtigheid blijkt ook hier. Jezus raadt Zijn discipelen af een plaatselijke herberg te betrekken, maar om een betrouwbaar gastgezin te zoeken en daar te blijven totdat hun werk gedaan was.

Vers 12 Wanneer je het huis van jullie keuze binnengaat, groet de bewoners dan hartelijk.

Vers 13 Als dat huis inderdaad waardig blijkt, laat dan jullie ware vrede over hen komen. Maar als het die vrede van jullie niet waard is, neem die dan weer weg.

Iemand hartelijk groeten; dat doe je naaste familie en geliefden. En dat is nu precies wat Jezus bedoelt. In Christus zijn we allen ‘naaste familie’ – broeders en zusters. Het is die houding die de latere Gemeenten tot bloei zal brengen. Geeft Jezus ons ruim de tijd om aan iemand te wennen, zodat er langzaam maar zeker een band ontstaat? Neen, Hij vraagt ons om zonder voorbehoud elkaar in liefde tegemoet te treden. Zo ontstaat de ‘Vrede van Christus’ een stukje paradijs op aarde. Dat is geen ‘geboden wonder’ maar een ‘wonderlijk ontstaan van’ door het evangelie. Vandaar dat een afwijzing van het evangelie die vrede weer tenietdoet.

Vers 14 Mocht men jullie niet warm verwelkomen, noch je ware woorden willen aanhoren, verlaat dan dat huis of die stad en schud het stof van je voeten.

Vers 15 Voorwaar Ik verzeker jullie: Op de dag van het oordeel zal het lot van de inwoners van Sodom en Gomorra draaglijker zijn dan zelfs van die stad.

Het heilig evangelie is geen boodschap voor ongeïnteresseerde toeschouwers. Het is ‘Woord ten Leven’ die de deur naar de Zaligheid opent. Dat vereist grote toewijding van de prediker én respons van de toehoorder. Als het evangelie aanvaard wordt zoals Jezus het leert, dan daalt de vrede van Christus op ons neer. Dan straalt een kerkgemeente en wordt aldus een lichtend licht voor de gehele omgeving. Dan valt die Gemeente op als een stad op een berg (Mattheüs 5:14). Hoe dat ontstaat? – Mattheüs 5:14 (grondtekst) legt dat uit: Omdat zij al uw goede werken opmerken ter verheerlijking van uw hoge Vader die in de hoge hemel is.

Geen deur-aan-deur colportage, geen dogmatische discussies, maar daden uit liefde vormen de sleutel.

Afwijzing van het evangelie wordt zwaar opgenomen. Want het is nogal wat om met Sodom en Gomorra vergeleken te worden. Die werden vernietigd en dat lot trof ook Gallilea en Judea in de Joods oorlogen.

Oordeelstaal - Spreekt Mattheüs 10:15 over het laatste oordeel (Openbaring 20:11-15)? Neen, want dat is individueel; komt over mensen afzonderlijk, hoewel niet over de leden van de Gemeente van Christus. Hier is sprake van collectief oordeel en dat betreft een oude vervloeking – Deuteronomium 28:64-67 (NBV21):

64 want de HEER zal u uiteenjagen en onder alle volken verstrooien, tot in de verste uithoeken van de aarde. Daar zult u andere goden vereren, goden die u nog niet kende en ook uw voorouders niet, goden van hout en van steen.

65 Denk niet dat u bij die volken op adem kunt komen of een plek krijgt om te rusten. De HEER zal u daar in angst laten leven en u, met doffe ogen, een kwijnend bestaan laten leiden.

66 U zult er voortdurend op uw hoede moeten zijn, want u zult uw leven niet zeker zijn en dag en nacht het ergste vrezen.

67 ’s Morgens zegt u: “Ach, was het maar avond,” en ’s avonds verzucht u: “Was het maar ochtend.” Zo groot zal dan de angst zijn waarin u verkeert, zo bedreigend is het wat u ziet.

Met het afwijzen van Jezus Christus roept het Joodse volk een zwaar oordeel over zich af. Dat werd werkelijkheid in de eeuwen daarna, de Joodse oorlogen, in de pogroms, de kruistochten en de Holocaust. Ook zullen gelovige Joden de Opname van de Gemeente missen, want zij zijn geen lid van het Lichaam van Christus. Zij worden dus niet gered voor de gruwelen van de Grote Verdrukking.

Mattheüs 10:16-20

Vers 16 Besef wel dat Ik jullie als schapen tussen de wolven zend. Gedraag je dus behoedzaam, zoals slangen doen en wees toegankelijk zoals duiven zijn.

In Mattheüs 9:36 klinkt nog mededogen voor het ganse Joodse volk. Hier worden de Joden omschreven als wolven – toch een bittere uitspraak. Jezus stuurt Zijn discipelen op evangelisatiecampagne en dringt aan op voorzichtigheid. Slangen worden ‘listig ‘ genoemd. Die houding – slim handelen (een eigenschap van de ‘wereld’) – wordt ook de discipelen aangeraden. De doelstelling is niet op te vallen. Dat is bepaald anders dan het optreden van Jezus tot nu toe. Dat waren massale publieke bijeenkomsten die allerwegen de aandacht trokken. Het tweede advies betreft medegelovigen. Wees toegankelijk zoals duiven zijn zegt Jezus. Dat duidt op verbroedering; op het ‘aanbieden’ van een persoonlijke liefdesband: de vrede van Christus. Dat vereist een kinderlijke houding tot de naaste – liefde aanbieden zonder voorwaarde.

Vers 17 Wees dan op je hoede voor alle mensen, want zij zullen jullie overleveren aan plaatselijke tribunalen en je in hun synagogen geselen.

Vers 18 Dan zullen jullie omwille van Mij voor gouverneurs en koningen geleid worden om voor hen te getuigen en tevens voor alle heidenvolken.

De discipelen beschouwden Jezus Christus als de Messias die (zo dachten zij) de Joden zou verenigen en de Romeinen verjagen. Dat was de algemene verwachting in die dagen, maar Jezus spreekt over vijandschap, gevangenneming en geseling. Dat scenario zal voor de discipelen een negatieve verrassing zijn geweest.

Vers 19 Als jullie soms gearresteerd worden, maak je dan geen zorgen over hoe en wat je moet zeggen. Op het juiste moment zal jullie namelijk gegeven worden wat je zeggen moet.

Ook dit vers zal de discipelen vreemd in de oren geklonken hebben. Was Jezus niet de beroemde Rabbi met Semikhah, de wonderdoener die duizenden mensen trok? – waarvan men zei Hij de Messias was?

Jezus predikte: Kom tot inkeer, want het hoge Hemelse Koninkrijk is nabij gekomen (Mattheüs 4:17). Dat verbond men met de komst van de Messias; een super-David die hen verlossen zou van de Romeinen. Dat waren menselijke verlangens en Jezus rekent daar gedecideerd mee af. Niet Zijn persoon is de komende campagne de centrale figuur, maar bekering tot God, wat de enige sleutel is naar het heil – het Messiaanse Rijk. In plaats van Jezus brengen onervaren discipelen de boodschap. Met hun uitzending wordt het super-David-effect verwijderd en de focus op bekering gericht. Welnu, dat valt slecht bij de bevolking. Weinig mensen zien de noodzaak tot bekering. Israël was immers Gods uitverkoren volk! Bekeren?... Waarvan dan?

Vers 20 Want niet jullie zullen de sprekenden zijn, maar de Geest van uw hoge Vader Die in jullie spreekt.

De ‘focus’ op bekering wordt in dit vers bevestigd. In dit stadium is Jezus geen zegevierende Messias, maar begint Hij de andere kant van Zijn mens-zijn te onthullen. Die van lijdende Knecht van de HEER. Want de Messias moest lijden om de volgende stap naar het Koninkrijk van God mogelijk te kunnen maken: Markus 9:12 (NBV210) getuigt: Over de Mensenzoon staat toch geschreven dat hij veel moet lijden en met verachting behandeld zal worden? De lijdende Knecht van de HEER ontvangt geen applaus, noch Zijn volgelingen die in die bediening optreden. Die boodschap wordt vijandig ontvangen en leidt tot vervolging, ja zelfs tot gevangenneming. En wat dan? Dan – zegt Jezus – zal de Geest van uw hoge Vader in jullie spreken. Is dat de Heilige Geest? Jazeker! Echter Die is nog niet uitgestort, maar wordt in deze fase slechts aan enkele mensen gegeven – de discipelen –, zoals ook in het Oude Testament gebeurde.

Mattheüs 10:21-26 De Vijandschap van de Wereld

Deze perikoop opent met een profetie die Jezus uit Micha 7 citeert. Deze profetie is zo extreem van inhoud dat we er eerst een Excurs aan wijden om een goede basis te leggen voor de verklaring van Vers 21-22.

Excurs 1: De Profetie van Micha 7

Micha spreekt veel over de Eindtijd, hoewel velen dat ontkennen. Hij doet dat in zulke duidelijke taal dat

Zijn profetie onmogelijk ergens in de geschiedenis te plaatsen is. Daarvoor is de wereld die hij schetst te extreem verdorven. Micha 7 profeteert over de Grote Verdrukking, een periode van zeven jaar in de Eindtijd, waarin Satan de hele wereld in zijn greep krijgt en allen die God trouw dienen en weigeren Hem te verloochenen, tot de dood vervolgd zullen worden. Micha 7:2-7 (NBV21) profeteert daarover:

2 Zij die trouw A) waren zijn verdwenen B) uit het land C), niemand D) is nog rechtschapen A). Allen zijn op bloed belust, iedereen belaagt zijn naaste E).

3 Ze bekwamen zich in het kwaad: alleen voor geld stellen leiders een onderzoek in, rechters spreken recht tegen betaling, hooggeplaatsten zeggen wat hun het beste uitkomt, en zo houden zij het recht op afstand F).

4 De deugdzaamste van hen is als een doornstruik, de oprechtste is erger dan een stekelhaag. De dag van straf G), door uw wachters H) aangekondigd, is gekomen, en het volk is in beroering! I)

5 Geloof je naaste niet, vertrouw je vriend niet, let op je woorden, ook bij wie er in je armen ligt J).

6 De zoon veracht zijn vader, de dochter verzet zich tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder, en huisgenoten blijken vijanden K).

7 Maar ik, ik blijf uitzien naar de HEER L), ik blijf hopen op de God M) die mij redding zal brengen. Hij zal mij horen, mijn God M).

A) Beter: Allen die oprecht waren (yāšār). Dit is oprecht voor God – gelovigen dus.

B) Alle oprechten zijn van de aarde verdwenen. Dat is de Opname van de Gemeente. Micha ‘ziet’ hier de Eindtijd!

C) Er staat: hā·’āreṣ en dat betekent geen land maar: de aarde (als in Genesis 1:1).

D) Dus: Niemand op aarde is nog rechtschapen. Dat is een ‘momentopname’ nadat de Gemeente is opgenomen en door Jezus Christus naar de hemel gevoerd. Na de Opname zullen nog velen tot geloof komen.

E) Beter: Er is geen rechtvaardige meer over onder de mensheid (= ’ā·ḏām).

F) Micha spreekt over een situatie van totale wetteloosheid en morele verdorvenheid. Dat is nooit eerder gebeurd.

G) Dat zijn de oordelen van de hoge God over de aarde in de Grote Verdrukking.

H) Aartsengelen, de uitvoerders van de oordelen van de hoge God.

I) Wel erg vrij vertaald. Er staat: Nu zullen zij ontredderd (of: in paniek) zijn.

J) Zelfs je geliefde, vriendin of eigen vrouw is een potentieel gevaar.

K) Elke vorm van onderlinge liefde is dus verdwenen.; de wereld is een satanisch oord geworden.

L) Er staat: Jahweh – de persoonsnaam van de hoge God..

M) Onjuist vertaald. Het woord ילֵאלֹהֵ֣ bestaat uit: ל (op) en ילֵאלֹ (godheid). Er staat letterlijk in Micha 7:7

Ik zal opzien naar Jahweh, ik zal wachten op de Godheid van mijn redding. Mijn Godheid zal mij horen.

De gelovige die spreekt, blijft aan Jahweh vasthouden en ziet uit naar de wederkomst van Jezus (Mijn Godheid).

De Strijd tussen God en Satan – In de Eindtijd zal de mensheid uiteenvallen in Satanaanbidders en gelovigen die tot de dood vervolgd zullen worden; daar wijst Jezus in Mattheüs 10:21 op. Met de geboorte van Jezus is de strijd met Satan namelijk in een nieuwe fase beland. Want Hij zal Satan de kop verbrijzelen (Genesis 3:15). Die strijd is met de komst van Jezus Christus intensiever geworden. Hij weet dat en wijst met Micha 7 op het eindpunt van die eeuwenlange strijd – de Grote Verdrukking. Daar gaat het naar toe

Vers 21 Ooit zal de ene broer de andere broer overleveren voor executie, maar ook een vader een kind en kinderen zullen opstaan tegen hun ouders en hen ter dood doen brengen.

Bij dit vers moet je een eerlijke vraag stellen: Kan vervolging zo erg zijn dat iemand zijn eigen broer aan een dictator uitlevert voor executie? En een vader een kind? En kinderen hun ouders? Natuurlijk niet; dat is ongeloofwaardig. In de Eindtijd gebeurt dat toch, want dan volgt een groot deel van de mensheid Satan. En overleveren aan Satan betekent: ‘zonder liefde leven’ en dan kan het wél. Vers 21 spreekt over het eindpanorama van de strijd tussen God en Satan. Daar gaat het naar toe – het kwaad zal toenemen.

Vers 22a Ook zullen jullie door de meeste mensen geminacht worden omwille van Mijn hoge Naam.

De twaalf discipelen zullen het ultieme kwaad zoals dat in Micha 7 beschreven wordt niet ontmoeten. Het

zal veel minder erg zijn, vandaar het woord geminacht in plaats van ter dood brengen (Vers 21).

Vers 22b Maar wie dat doorstaan heeft tot het einde zal behouden worden.

Een prachtige uitdrukking – behouden worden; voor de hoge God natuurlijk. Dat geeft in enkele woorden aan hoe graag Hij ons aan Zijn zijde wil. Geloof en vertrouwen vormen dus de sleutel tot de Zaligheid.

Vers 23a Wanneer jullie soms in een stad vervolgd worden, vlucht dan naar een andere Joodse stad.

Het evangelie is niet voor onwilligen en vijanden bestemd. Want de woorden van God en mogen niet ‘ledig ter aarde vallen’. Jesaja 55:11 (NBV21): zo geldt dit ook voor het woord dat voortkomt uit mijn mond: het keert niet vruchteloos naar Mij terug, niet zonder eerst te doen wat Ik wil en te volbrengen wat Ik gebied.

Vers 23b Want Ik verzeker je dat jullie geen één van de steden van Israël tot het einddoel zullen kunnen brengen, totdat het mogelijk is dat de Zoon des Mensen komt.

De discipelen worden uitgezonden om het evangelie te verkondigen, maar dat wordt geen succes. Geen één van de steden van Israël zal zich bekeren. Maar er staat ook: totdat. Die bekering zal er ooit wel komen. – Wanneer?... Als Jezus met macht terugkomt op de Olijfberg (Zacharia 14:3-4), vergezeld van hemelse strijdkrachten. Hij zal de wereld dan aan Zich onderwerpen en dan kan het Messiaanse Rijk beginnen.

Vers 23c totdat het mogelijk is dat de Zoon des Mensen komt.

Profetie is fantastisch accuraat, mits grondtekst nauwgezet gevolgd wordt. Want de wederkomst staat niet

vast. Het is slechts zeker dat Jezus wederkomt. Vóór die tijd moet de Gemeente van Christus (de kerk) nog gesticht worden en via haar zal het evangelie over de gehele wereld gepredikt worden.

Vers 24 Een discipel is er niet om zijn leermeester te verbeteren, noch een dienaar zijn heer. De voldoening van een discipel is dat hij als zijn leermeester wordt en de toegenegen dienaar als zijn heer.

Jezus waarschuwt de twaalf discipelen om ‘Zijn evangelie’ te verkondigen; niet hun eigen denkbeelden. De discipelen moeten ‘als Jezus’ worden en het evangelie van bekering en genade prediken.

Vers 25 Als dan de Heer van Zijn huis Beëlzebub wordt genoemd, waarvoor zal men Zijn huisgenoten wel niet uitmaken?

Jezus verwijst hier naar de opmerking van de Farizeeën in Mattheüs 9:34. Zij dachten dat Jezus wonderen dankzij satanische krachten deed. De discipelen zullen ook van satanische bezetenheid beschuldigd worden.

Vers 26 Laat je dus door hen niet afschrikken, want niets is zo bedekt dat het niet onthuld zal worden en niets is zo verborgen dat het niet geopenbaard zal worden.

De discipelen kunnen op pad. Jezus waarschuwt ze wel voor tegenstand, hoewel Hij daar een oordeel over uitspreekt. Want voor de Grote Witte Troon zal ooit alles onthuld worden wat bedekt en verborgen is. Verzet tegen het evangelie is geen gewone zonde, maar heeft satanische trekjes - het blijft niet ongestraft.

Excurs 2: Skotiāi – Spirituele Duisternis

Bij uitzondering gaan we over naar een bespreking van het woord duister (skotiāi), want dat is de sleutel tot de verklaring. Mattheüs 10:27 is een moeilijk vers en dat betreft de tekst: Wat Ik in het duister uitspreek. Verklaarders wijken ernstig af van de Griekse grondtekst en vertalen met: privé, verborgenheid of geheim – maar dat staat er niet. Is er dan twijfel over de betekenis van skotiāi? Neen! Naast echte duisternis spreken theologen van spirituele/morele duisternis als een 2e betekenis. Dat is: onwetendheid van goddelijke zaken.

Vers 27a spreekt over heilige zaken die de discipelen onbekend zijn (Innerlijk verduisterd worden). Het is nieuwe kennis – noodzakelijk omdat het Joodse volk Jezus afwijst. Kolossenzen 1:25-26 (NBV21) verklaart:

25 Met het oog op u heeft God mij (Paulus) die dienende taak toevertrouwd, opdat zijn boodschap (het evangelie) in al haar volheid verkondigd wordt:

26 het goddelijk geheim dat in alle eeuwen en voor alle generaties verborgen is geweest, maar nu aan zijn heiligen onthuld is.

Dat goddelijk geheim betreft de Gemeente die heilsdrager is geworden en Israël is opgevolgd. Dat wordt geopenbaard aan zijn heilige apostelen en profeten (Efeziërs 3:5b) na de opstanding. Efeziërs 3:6 vervolgt: ook mensen uit andere volken delen door hun eenheid met Christus Jezus in de erfenis, zij maken deel uit van hetzelfde lichaam (van Christus) en hebben ook deel aan de belofte, door middel van het evangelie.

Mattheüs 10:27-33 Beloning en Doem

Vers 27 Wat Ik in het duister uitspreek, moet verkondigd worden in het ware licht. En wat nu in jullie oren klinkt, moet je prediken van de daken.

Dit vers ziet niet op de evangelisatiecampagne van de discipelen. Dat was geen publieke actie (prediken van de daken), maar een heimelijk gebeuren zoals we dat al behandeld hebben. Pas na de uitstorting van de Heilige Geest predikten de discipelen vrijmoedig op publieke plaatsen (Handelingen 2:14) en zelfs in de tempel (Handelingen 3:11). En wat predikten zij? Wat nu in jullie oren klinkt, dus de woorden van Jezus.

Vers 27A Laat je niet afschrikken door mensen die wel het lichaam maar niet de ziel kunnen doden.

Terecht vrezen mensen voor vervolging en dood – ook de discipelen. Eigenlijk zegt Jezus: Laat je niet afschrikken; hou vol! Want je ziel is in Mij geborgen. Dat is een machtige troost in barre tijden.

Vers 27B Vrees voor alles Hem Die zowel het lichaam als de ziel verderven kan in het Gehenna.

Verloren gaan wordt omschreven als de ziel verderven in het Gehenna. Het begrip hel was toen onbekend. Men sprak van sheol (de onderwereld), waar de doden slapen. Jezus gebruikt daarom een bekend begrip als Gehenna om een vervloekte plaats aan te duiden. Dat is een plaats waar God de ziel verderven kan – dus doden. Dat is een beeld van het laatste oordeel. We citeren Openbaring 20:11-15 direct uit de grondtekst:

11 Daarna zag ik in een visioen een grote witte troon. Voor Degene die daarop zat, zijn de aarde en de hemel weggevlucht, weg van Zijn aangezicht en hun plaats werd niet meer gevonden.

12 Toen zag ik de doden, klein en groot – zij stonden opgesteld vóór het aangezicht van de hoge God – en boeken werden geopend. Vervolgens werd een soortgelijk boek geopend; dat is het boek des levens. En de doden werden gescheiden op grond van wat in de boeken geschreven staat – overeenkomstig hun

13 werken. De zee gaf de doden die in haar waren; de dood en het dodenrijk gaven de doden die in hen

14 waren. En zij werden gescheiden, eenieder overeenkomstig zijn werken. En de dood en het dodenrijk

15 werden in het meer van hét vuur geworpen. Alleen dit leidt tot de tweede dood. En indien iemand niet

ingeschreven bleek te zijn in het boek des levens, werd hij in het meer van hét vuur geworpen.

De boodschap is: Vrees voor alles Hem Die leven en dood in Zijn hand houdt, opdat u behouden wordt.

Excurs 3: Gehenna en Hel

Het woord ‘hel’ komt van Gehenna (Grieks: Geenna). Strongs, een gezaghebbend woordenboek, verklaart: Dat is een vallei ten westen en zuiden van Jeruzalem; ook een symbolische naam voor de uiteindelijke plaats van bestraffing van de goddelozen. Het eerste is een feit, het tweede komt uit de dogmatiek – niet uit de Bijbel. Het Gehenna was een beruchte plek, omdat in de tijd van de koningen daar kinderoffers werden gebracht aan de afgod . Velen vertalen Gehenna met hel en verwijzen dan naar Marcus 9:43 en 44, maar het Gehenna wordt nergens in de Bijbel als een eeuwigdurende plaats van foltering beschreven.

De Vallei van Gehenna was algemeen bekend, terwijl de betekenis hel – wat sommige theologen ervan maken – in die tijd een onbekend begrip was. Indien Jezus de hel bedoeld had zoals wij die traditioneel verklaren, dan had Hij dat beslist heel goed uitgelegd, vooral omdat Hij dan sterk afweek van de algemeen bekende betekenis van Gehenna in die dagen. Het idee om van Gehenna de hel te maken, stamt uit de Sibillijnse Orakelen (200-400 na Chr.) en uit het apocriefe boek 4 Ezra. Beide geschriften zijn grotendeels fictie en worden daarom terecht niet heilig bevonden. Vreemd genoeg werd het begrip hel eeuwen later in de dogmatiek van de kerk van Rome verwerkt. Toch is ook duidelijk dat Jezus het Gehenna als voorbeeld gebruikt voor het oordeel over de goddelozen – dus het oordeel voor de Grote Witte Troon (Openbaring 20:11-15). Zegt dat iets concreets over de plaats zelf? Neen, slechts over het oordeel.

Het Gehenna is een Metafoor – Waarom gebruikt Jezus dit voorbeeld? Omdat het Gehenna ook de plaats was, waar onreine mensen (bv. melaatsen, misdadigers, maar ook kadavers van dieren) werden begraven. De lijken werden bestrooid met zwavel om ziekten tegen te gaan. Op warme dagen leidde dat tot spontane ontbranding en dat vuur was moeilijk te doven. In het Gehenna begraven worden was een schande en dient als voorbeeld voor het lot der goddelozen. Het is een metafoor – beeldspraak.

De Verwijzing Klopt Niet – De tekst van Markus 9 niet erg zuiver vertaald. De NBG-vertaling zegt:

43 En indien uw hand u tot zonde verleidt, houw haar af. # Het is beter, dat gij verminkt ten leven ingaat, dan dat gij met uw twee handen ter helle vaart, in het onuitblusbare vuur,

44 [waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust.]

In de grondtekst staat – na het teken #: Het is eervoller voor u verminkt binnen te gaan in het leven, dan de twee handen hebbende te vertrekken/gaan in het Gehenna, in het onblusbare vuur.

Vers 44 staat tussen haakjes, omdat het in belangrijke oude manuscripten ontbreekt en er grote twijfels bestaan of deze tekst origineel is. Juist die woorden gelden als ‘bewijs’ voor het eeuwig duren van de helse straf. De Willibrord-, NBV- en NBV21-vertaling hebben vers 44 terecht niet meer in de Bijbel opgenomen.

Conclusie – Het Gehenna wordt als metafoor gebruikt voor een verachtelijke plaats, een begraafplaats voor uitgestotenen die omschreven wordt met het onblusbare vuur. Dat begrip komt uit Openbaring 20: 15. Het is de plaats waar de zielen van de verdoemden na het grote oordeel worden uitgewist (gedood).

Vers 29 Worden twee kleine vogels niet voor slechts een penning verkocht? Toch zal er niet één ter aarde vallen, zonder dat jullie hoge Vader het weet.

Vers 30 Van jullie echter zijn zelfs de haren van je ganse hoofd geteld.

Vers 31 Laat u dus niet afschrikken, jullie bent meer waard dan veel kleine vogels.

God is Geest en alom vertegenwoordigd. Dat is een begrip dat we niet bevatten. Zijn almacht bewerkt alwetendheid – ook onbegrijpelijk. Daarom vat Jezus het samen in een simpele metafoor. Zelfs de dood van twee kleine vogels (die bijna niets waard zijn) wordt door de hoge God waargenomen. Dat betreft geen ‘geven om’ (dus een emotie, zoals velen verklaren), maar alwetendheid. Jezus beschrijft hier een zo reusachtige veelomvattende Goddelijke Geest dat het ons duizelt – hier past stil ontzag.

Als het om mensen gaat (in dit geval gelovigen, discipelen) is dat kennis nemen van in vers 30 uitgebreid tot waarneming in het detail. Zelfs de haren van je hoofd zijn geteld. Die aandacht van de hoge God voor alles wat de gelovige overkomt is als troost bedoeld. Je bent nooit alleen, zelfs niet in de diepste ellende. En elke goede daad in het licht van het evangelie zijn als ‘parels aan je kroon’ in de komende Zaligheid.

Vers 32 Daarom zal eenieder die Mij belijdt voor de mensen, Ik op mijn beurt Zalig spreken voor het aangezicht van Mijn hoge Vader Die in de hemel is.

Wat is dat: Zalig spreken. Daarmee bedoelt Jezus dat Hij de Zaligheid voor de gelovige bij God verwerft. Want een gelovige ‘in Christus’ is onderdeel van Zijn Lichaam – de Gemeente en dat Lichaam (Jezus) heeft het oordeel reeds ondergaan aan het kruis. Daartoe bidt Jezus in Johannes 17:17-19, 24 (NBV21):

17 Heilig hen (Zijn volgelingen) dan door de waarheid. Uw woord is de waarheid.

18 Ik zend hen naar de wereld, zoals U Mij naar de wereld hebt gezonden.

19 Ik heb mij geheiligd omwille van hen, zo zullen ook zij door de waarheid geheiligd zijn.

24 Vader, U hebt hen aan Mij geschonken, laat hen dan zijn waar Ik ben. Dan zullen zij de grootheid zien die U Mij gegeven hebt omdat U Mij al liefhad voordat de wereld gegrondvest werd.

En 2 Korintiërs 5:20-21 (NBV21) getuigt:

20 Wij zijn gezanten van Christus, God doet door ons zijn oproep. Namens Christus vragen wij u dringend: laat u met God verzoenen.

21 Ter wille van ons heeft God Hem die de zonde niet kende één gemaakt met de zonde, zodat wij in Hem rechtvaardig voor God konden worden.

Vers 33 Maar wie Mij niettemin toch verloochent bij de mensen, die zal ook Ik verloochenen voor Mijn hoge Vader in de hemel.

Echter, allen die Christus verloochenen zullen Zijn voorspraak missen. Zij komen dus wel in het oordeel.

Mattheüs 10:34-39 Jezus Brengt Scheiding

Vers 34A Ga er niet vanuit dat Ik gekomen ben om op de gehele aarde vrede te brengen.

Deze Bijbeltekst botst heftig met de kerstgedachte dat Jezus is gekomen om vrede te brengen. Die mening stoelt op de on-Bijbelse dogmatiek dat het christendom uiteindelijk overwinnen zal en dat zo een kerkelijke gouden eeuw zal aanbreken. De geschiedenis heeft het tegendeel bewezen, want heden – bijna 2000 jaar na de opstanding van Jezus – is die verwachting nog nooit vervuld. Vrede ontstaat niet door de kerk, maar door Zijn tweede komst op de Olijfberg (Zacharia 14:4). Dat is de vrede van het Messiaanse Rijk.

Vers 34B Ik ben niet gekomen om vrede te brengen maar het zwaard.

Als Jezus wederkomt brengt Hij eerst het zwaard, voordat de vrede van het Messiaanse Rijk kan aanvangen. Het gebruikte woord voor zwaard is machaira. Dat is een slachtmes. Aldus duidt Jezus daarmee op de vreselijke oordelen die in de Grote Verdrukking over de aarde zullen gaan.

Voorbespreking bij de Vers 35 en 36

De komende verzen verwijzen overduidelijk naar Micha 7. Daar spreekt deze profeet over de Grote Verdrukking als Satan de wereld in zijn greep heeft en er slechts twee soorten mensen zijn overgebleven: Zij die Satan volgen en hen die de hoge God trouw blijven. Dat beeld dient als panorama voor de ontwikkeling van het kwaad in de wereld – waar het dus naartoe gaat. Micha 7 zet op heldere wijze het eindpunt van die ‘glijdende schaal van het kwaad’ neer en Jezus gebruikt dat beeld weer om het wezen van de tegenstand tegen de verkondiging van het evangelie te schetsen. Het evangelie brengt namelijk scheiding – brengt ons bij God en tast zo de macht van Satan aan. Dat leidt per definitie tot ‘weerstand’.

Vers 35 Want Ik ben gekomen om scheiding te brengen tussen een man en zijn vader, tussen een

dochter en haar moeder en tussen een bruid en haar schoonmoeder.

Vers 36 Mensen zullen elkaars vijanden zijn – zelfs hun huisgenoten.

Jezus spreekt hier over de toekomst als de Gemeente in opbouw is. Overgaan tot het christelijk geloof betekende een breuk met de Joodse godsdienst of met het heidendom en dat leidde tot vijandschap van verwanten en vrienden. Vandaar het woord: scheiding. In dat kader moeten we ook vers 36 verstaan.

Vers 37 is wellicht één van de slechts vertaalde én slechts verklaarde verzen van het Nieuwe Testament. Want die zet in veel vertalingen de liefde tussen kind en ouders als concurrent neer voor de liefde tot Jezus Christus. Dat strijdt rechtstreeks met het vijfde gebod: eert uw vader en uw moeder. Het staat er ook niet!

Vers 37 Wie van vader of moeder houdt, maar slechts interesse voor Mij heeft, is Mij niet waard en wie een zoon of een dochter lief heeft, maar Mij slechts interessant vindt, is Mij niet waard.

Jezus zegt dat een simpel kiezen voor Hem, omdat het voordeel brengt, niet genoeg is. Jezus vraagt onze liefde – een liefde als tot ouders of tussen kind en vader en moeder! Geen passie maar diepe genegenheid.

Vers 38 En wie zijn kruis niet op zich neemt en Mij volgt, is Mij niet waard.

Christenen dienen vervolging te verdragen. Dat is een heftige uitspraak, want een ‘beetje meeheulen met de

vijand’ (voor velen is dat ‘verstandig handelen’) wordt zo verboden. Is dat onredelijk? Neen, hier spreekt de Wet en die eist om voor of tegen het kwaad (ten diepste Satan) te kiezen. Wel moeten we met nadruk stellen dat een ontwijken van vervolging niet onder dit vers valt. Dat is simpel: verstandig handelen.

Vers 39A Wie een hoger leven in zichzelf heeft gevonden, zal het verliezen.

Ook dit vers wordt slecht vertaald én verklaard. Zo vertaalt de NBV21: Wie zijn leven probeert te behouden zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van Mij, die zal het behouden. NBG: Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden.

Voorgaande vertalingen suggereren dat we de marteldood moeten opzoeken en zo begrepen vele gelovigen het in voorbije eeuwen. Ik ben van mening dat dit een dwaling is. Dat onze Heer hier op de keuze tussen de verlokkingen van de wereld wijst en Hem volgen. Dat dit als uiterste consequentie ook de marteldood kan betekenen is duidelijk, echter dat betreft beslist geen voorwaarde.

Vers 39B en wie vanwege Mij zijn (aardse) leven heeft verloren, zal het (ware leven) vinden.

Hier wordt een tweede toezegging gedaan die wél duidt op het martelaarschap. Er is geen sprake van een voorwaarde, maar van het treurige feit dat gelovigen om de Naam van Christus gedood zullen worden!

Mattheüs 10:40-42 Wie Mijn Discipelen Ontvangt, Ontvangt Mij!

Vers 40 Wie u ontvangt, ontvangt Mij en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem Die Mij gezonden heeft.

Deze uitspraak legt een zware verantwoording op een ieder die een prediker van het evangelie ontvangt. Want het is nogal wat: Je ontvangt zo Jezus Christus. Echter dat legt ook een zware verantwoordelijkheid op de prediker die in Zijn Naam spreekt. Predikant zijn is geen vak, zoals velen het zien. Het is een roeping.

Vers 41 Als iemand een profeet gastvrij ontvangt omdat hij als profeet bekend staat, mag deze zich immers het loon van een profeet toe-eigenen. En als iemand een rechtvaardige ontvangt omdat hij als rechtvaardig bekend staat, mag deze zich het loon van een rechtvaardige toe-eigenen.

De discipelen waren in de ogen van de bevolking eenvoudige vissers. Echter Jezus Christus kent hen de rechten van een profeet en een rechtvaardige toe (in Israël zaddiq genoemd). En elke Israëliet was verplicht hen onderdak en onderhoud te verschaffen indien ze daarom vroegen.

Vers 42 Dus wie één van deze jongeren een beker koud water te drinken geeft, alleen al omdat hij als een discipel van Mij bekend staat – Ik verzeker u – die zal zeker zijn loon niet verloren doen gaan.

Zelfs de minste dienst aan deze jongeren (Zijn discipelen) is een goede daad die beloond zal worden.

Mattheüs 11:1 Nadat de Heer Jezus het geven van precieze instructies aan Zijn twaalf discipelen afgerond had, geschiedde het dat Hij vandaar vertrok om in Zijn eigen steden te onderwijzen en te prediken.

Jezus en de discipelen gaan nu uit elkaar. Jezus vertrekt naar zijn woonplaats en de steden daaromheen (Zijn eigen steden) om daar te onderwijzen en te prediken. De discipelen gaan op evangelisatiecampagne, maar daar spreekt Mattheüs niet over. Markus 6:12-13 (NBV21) wel – hoewel opvallend beknopt:

12 Ze gingen op weg en riepen de mensen op om tot inkeer te komen,

13 en ze dreven veel demonen uit en zalfden veel zieken met olie en genazen hen.

De terugkeer van de twaalf discipelen aan het einde van hun evangelisatiecampagne komt in de evangeliën nauwelijks ter sprake. Slechts enkele woorden in Markus 6:30 en 31a (NBV21) worden er aan gewijd en dat kunnen we moeilijk een verslag noemen:

30 De apostelen kwamen weer terug bij Jezus en vertelden Hem over alles wat ze gedaan hadden en wat ze de mensen onderwezen hadden.

31a Hij zei tegen hen: ‘Ga nu mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en een tijdje uit te rusten.’

Niets wordt gezegd over de resultaten van de evangelisatiecampagne. Neen, Jezus neemt de discipelen mee naar een eenzame plaats om een tijdje uit te rusten (Markus 6:31a). De campagne was mislukt en de discipelen moesten die mislukking met Jezus verwerken. Dat de evangelist Johannes zelfs helemaal niets zegt over de uitzending van de twaalf is daarin veelzeggend. De campagne was zonder succes, want er vindt geen nationale bekering van het Joodse volk plaats, wat toch het grote doel was. Daarmee was deze kans voor het Joodse volk verkeken en gaat de deur open voor de stichting van de Gemeente van Christus.

Dit is een uittreksel van de Verklaring van Mattheüs door Gert A. van de Weerd. Daar wordt de grondtekst diepgaand verantwoord.

Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

Laat een reactie achter

Let op: reacties moeten eerst worden goedgekeurd voordat ze worden gepubliceerd.

Deze site wordt beschermd door hCaptcha en het privacybeleid en de servicevoorwaarden van hCaptcha zijn van toepassing.