📄 Download deze Bijbelverklaring (PDF)
De Verklaring – Mattheüs 11:1-6 Jezus en Johannes de Doper
Vers 2 Op zekere dag hoorde Johannes over de grote daden van de Christus. Hij heeft toen twee van zijn discipelen gezonden om Hem een vraag te stellen:
Koning Herodes Antipas had Johannes de Doper gevangen gezet (Mattheüs 4:12, Markus 6:17) in fort Machaerus bij de Dode Zee. Hij werd aanvankelijk goed behandeld en kon zelfs bezoek ontvangen.
Vers 3 Bent U Degene Die komen zou of moeten we een ander verwachten?
Johannes verwachtte Gods oordeel (Mattheüs 3:10) en daarna het Messiaanse Rijk (Mattheüs 3:2) met Jezus als koning. Dat gebeurde niet en daarom was hij diep gefrustreerd. Hij had publiekelijk de komende koning aangekondigd, had Hem bij het volk geïntroduceerd bij de Jordaan, had gezien dat Gods Geest op Hem nederdaalde. Toen werd hij in de gevangenis gegooid en Jezus had er niets aan gedaan. Nog erger: Zijn Messias deed nauwelijks iets om het aardse koninkrijk te vestigen dat Johannes had verwacht.
Excurs 1: De Vraag van Johannes de Doper
Mensen hebben een vrije keuze: voor of tegen God, voor of tegen Jezus Christus. Die vrije keuze houdt in dat falen altijd op de loer ligt. Dat is hier het geval. Er kwamen wel Joden tot geloof, maar veel te weinig en daarom was het volk het Messiaanse Rijk niet waardig en werd het uitgesteld! Dit falen leidde tot de beslissing om de Gemeente van Christus te stichten – zeg maar Plan B. Romeinen 11:5-8 (NBV21):
5 Zo is ook in deze tijd een rest 1) overgebleven die door Gods genade 2) is uitgekozen 3).
6 Als ze uit genade uitgekozen zijn, dan dus niet op grond van hun daden, want in dat geval zou de genade geen genade meer zijn.
7 Wat betekent dit alles? Wat Israël heeft nagestreefd, heeft het niet bereikt 4); alleen zij die zijn uitgekozen 2) 3) hebben het bereikt. De overigen werden onbuigzaam 5),
8 zoals ook geschreven staat: ‘God heeft hun geest verdoofd, hun ogen blind gemaakt en hun oren doof, tot op de dag van vandaag.’ 6)
1) De rest duidt op die Joden die zich wel bekeerden – een minderheid van het Joodse volk.
2) Doordat het Joodse volk Jezus (als natie) afwees, viel dat volk onder de toorn van God en werd het wederom een bedekking opgelegd. Toch wordt voor die uitgekozen zijn (Messiasbelijdende Joden) een uitzondering gemaakt. Zij ontvangen Gods genade. Dat dus een ‘tijdelijke genade’ die alleen in de begintijd van de Gemeente werkzaam was. Daarna kwamen nog maar zeer weinig Joden tot het geloof in Jezus Christus.
3) Uitgekozen om onderdeel te worden van de Gemeente van Jezus Christus: Zijn lichaam.
4) Israël heeft gefaald. Jezus werd afgewezen. 5) Het Joodse volk. 6) Een verwijzing naar Jesaja 6:9-10:
9 Toen zei Hij: ‘Ga naar dit volk en profeteer het volgende tegen hen: “Luister goed, maar begrijpen zul je het niet; kijk goed, maar inzien zul je het niet.”
10 Maak het hart van het volk ongevoelig, stop hun oren toe, smeer hun ogen dicht. Dan kunnen ze met hun ogen niet zien, met hun oren niet luisteren en met hun hart niet begrijpen. Ze zullen niet naar Mij terugkeren en geen herstel vinden.’
Met deze profetie werd het volk Israël in de oude tijd een bedekking opgelegd, waardoor ze de Thora en de boeken van de profeten niet meer begrepen. God lichtte Zijn plannen ook niet meer toe, want al vierhonderd jaar was er geen profeet meer verschenen. De bedekking was een straf van God voor hun afvalligheid en zonden. Pas met de komst van Jezus Christus werd deze ban doorbroken, want Jezus verklaarde de Heilige Schrift voor het Joodse volk, dus ook de profetieën uit het Oude Testament. Dat betrof de Raad Gods (Zijn plan met Israël en de mensheid). Toen het Joodse volk Jezus afwees werd het ‘kanaal’ waardoor die kennis tot de Joden kwam afgesloten en werd zo de bedekking nogmaals opgelegd. Als Paulus Romeinen 11 optekent, is de ban van Jesaja 6:9-10 weer werkzaam. Paulus licht dat toe in 2 Korintiërs 3:14 (NBV21):
Hun denken verstarde, en dezelfde sluier (de bedekking – Jesaja 6:0-10) ligt tot op de dag van vandaag over het oude verbond wanneer het voorgelezen wordt. Hij wordt alleen in Christus weggenomen.
Romeinen 11:11-12 (NBV21):
11 Maar nu vraag ik weer: ze zijn toch niet gestruikeld om ten val te komen? 7) Dat in geen geval, maar door hun overtreding konden de andere volken worden gered en daarop moesten zij afgunstig worden.
12 Maar als hun overtreding al een rijke gave voor de wereld is en hun falen een rijke gave voor de andere volken, hoeveel rijker zal de gave dan niet zijn wanneer zij voltallig deelnemen. 9)
7) Bedoeld wordt: Het volk zal niet definitief ten val komen. Er komt nog een opwekking.
8) Het is dus de taak van christenen om de Joden afgunstig te maken op het christelijk geloof. Daarin hebben we ernstig gefaald – de christelijke kerk werd hun vijand.
9) Dit voltallig deelnemen duidt op de toekomstige bekering van Israël zoals in Zacharia 12:10-14 voorzegd wordt. Romeinen 11:26 (NBV21) bevestigt dat: Dan zal heel Israël worden gered.
Romeinen 11:25-27 (NBV21):
25 Er is, broeders en zusters, een goddelijk geheim dat ik u niet wil onthouden, omdat ik wil voorkomen dat u op uw eigen inzicht afgaat. Een deel van Israël is onbuigzaam geworden, en dat blijft zo totdat de andere volken voltallig zijn toegetreden 10) (Anderen noemen dat: de volheid der heidenen).
26 Dan zal heel Israël worden gered 11), zoals ook geschreven staat: ‘De redder (Jezus) zal uit Sion komen, en wentelt dan de schuld af van Jakobs nageslacht 11).
27 Dit is mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem.’ 12)
10) Paulus spreekt over de Eindtijd als de Gemeente van Christus compleet is en in de hemel opgenomen wordt. Dat wordt de volheid der heidenen genoemd.
11) Deze tekst leidt tot veel verwarring. Dat komt omdat veel kerkelijke dogma’s een heilrijke toekomst voor Israël uitsluiten. In onze Eindtijdtheologie past het wel, want dan spreekt Paulus over een deel van het volk: de uitverkorenen. Dat is het ware Israël dat het Messiaanse Rijk beërft.
12) Dit vers bevestigt voorgaande verklaring. Want Jezus Christus neemt alleen de zonden van gelovigen weg, niet van ongelovigen. Die worden gestraft.
Vers 4 Toen antwoordde de Heer Jezus hen met de volgende woorden: U bent vertrokken om Johannes te berichten wat u hoort en ziet:
Vers 5 Blinden ontvangen zicht en lammen wandelen rond, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden worden opgewekt en zij die behoeftig zijn ontvangen het evangelie.
Wat bedoelt Jezus? Dit is toch geen antwoord op de vraag van vers 3? Antwoord: Jezus vestigt de aandacht op Zijn persoon (niet op het Messiaanse Rijk dat het Joodse volk als ultieme doel zag). Jezus is hier de centrale figuur en Hij geeft de weg aan die de Raad Gods voorschrijft. Die was anders dan de verwachting van het Joodse volk. De sleutel ligt in de woorden ‘zij die behoeftig zijn’ – mensen die het evangelie van Jezus Christus omarmen en Hem willen volgen. Dat waren er veel te weinig en dat blokkeerde de doorbraak van het Koninkrijk. Johannes was zijn eigen prediking vergeten (Mattheüs 3:2): Kom tot inkeer, want het hoge Hemelse Koninkrijk is nabijgekomen. De ‘nationale inkeer (bekering) van de Joden bleef uit.
Vers 6 Gezegend is eenieder die vanwege Mij niet ten val gebracht wordt.
De uitdrukking ten val gebracht wordt betekent: ‘tot zonde verleid worden’, waardoor mensen ‘struikelen’ op weg naar het Heil. Want Jezus voldeed niet aan de verwachtingen van het Joodse volk (en van Johannes de Doper) – en werd daarom afgewezen. De Joden zagen uit naar de Messias en een Joods Koninkrijk, maar ontkenden de noodzaak tot bekering. Zij wilden een Messiaans Rijk zonder bekering en dat bleek uiteindelijk een heilloze weg, want de opstanden van de eerste en tweede Joodse oorlog brachten alleen maar dood en verderf en zo werd het ganse land verwoest, ja zelfs een verboden gebied voor Joden.
Conclusie: Jezus waarschuwt dat Zijn persoon en optreden niet tot ergernis mag leiden, waardoor iemand Hem om die reden zou afwijzen. Daarom wordt iemand die Jezus wél gelooft, gezegend genoemd.
Mattheüs 11:7-15 Hij Is Elia Die Komen Zou
Vers 7 Toen ze weer vertrokken begon de Heer Jezus de vele aanwezigen meer over Johannes te vertellen: Wat bewoog u om de wildernis in te trekken: Een spectaculair schouwspel? Een rietstaf door een stormwind neergeslagen?
Veel omstanders zullen Johannes in de wildernis bezocht hebben en zijn prediking gehoord. De gevangen- neming van Johannes paste niet in dat plaatje. Jezus geeft daarom een nadere verklaring en zet twee uitersten neer – Een spectaculair schouwspel? Hiermee duidt Jezus op de stichting van het Messiaanse Rijk – dat zou een wereldschokkend gebeuren zijn – maar het gebeurde niet! Een rietstaf door een stormwind neergeslagen? De rietstaf symboliseert het profetisch ambt van Johannes. Echter hij was door Herodes Antipas gevangengezet, waardoor hij zijn taak niet tot het verwachte einde kon brengen. Hij werd zelfs onthoofd (Mattheüs 14:1-12). Deze twee uitersten wekken het juiste contrast tussen de verwachting van het Joodse volk en de praktijk die zich voor hun ogen voltrok. Men was diep teleurgesteld dat het Messiaanse Rijk niet was uitgeroepen en ook dat Jezus geen enkele ambitie toonde dat nog te gaan doen.
Vers 8 Maar wat bewoog u dan echt om te gaan kijken? Een mens die rijk gekleed ging? Besef wel dat zij die kostbare kleding dragen in de huizen van hoge koningen verblijven.
In geval Johannes de Doper het Messiaanse Rijk uitgeroepen zou hebben, was (zo dacht men toen) Jezus beslist een koningsmantel omgehangen. En ook dat gebeurde niet. De uiterlijke tekenen van koningsmacht bleven bij de dictators (Vers 12) in hun paleizen – onderdrukkers in dienst van de gehate Romeinen.
Vers 9 Maar wat bewoog u dan echt om gaan zien? Een profeet? Zonder twijfel! Ik verzeker u: zelfs meer dan een profeet.
Stap voor stap leidt Jezus Zijn gehoor naar de werkelijke taak van Johannes de Doper. Hij was een profeet, en wat doet die? Die leidt het volk terug naar God. De centrale boodschap was (Mattheüs 3:2): Kom tot inkeer, want het hoge Hemelse Koninkrijk is nabijgekomen. Het Koninkrijk was niet de sleutel, maar de bekering. En alleen uit die bekering kon de ‘Goddelijke gift van het Koninkrijk’ ontstaan.
Vers 10 Hij is het immers waarover geschreven staat: Wees alert!, want Ik zend Mijn bode voor U (Jezus) uit. Hij zal de hoge weg banen die voor U ligt.
Jezus citeert hier Maleachi 3:1. Nu blijkt het de gewoonte om in verklaringen alleen maar een verwijzing op te nemen of alleen de tekst van Maleachi 3:1a. Dat is zóó fout, want Maleachi 3:1-5 schetst onthullend de achtergrond van de missie van Johannes de Doper en van Jezus Christus. Daar staat (NBV21):
1 Let op, Ik (de hoge God) zal mijn bode (Johannes) zenden, die voor Mij de weg zal effenen 1). Opeens zal Hij naar zijn tempel komen 2), de Heer (Jezus Christus) naar wie jullie uitzien, de engel van het verbond 3) naar wie jullie verlangen. Komen zal Hij 4) – zegt de HEER van de hemelse machten.
2 Wie zal die dag kunnen doorstaan? Wie zal overeind blijven wanneer Hij (Jezus) verschijnt? Hij is als het vuur van een edelsmid, als het loog van een wolwasser 5).
3 Hij zal zitting houden als iemand die zilver smelt en het zuivert 6); de zonen van Levi zal Hij zuiveren 7) en zeven als goud en zilver, en dan zullen ze op de juiste wijze offergaven brengen aan de HEER.
4 De offers van Juda en Jeruzalem zullen de HEER met vreugde vervullen, zoals in vroeger jaren, zoals in de dagen van weleer 8).
5 Ik zal naar jullie toe komen om recht te spreken, en Ik zal niet aarzelen te getuigen tegen 9) tovenaars en echtbrekers, tegen mensen die meineed plegen en mensen die hun dagloners uitbuiten, en tegen allen die weduwen en wezen onderdrukken en vreemdelingen geen plaats gunnen 10), want geen van allen hebben zij ontzag voor Mij 11) – zegt de HEER van de hemelse machten.
1) De bode is Johannes de Doper en hij baant de weg voor Jezus Christus – duidelijk.
2) Maar hier komen theologen in problemen. Want Jezus kwam niet naar de tempel om het verbond met Israël te hernieuwen. Dat is nooit gebeurd en daarom onvervulde profetie. De tempel is verwoest, echter voor een toekomstige vervulling moet er wel een tempel zijn. Dus moet die nog gebouwd worden.
3) Jezus wordt ook de Engel van de HEER genoemd.
4) Dit is niet de eerste komst van Jezus. Die wordt omschreven als: de weg effenen (Maleachi 3:1a). Hier komt Jezus in de Eindtijd op de Olijfberg (Jeruzalem) weer (Zacharia 14:4) om Zijn taak af te maken. Hij begeeft zich naar de tempel in Jeruzalem en dat luidt de laatste fase van de Grote Verdrukking in, waarna Hij Koning zal worden over het Messiaanse Rijk. Dus, nogmaals, de tempel wordt herbouwd.
5) Vers 2 spreekt in heel duidelijke termen over de Grote Verdrukking als de oordelen van de hoge God over de aarde gaan en alle satanische machten vernietigd worden.
6) Dit wijst op de zuivering van het volk Israël. Alleen gelovigen zullen het Messiaanse Rijk mogen betreden.
7) De priesterdienst in de tempel wordt hervat. De priesters zelf gezuiverd van ongelovigen.
8) De offerdienst in de nieuwgebouwde tempel wordt hervat.
9) God getuigt niet zelf tegen overtreders. Dat doet de hoge Wet die dan voor de gehele aarde geldt.
10) Deze beschrijving past alleen in het Messiaanse Rijk als de gehele wereld onder de Wet van God valt.
11) Er staat in de grondtekst: en Mij niet vrezen. De zin geeft een samenvatting van de genoemde overtreders van de Wet en hun motivatie als het Messiaanse Rijk reeds gesticht is.
Conclusie: Het is dus geen toeval dat in commentaren Maleachi 3:1b-5 vaak genegeerd wordt, want die
verzen passen niet in de traditionele dogmatiek. Het is namelijk een getuigenis over de Goddelijke opdracht aan Johannes de Doper en Jezus Christus: Dat is: bekering én vestiging van het Messiaanse Rijk. Dat had moeten gebeuren in de tijd van Jezus, maar werd uitgesteld door ongeloof van het Joodse volk. Daarmee verloor dat volk de status van ‘heilsdrager’. Die ging over naar de Gemeente van Christus. Worden zo alle beloften over een gezegende toekomst van Israël waardeloos? Natuurlijk niet, God is betrouwbaar. Dat gaat nog gebeuren nadat de Gemeente deze aarde verlaten heeft (= de Opname). Dat is ‘Goddelijke Logica’ want er kunnen geen twee heilsdragers tegelijk op aarde zijn. Zolang de Gemeente op aarde is, wordt de weg naar het Messiaanse Rijk geblokkeerd en kan een Jood dat heil alleen in de Gemeente vinden.
Een Bekend Thema: De wederkomst van Johannes de Doper is een bekend thema in de Bijbel. Naast
Maleachi 3 en 4 spreekt Jesaja 40:3 erover, waar Mattheüs 3:3 naar verwijst en Johannes 1:23.
Vers 11 Ik verzeker u: Onder allen die uit een vrouw geboren zijn, is nooit iemand opgestaan die zo groot was als Johannes de Doper. Toch is de kleinste in het hoge Hemelse Koninkrijk even groot als hij.
Jezus Christus is de belangrijkste mens op aarde. Dus is Zijn wegbereider – Johannes de Doper – de tweede in belangrijkheid; groter zelfs dan Mozes en Elia. Vers 11 getuigt dat in het Messiaanse Rijk iedereen gelijkwaardig is. Dan is er geen sprake meer van ‘neerkijken op’, dus van discriminatie. Geldt dat alleen het aardse Koninkrijk? Neen ook de Gemeente. Ook daar geldt dat iedereen gelijkwaardig is. Het Koninkrijk van de Gemeente van Christus ligt echter in de hemel, zoals Johannes 18:36 (NBV21) bevestigt:
Jezus antwoordde: ‘Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als mijn koningschap bij deze wereld hoorde, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben om te voorkomen dat Ik aan de Joden werd uitgeleverd. Maar mijn koninkrijk is niet van hier.’ De laatste woorden zijn fout vertaald. Er staat: Nu (= heden) echter is Mijn Koninkrijk niet meer van hier. De heilsweg is veranderd!
Vers 12 Sinds al de dagen van Johannes de Doper tot op heden ondergaat het hoge Koninkrijk van de Hemel geweld en dictators eigenen het zich gewelddadig toe.
Het resultaat van de inspanningen van Johannes de Doper en Jezus Christus is niet positief. Want dan had Jezus zoiets moeten zeggen als ‘en het gehele land bekeerde zich en riep de hoge God aan’. Daarentegen verklaart Jezus dat het Koninkrijk door geweld getroffen wordt en door dictators is toegeëigend. Welnu dat klopte precies, want het land Kanaän werd niet bevrijd. De Joden zuchtten onder het juk van de Romeinen en hun dictators (zoals Herodes Antipas, Herodes Archelaüs, Herodes Agrippa 1 en 2) beschouwden Judea en Galilea als een persoonlijk wingewest en roofden het leeg.
Vers 13 Want al de hoge profeten en de Wet tot Johannes toe hebben daarover geprofeteerd.
Vers 14 En als het uw verlangen is om hem te verwelkomen: Hij is Elia die komen zou.
Jezus doet een (laatste?) oproep tot de omstanders (het Joodse volk) om dat ‘uitzien naar Elia’ vast te houden. Daarmee rijst de vraag: Maar wat kwam Elia dan doen? Maleachi 3:22-24 (NBV21) getuigt (in andere vertalingen Maleachi 4:4-6):
22 Houd je aan het onderricht van Mozes, mijn dienaar, aan wie Ik op de Horeb wetten en geboden heb gegeven die gelden voor heel Israël (de Thora).
23 Voordat de dag van de HEER aanbreekt die groot is en ontzagwekkend 1), stuur Ik jullie de profeet Elia 2)
24 en hij zal ervoor zorgen dat ouders zich verzoenen met hun kinderen en kinderen zich verzoenen met hun ouders 3). Anders zou Ik het land volledig moeten vernietigen 4).
1) De grote oordelen van de Hoge God over deze aarde, zoals die in de Grote Verdrukking vallen.
2) De profeet Elia is nooit gestorven. Hij komt terug en dat profeteert Jezus in Mattheüs 17:11-12.
3) Elia komt weder tijdens de Grote Verdrukking (de twee getuigen – Openbaring 11). Hij zal samen met Mozes het evangelie van liefde en genade verkondigen in een satanische wereld en zo (voor hen die dat willen aannemen) mensen met elkaar verzoenen.
4) Dit duidt op de oordelen van God die de wereld ‘bijna’ zullen vernietigen.
Nog eens Vers 14 en Vers 15
14 En als het uw verlangen is om hem te verwelkomen: Hij is Elia die komen zou.
15 Laat eenieder die oren heeft dit ter harte nemen.
Het verwelkomen wijst natuurlijk op het aanvaarden van de boodschap die Johannes de Doper predikte. Er is dus nog een kans om het Koninkrijk in Jezus’ tijd te verwerven, mits het Joodse volk zich bekeert. Die ‘laatste kans’ wordt verwoord in vers 15. Want alleen in een nationale bekering ligt de sleutel tot het Messiaanse Rijk. Het mocht niet baten zo weten we heden. Het Joodse volk wees Jezus af en daarmee raakte het Messiaanse Rijk voor vele eeuwen uit zicht. Pas in de Eindtijd zal dat Rijk er toch nog komen.
Excurs 2: De Profetie Over Elia in Maleachi
De profetie van Maleachi 3 en 4 was in Judea en Galilea algemeen bekend. Het was een geliefd manifest dat de restauratie van het rijk van Israël aankondigde, zoals eens onder de koningen David en Salomo bestaan had. De terugkeer van de profeet Elia was daarvan het sein dat het zover was.
Elia Die Komen Zou: Betekent Vers 14 dat met Johannes de Doper Elia is gekomen? Neen, hij had het kunnen zijn indien het Joodse volk zich bekeerd had. Elia komt nog; Handelingen 3:19-21 (NBV21):
19 Kom tot inkeer, keer terug naar God om vergeving te krijgen voor uw zonden.
20 Dan zal de Heer een tijd van rust doen aanbreken en zal Hij de messias zenden die Hij voor u bestemd heeft. Dat is Jezus,
21 die in de hemel moest worden opgenomen tot de tijd aanbreekt waarover God van oudsher bij monde van zijn heilige profeten heeft gesproken en waarin alles zal worden hersteld.
Tweede aanwijzing is de komst van de twee getuigen (Openbaring 11:1-14). Dat zijn Mozes en Elia, zoals uit hun daden blijkt. De verheerlijking op de berg verwijst daar eveneens naar (Mattheüs 17:1-8, Markus 9:2-8, Lukas 9:28-36). De derde is Maleachi 4:5. Daar wordt gezegd dat Elia wederkomt voordat de dag van de HEERE komt, die grote en ontzagwekkende dag. Dat duidt op de oordelen van de hoge God in de Grote Verdrukking en dat is heden nog onvervulde profetie. Een vierde is Lukas 9:30b-31 (NBV21) C):
Het waren Mozes en Elia, die in hemelse luister verschenen waren. Zij spraken over zijn heengaan (en) de weg die Hij in Jeruzalem zou voltooien.
Ze spraken dus over twee onderwerpen: A) Over Zijn dood en opstanding en B) over het volbrengen van Zijn taak in Jeruzalem en dat kan niet anders dan Zijn verheffing tot Koning over het Messiaanse Rijk zijn.
Elia de Tisbiet: Over hem is wel wat meer te zeggen. We citeren Maleachi 4:5-6 (HSV):
5 Zie, Ik zend tot u de profeet Elia, voordat de dag van de HEERE komt A), die grote en ontzagwekkende dag A).
6 Hij zal het hart van de vaders tot de kinderen terugbrengen, en het hart van de kinderen tot hun vaders B), opdat Ik niet zal komen en de aarde met de ban zal slaan C).
Ook Jezus Christus spreekt over de wederkomst van Elia; Mattheüs 17:10-13 (HSV):
10 En Zijn discipelen vroegen Hem: Waarom zeggen de schriftgeleerden dan dat Elia eerst moet komen? E)
11 Jezus antwoordde en zei tegen hen: Elia zal wel eerst komen en alles herstellen F).
12 Ik zeg u echter dat Elia al gekomen is G), en ze hebben hem niet erkend, maar ze hebben met hem gedaan alles wat ze wilden; zo zal ook de Zoon des mensen door hen lijden.
13 Toen begrepen de discipelen dat Hij tot hen over Johannes de Doper gesproken had H).
A) Als de oordelen van God op de aarde neerdalen = de tweede helft van de Grote Verdrukking.
B) In een verdorven wereld, waaruit alle liefde verdwenen is, brengen zij hoop. Wie hen aanhoort en gelooft, vindt de weg naar de liefde terug D).
C) Algemeen wordt dat als een uitdrukking van totale uitroeiing gezien.
E) Onder gelovige Joden wordt de wederkomst van Elia verwacht als de Eindtijd is aangebroken. Dit geloof heeft tot op de huidige dag standgehouden.
F) Of: tot algeheel herstel leiden, wat beter de bedoeling van de profetie weergeeft. Deze zin staat in de toekomende tijd, terwijl Johannes toen al onthoofd was. Elia moet dus nog komen.
G) Er staat: ēdē (al of reeds) ēlthen (Aoristus = zijnde gekomen). Dat is: reeds gekomen was. Het had dus kúnnen gebeuren. Wellicht moeten we vertalen: dat Elia al had kunnen komen.
H) Of Johannes de Doper Elia had kunnen zijn of dat Elia dan in zijn plaats gekomen was, weten we niet.
Mattheüs 17:12 – Ze Hebben Hem Niet Erkend: Onder orthodoxe Joden wordt de verwachting van de wederkomst van Elia, als wegbereider van de Messias, tegenwoordig breed gedragen. Op seideravond (Pascha) worden twee grote bekers met wijn gevuld. De ene neemt het hoofd van de familie in de hand en hij spreekt een gebed uit (beracha genoemd). Daarna geeft hij de beker aan iedereen die aanzit aan de tafel. Dan brengt hij het ongezuurde brood op tafel, verdeelt dat in stukken en geeft dat aan de aanwezigen.
De tweede beker wijn wordt Elia’s beker genoemd. Die blijft staan en wordt niet opgedronken. De deur van het huis wordt geopend en een plechtige verwachtingsvolle pauze volgt. Op dat moment hopen Joden dat Elia binnentreedt om de vreugdevolle boodschap te brengen dat de Messias eraan komt. Het is deze gewoonte die pas in de diaspora tot ontwikkeling is gekomen die ons te denken geeft. Wellicht wordt de rol van de profeet Elia nu wel erkend en mogen we daarin een teken zien dat de Eindtijd nabij is.
De Verklaring – Mattheüs 11:16-24 Strafrede Tegen Tijdgenoten
Vers 16 Waarmee zal Ik dan de huidige generatie vergelijken? Het is alsof kleine kinderen die op
de marktpleinen rondhangen hun metgezellen toeroepen met de woorden:
Vers 17 Wij speelden op uw fluiten, toch dansten jullie niet. Wij zongen klaagliederen, toch hebben jullie niet gerouwd.
Jezus verwijst naar populaire kinderspelletjes als ‘bruiloftje spelen’ en ‘begrafenis’. Dat waren grote evenementen die veel indruk op kinderen maakten. Jezus schetst een raar fenomeen. De ene groep kinderen speelt bruiloftsmuziek maar een andere groep (metgezellen) weigert te dansen. De ene groep zingt klaagliederen, maar de andere groep weigert te rouwen. De tweede groep is dus steeds ‘spelbreker’. Wat heeft ons dat te zeggen? Ongetwijfeld wijst Jezus erop dat er iets schort aan het Joodse volk. Want dat beantwoordt niet aan de prediking van Jezus en Johannes de Doper. Jezus en Johannes hebben op de fluit gespeeld (het evangelie verkondigd) en klaagliederen gezongen (hun zonden aan de kaak gesteld), maar de gewenste reactie bleef uit. Het volk heeft niet gedanst (dat de Messias gekomen was) en niet gerouwd (zonden beleden en zich bekeerd). Hoewel ze Johannes eerst hoog hadden vereerd vanwege zijn diep-ernstig en indrukwekkend optreden, al spoedig was, gelijk bij de kinderen, de ‘aardigheid ‘ er af.
Vers 18 Want Johannes is gekomen, hij onthield zich van eten en drinken. Toen beweerde men: Hij is door een demon bezeten.
Johannes de Doper leefde ascetisch en dat uitte zich in eenvoudige kleding en het karige voedsel dat hij at. Hij voedde zich met sprinkhanen en wilde honing (Mattheüs 3:4) en beantwoordde zo aan het beeld dan men in die dagen van een ware profeet had. Aanvankelijk was Johannes de Doper heel populair onder de bevolking, maar toen verdere daden om het Koninkrijk te verwerven uitbleven (Johannes legde de nadruk op de roep tot bekering) en ook Jezus geen stappen in die richting zette, nam de kritiek toe. En sommigen beschuldigden Johannes ervan door een demon bezeten te zijn.
Vers 19A Dé Zoon des Mensen is gekomen. Hij eet en drinkt wel en nu zeggen ze: Ziedaar, een man die overdadig eet en een wijnliefhebber is, een vriend van tollenaars en zondaars.
De levenswijze van Jezus leek in het geheel niet op die van Johannes de Doper. Jezus genoot van lekker eten en waardeerde goede wijn (Johannes 2:1-12). Die levenswijze wordt tegen de ascetische Johannes gezet. In de volksmond (de beeldvorming) schoot Jezus (ook een profeet) dus te kort. Dat Hij ook nog eens omging met verachte tollenaars en zondaars, versterkte dat beeld nog eens.
Vers 19B Zo werd die wijsheid tegenover (deze generatie van) haar kinderen gerechtvaardigd.
Dit vers geeft de heersende meningen onder het volk weer. De woorden wijsheid en gerechtvaardigd dragen niet de standaardbetekenis, maar zijn sarcastisch bedoeld. Ze vertolken: ‘zo ontspoorde de mening van het volk’. Daarin wordt een kentering in de houding van het Joodse volk tot Johannes de Doper en Jezus verwoord. Hun populariteit begint te wankelen, wat in vers 20 bevestigd wordt.
Vers 20 In die tijd begon Jezus de steden waar de meeste van Zijn wonderen verricht waren, te verwijten dat zij zich niet hadden bekeerd.
Vers 21 Wee u, Chorazin! Wee u, Betsaïda! Want als in Tyrus en Sidon al de wonderen waren verricht die in u plaatsgevonden hebben, dan zouden zij zich lang geleden al in zak en as bekeerd hebben.
In dit vers 20 en 21neem Jezus afstand van de streek waar Hij voornamelijk had gearbeid. Kafarnaüm (vers 23) lag ten westen van de monding van de Jordaan, aan de noordwestelijke oever van het meer. Chorazin was een kleine stad enige kilometers noordelijk van Kafarnaüm. Betsaïda lag aan de noordelijke oever van het Meer van Galilea, ten oosten van de monding van de Jordaan.
De vergelijking met Tyrus en Sidon is sprekend. Want dat waren steden die bekend stonden om hun zondige staat en daarom werd het oordeel erover uitgesproken (Amos 1:9 en Jesaja 23). De uitspraak van Jezus doet ook denken aan Ninevé, de goddeloze hoofdstad van het Assyrische Rijk. Echter daar kwamen de inwoners wel tot bekering (Jona 3 en Mattheüs 12:38-41).
Vers 22 Doch Ik zeg u dat het voor Tyrus en Sidon draaglijker zal zijn in het oordeel dan voor u.
Dit is een snoeiharde veroordeling van Chorazin en Betsaïda – maar waarom zo hard? Omdat Jezus zelf in die steden (u) meermalen gepredikt had en vele wonderen gedaan. En ook omdat de inwoners van Chorazin en Betsaïda kennis hadden van de komende Messias en Zijn heraut Johannes de Doper. En voor allen die kennis hebben van het evangelie is de afwijzing van Jezus Christus een grote zonde.
Het oordeel duidt niet op het eind der tijden en de Grote Witte Troon (Openbaring 20:11-15). Dat betreft individuen. Hier wordt op een aards oordeel over Chorazin en Betsaïda gesproken en die treft gelovigen en ongelovigen. Want na de twee Joodse oorlogen (66-70 en 132-136 na Chr.) was er niets meer van de genoemde steden over dan wat desolate ruïnes en woonden er vrijwel geen Joden meer in die landstreek.
Vers 23 En gij, Kafarnaüm, die tot in de hoge hemel verheerlijkt werd, tot in het dodenrijk zult u neergestoten worden. Want als in Sodom de grote krachten waren verricht die in u zijn geschied, dan was het tot op de huidige dag blijven bestaan.
Vers 24 Doch Ik verzeker jullie dat het voor Sodom draaglijker zal zijn op de dag van het oordeel dan voor u (Kafarnaüm).
Kafarnaüm was de woonplaats van Jezus. Door Zijn aanwezigheid had de stad hoge eer ontvangen (die tot in de hoge hemel verheerlijkt werd). Evenals over Chorazin en Betsaïda wordt het oordeel over deze stad uitgesproken. Ook Kafarnaüm zal in de Joodse oorlogen vernietigd worden en haar bewoners gedood (in het dodenrijk zult u neergestoten worden). Sodom werd verwoest en dat was ook het lot van Kafarnaüm.
Wat betekent: draaglijker? Dat duidt op het oordeel voor de Grote Witte Troon (Openbaring 20:11-15). Dat betreft eenieder die niet in het Boek des Levens staat geschreven. Over hun lot getuigt de Heilige Schrift: Wie niet in het boek van het leven bleek te staan werd in de vuurpoel gegooid (Openbaring 20:15 NBV21) – dat is de tweede dood, de dood van de ziel.
Vóór dat fatale moment worden de veroordeelde zondaars geconfronteerd met het ‘gewogen gewicht’ van hun zonden, want die zonden komen in het onbarmhartige licht van de gerechtigheid van God te staan – Ach wie kan dan bestaan? (Psalm 130:2 berijmd). Niemand immers, want het is dan te laat voor vergeving! En dat zal tot kwellend zelfverwijt lijden, erger dan wij ons zelfs kunnen voorstellen, zelfs bij hen die zich overgeleverd hebben aan Satan en het kwaad bewust omarmd hebben.
De mate waarin die kwelling wordt ondergaan is aan gradaties onderhevig. Het zal voor de één draaglijker zijn dan voor de ander. Dat duidt niet op gradaties in de door de hoge God op te leggen straffen, maar op het feit dat het bedreven kwaad de gerechtigheid van God ontmoet. Hoe groter het kwaad dat bedreven is, des te heftiger de kwelling. De dader zelf zorgt dus voor die ‘gradaties’.
De Verklaring – Mattheüs 11:25-27 Keerpunt in de Raad Gods
Vers 25 Over die bijzondere tijd deed de Heer Jezus een uitspraak. Hij heeft toen gezegd: Ik belijd U, Vader, Heer van de hoge hemel en de gehele aarde dat U deze dingen verborgen hebt voor wijzen en geleerden, maar ze aan eenvoudige mensen hebt geopenbaard.
Jezus heeft in voorgaande verzen duidelijk uitgelegd dat het Joodse volk niet tot bekering was gekomen. Daarmee ging de deur naar het Messiaanse Rijk dicht en gloort een nieuw heil: de Gemeente van Christus. Dat was een verborgen heilsweg – een geheimenis (Efeziërs 3:4-6 en Kolossenzen 1:24-29). Vandaar dat die weg aan de wijzen en geleerden van die tijd (Farizeeën, Schriftgeleerden) onbekend was.
Waarom was die dan wél bekend aan eenvoudige mensen? Omdat die niet door een foute dogmatiek op het verkeerde been werden gezet en omdat zij Jezus Christus aanvaardden zoals Hij zich presenteerde, zonder allerlei theologische voetangels en klemmen. De wijzen en geleerden (Farizeeën en Schriftgeleerden) lieten zich leiden door hun eigen theologie; de eenvoudige mensen door hun hart.
Vers 26 Ja Vader, dat het aldus instemming heeft verworven voor Uw aangezicht.
Die instemming betekent dat de wissel van de Raad Gods nu omgaat. Dat het Messiaanse Rijk uit zicht raakt en de eerste contouren van de Gemeente van Christus zich aftekenen (Mattheüs 22:1-14).
Vers 27A Alles is Mij overgedragen door Mijn Vader.
In lijn met voorgaande verklaringen wordt Jezus Christus nu door de hoge God de ‘touwtjes in handen gegeven’ om leiding te geven aan de nieuwe route van de Raad Gods. In feite wordt Hij hier dus (indirect) tot Heer van Zijn Gemeente uitgeroepen. Dat is een fundamentele wending in de Raad Gods, echter wel een noodzakelijke, want het Joodse volk had door hun ongeloof de Messias afgewezen. Die wending van de Raad Gods wordt door Jezus verwoord in Mattheüs 21:42-43 (NBV21):
42 Jezus zei tegen hen: ‘Hebt u dit nooit in de Schriften gelezen: “De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden 1). Dankzij de Heer 2) is dit gebeurd, wonderbaarlijk is het om te zien.”
43 Daarom zeg Ik u: het koninkrijk van God 3) zal u worden ontnomen, en gegeven worden aan een volk 4) dat het wel vrucht laat dragen.
1) Een citaat uit Psalm 118:22-23. Petrus haalt deze tekst ook aan in zijn toespraak na de uitstorting van de Heilige Geest (Handelingen 4:11) en in 1 Petrus 2:7.
2) Grondtekst kuriou. Jezus spreekt dus doelt Hij op de hoge God.
3) Dit koninkrijk was oorspronkelijk het Messiaanse Rijk op aarde.
4) Dat volk is de Gemeente van Christus. Echter het aardse Koninkrijk is bestemd voor het volk Israël – er kunnen namelijk geen twee Koninkrijken van deze aard tegelijkertijd op aarde bestaan. Daarom ligt het Koninkrijk van de Gemeente in de hemel (het Vaderhuis genoemd), zoals Johannes 14:2-3 getuigt (NBV21):
In het huis van mijn Vader zijn veel kamers; zou Ik anders gezegd hebben dat Ik een plaats voor jullie gereed zal maken? Wanneer Ik een plaats voor jullie gereedgemaakt heb, kom Ik terug. Dan zal Ik jullie met me meenemen, en dan zullen jullie zijn waar Ik ben.
Vers 27B Niemand begrijpt de Zoon zo goed als alleen de Vader. Noch is er iemand, behalve de Zoon, die de Vader echt begrijpt – Die, als Hij dat besluit, de Zoon Zijn wil doet openbaren.
In prachtige bewoordingen onderwerpt Jezus (de Zoon) zich aan Zijn Vader en buigt Zich voor Zijn wilsbeschikking – dus de keuze om Zich af te wenden van het Joodse volk en de Gemeente van Christus te stichten. Je mag je afvragen of die wending in de Raad Gods voor Jezus Christus als een teleurstelling is ervaren. Hij zou immers Koning worden over het Messiaanse Rijk en dat raakt nu voor vele eeuwen uit het zicht. Tot op heden is die belofte nog onvervulde profetie. Het sleutelwoord hier is epiginōskō. Dat betekent: begrip hebben voor, dankzij inzicht zoals zo duidelijk blijkt uit 1 Korintiërs 13:12 (NBV21):
Nu zien we nog maar een afspiegeling, een raadselachtig beeld, maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben.
Dit volledig kennen is tevens een erkennen, dus een instemmen met de beslissing van de hoge God. Die beslissing wordt ingegeven door de Wet die God zelf heeft ingesteld, want Hij is Zichzelf tot Wet. En die Wet eist verootmoediging en bekering voordat de hoge God het volk Israël de zegen van het Messiaanse Rijk kan toekennen. Dat is een beslissing die Hem pijn moet hebben gedaan, want God heeft Zijn volk lief.
De Verklaring – Mattheüs 11:28-30 Eerste Uitnodiging van Jezus aan ‘Allen’
Vers 28 Komt allen tot Mij die vermoeid en belast zijn en Ik zal u rust geven.
Met voorgaande verklaringen gaat de deur van het heil ook naar de heidenen (alle volken van de wereld én bekeerde Joden/Israëlieten) open. Vandaar de uitnodiging van Jezus aan allen (= alle mensen). Het is de eerste uitnodiging van Jezus in dit kader, want de belofte is veranderd. Jezus Christus spreekt vanaf dit moment niet meer over het Koninkrijk op aarde, maar over persoonlijke bekering, zegen en heiliging die tot een hemelse bestemming leidt: dat is de Zaligheid. Daarmee is de eerste aanzet tot de stichting van de Gemeente van Christus gegeven. Het Messiaanse Rijk verdwijnt voor lange tijd uit zicht. De Raad Gods slaat een alternatieve weg in. Niet het aardse koninkrijk is nu het doel, maar de verenigingen met Jezus Christus; eerst door één te worden met Zijn lichaam en uiteindelijk door de Opname.
die vermoeid en belast zijn: In eerste instantie wijzen deze woorden op de ware gelovigen in die tijd. Zij leefden onder een vazalregering van Rome die het Joodse volk zwaar onderdrukte. De komst van de Messias en het uitzicht op het Messiaanse Rijk waren voor hen de wenkende panorama’s die het leven toen nog draaglijk maakte. Nu die horizon verdwijnt, is daar nog steeds de Christus. Nu niet meer als de geprofeteerde Koning van het Messiaanse Rijk, maar als een geestelijk rustpunt. Want in de vereniging met Hem ontstaat een ‘hoger leven’ dat zich onttrekt aan de sores van alledag – dan zijn we geborgen in Hem. In dat kader is een kerkgemeente niet alleen een tempel om God te dienen. Het is ook een toevluchtsoord. Dat aspect – een open en gastvrij kerkgebouw – hebben de Rooms-katholieken misschien wel beter begrepen dan de protestanten.
Vers 29 Neem toch Mijn juk op en leer van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart. Dan zult u rust vinden voor uw zielen.
De Christuskoning verdwijnt uit zicht en de lijdende Knecht van de HEER komt ervoor in de plaats. Die belooft: rust voor uw zielen. Dat betreft geen aardse bestemming – ware gelovigen proeven slechts de ‘voorsmaak’ –, maar ten diepste een hemelse, als gelovigen hun aardse lichaam hebben afgelegd en van de hoge God een onvergankelijk lichaam hebben ontvangen. De apostel Paulus legt dat helder uit in 1 Korintiërs 15:32-37 (NBV21):
52 in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, wanneer de bazuin het einde inluidt. Wanneer de bazuin weerklinkt, zullen de doden worden opgewekt met een onvergankelijk lichaam en zullen ook wij veranderen.
53 Want het vergankelijke lichaam moet worden bekleed met het onvergankelijke, het sterfelijke lichaam met het onsterfelijke.
54 En wanneer dit vergankelijke lichaam is bekleed met het onvergankelijke, dit sterfelijke met het onsterfelijke, zal wat geschreven staat in vervulling gaan: ‘De dood is verslonden en overwonnen.
55 Dood, waar is je overwinning? Dood, waar is je angel?’
56 De angel van de dood is de zonde, en de zonde ontleent haar macht aan de wet.
57 Maar laten we God danken, die ons de overwinning geeft door onze Heer Jezus Christus.
Vers 30 Want Mijn juk is u tot heil en Mijn last is licht.
Dat juk is om, tegen de algemene trend van de wereld in, toch Jezus te volgen. Indien we dat doen, is die last licht, omdat die mede gedragen wordt door Jezus Christus. In Hem wordt zo deze inspanning verzacht en die leidt ons naar het Vaderhuis.
Dit is een uittreksel van de Verklaring van Mattheüs door Gert A. van de Weerd. Daar wordt de in deze studie gebruikte grondtekst diepgaand verantwoord.
Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

