📄 Download deze Bijbelverklaring (PDF)
Mattheüs 12 – De Verklaring
De volksgunst begint zich tegen Jezus te keren. De Joden zagen uit naar een Messiasgeneraal die het volk zou verenigen tegen de Romeinen en het land zou bevrijden. Jezus gaf geen enkel teken dat Hij dat van plan was. Ook werd zijn oproep ‘bekeert u’ niet begrepen. Zij waren toch het uitverkoren volk? Bekeren was iets voor heidenen. De Farizeeën hebben de veranderende stemming goed aangevoeld. Aanvankelijk waren ze voorzichtig in hun kritiek – Jezus was immers heel populair. Nu durven ze Hem harder aan te pakken.
Mattheüs 12:1-9 Aren Plukken op de Sabbat
Vers 1 Juist in die periode was de Heer Jezus gewoon om op sabbatsdagen door de korenvelden te trekken. Zijn discipelen echter hadden honger gekregen en begonnen aren te plukken en die op te eten.
Vers 2 Maar de Farizeeën die dat gezien hadden, spraken Jezus aan en zeiden: Zie toch! Al Uw discipelen doen iets wat onwettig is op Sabbat.
Aren plukken werd als werk gezien en dat was verboden op Sabbat. Stond dat in de Wet? Neen! Farizeeën en Schriftgeleerden hadden op basis van Exodus 35:1 liefst 39 verboden opgetekend die elk weer in allerlei ondersoorten verdeeld werden. Die aanvullende regels noemt men: De mondelinge Thora.
Excurs 1: De Sabbat en de Wet
De Sabbat is een rustdag op de zevende dag van de week en begint op vrijdagavond na zonsondergang en eindigt op zaterdagavond als er drie sterren aan de hemel te zien zijn. De Sabbat staat in het teken van de liefde van God voor Zijn volk. Het is ook de dag waarop Gods volk die liefde beantwoordt. Daarom wordt de Sabbat geopend met: Baruch Hashem Adonai (Gezegend zij de Naam van de Heer).
De Thora/Wet: De Farizeeën hadden de wet aangevuld met allerlei voorschriften die de Sabbat tot in detail regelden. Die mondelinge wet kent verschillende interpretaties. De school van Hillel is gematigd of liberaal. Die van Sjammai is orthodox en uit die school is het farizeïsme voortgekomen. Volgde Jezus één van deze scholen? Neen, Hij interpreteerde de Wet Zelf, want als Rabbi met Semikhah was Hij de hoogste autoriteit. Hij mocht afwijkende standpunten verkondigen, mits die vanuit de Tenach (Oude Testament) onderbouwd werden. Echter dat deed Hij niet altijd en zo was er frictie ontstaan met de Farizeeën. Jezus’ voortdurende aanklachten aan hun adres deed de rest. Het optreden van Jezus suggereerde dat Hij de enige autoriteit was om de Thora uit te leggen. Voor christenen een vanzelfsprekendheid, voor Farizeeën een gruwel. In de komende verzen maakt Jezus duidelijk dat het niet om de letter maar om de geest van de wet gaat, want de letter doodt, maar de Geest maakt levend (2 Korintiërs 3:6). Daarin is het woord ‘billijkheid’ leidraad.
Vers 3 Hij echter diende hen van repliek en zei: Hebt u niet gelezen wat deed David toen hijzelf en zijn metgezellen honger hadden?
Vers 4 Ging hij niet het Huis van de hoge God binnen? At hij niet van de heilige toonbroden en was het niet onwettig voor hem om daarvan te eten, noch toegestaan voor zijn metgezellen, behalve door de dienstdoende priesters alleen?
De verhouding tussen geest en letter van de wet schets Jezus aan de hand van 1 Samuël 21:2-7. Daar lezen we over de vlucht van David en getrouwen voor koning Saul. Ze komen hongerig in de stad Nob aan en gaan de Tabernakel binnen waar priester Achimelech aan het werk is. David dist een verhaal op dat hij een opdracht van koning Saul uitvoert en voedsel nodig heeft. Hij beweert ook dat hij en zijn mannen enige tijd geen omgang met vrouwen hebben gehad en rein zijn (daarom mochten ze het Heilige van de Tabernakel binnengaan). Achimelech geeft David dan de heilige toonbroden. We constateren hier vijf overtredingen:
1. Het was Sabbat dus waren David en zijn mannen in overtreding, want zij hadden een lange reis gemaakt.
2. David vertelt een leugen om zo de hulp van de priester te verkrijgen.
3. Hij beweert dat hij en zijn mannen rein zijn (geen omgang met vrouwen hebben gehad).
4. David dringt het Heilige van de Tabernakel binnen, wat hem verboden was.
5. Hij en zijn metgezellen eten van de heilige toonbroden.
Vers 5 Hebt u dan niet in de Wet gelezen dat, voor wat betreft de Sabbat, de dienstdoende priesters in de Tempel die de Sabbat ontheiligen toch onschuldig zijn?
Jezus beoordeelt de daden van David als overtredingen van gering belang. In wezen zondigen de priesters ook door te werken (ontheiligen), maar ze worden onschuldig verklaard omdat ze God dienen. Jezus zegt dus dat David in zijn handelen ook God diende en daarom onschuldig verklaard wordt. Hoe kan dat? – Antwoord: God had David aangewezen als koning over Israël én als voorvader van Jezus. Zijn leven was in gevaar en daarmee de uitvoering van de Raad Gods. Die dreiging is van een hogere orde (vers 6) dan de dorre interpretaties van de Farizeeën. Geldt de uitzonderingspositie ook voor Jezus en Zijn discipelen? – Juist voor hen! Want Jezus voert de Raad Gods uit. Zijn taak en die van Zijn discipelen is daarom van een hogere orde dan de dorre regels van de Farizeeën. Dat was een revolutie die bruut inbrak op hun dogmatische kijk op de Wet!
Vers 6 Echter Ik verzeker u dat de ware Tempel van een hogere orde is dan de huidige.
Die hogere orde wordt vervuld in de toekomstige ware Tempel in het Messiaanse Rijk. Want dan gaat de hoge God weer in de tempel wonen en dan zal Hij gediend worden zoals Hij dat verlangt. Dit vers bestempelt de toenmalige tempel als de mindere van de toekomstige tempel. Dat zit ‘m in twee gebreken.
1. Deze tempel miste de ware kroon – de hoge God woonde er niet, zoals wel in de tempel van Salomo.
2. Israël was een vazalstaat van het Romeinse Rijk. Het ‘Rijk van God’ was bezet gebied geworden.
Vers 7 Indien u echter had geleerd wat dit betekent: Ik verlang barmhartigheid en geen offerande, dan zou u wellicht geen onschuldigen hebben veroordeeld.
Het woord barmhartigheid is een variant op het liefdegebod. De Wet brengt de liefde van de hoge God voor de mens in beeld en roept ons op om die liefde te beantwoorden én de naaste lief te hebben. De Farizeeën opereerden dogmatisch echter aan de andere kant. Zij dachten God te dienen door goede werken uit plicht, dus zonder liefde. Dat was een ‘afvinken’ van een lijst die ze zelf hadden opgesteld. Zo konden ze zich onderscheiden van het gewone volk (dat de Wet niet kent – zoals ze plachten te zeggen).
Waren offers dan fout? Natuurlijk niet. Het gaat om het waarom! Worden die gebracht uit liefde tot God of om aan het lijstje van eigen prestaties toe te voegen? Welnu dat stelt Jezus aan de kaak.
Vers 8 Want de Zoon des Mensen is Heer, ook over de Sabbat.
Vers 9 Toen ging Hij vandaar weg, hun eigen synagoge binnen.
Met vers 8 tart Jezus de Farizeeën tot het uiterste. Waren voorgaande verzen al een oorlogsverklaring, dit vers doet daar nog een schepje bovenop. Want Jezus claimt Goddelijke macht en noemt Zich Zoon des Mensen en de Messias. Echter de Farizeeën erkenden geen Messias die macht had over de Sabbat. Dat (zo vonden zij) had alleen de hoge God. Voor hen is dit pure Godslastering; voor Jezus Christus een terechte openbaring van Zijn status en missie. Jezus gunt de Farizeeën geen weerwoord en vertrekt abrupt. ____________________________________________________________________________________________________________________________________________
Mattheüs 12:10-17 Genezing op de Sabbat
Er gebeurt iets bijzonders. Jezus heeft zojuist een heftige aanvaring gehad met de Farizeeën en die zijn tot het uiterste getergd. Voordat het tot een uitbarsting komt, loopt Jezus weg en gaat de nabijgelegen synagoge binnen. Dat blijkt de thuisbasis van deze Farizeeën. Hij waagt zich dus in het hol van de leeuw.
Vers 10 Onverwacht verscheen een man van wie één hand verschrompeld was. Toen spraken ze Hem eisend toe met de woorden: Is het wettig om op de Sabbat te genezen? - opdat zij Hem zouden kunnen aanklagen.
Is het toeval dat de man verschijnt? Neen hij werd door de Farizeeën gestuurd om Jezus te verleiden om op de Sabbat te genezen – het was immers ‘hun synagoge’ (vers 9). De Wet zegt dat alleen bij direct levens- gevaar op Sabbat ingegrepen mocht worden. Welnu dat was niet het geval. De verschrompelde hand had best tot de volgende dag kunnen wachten. De Farizeeën zijn vastbesloten Jezus in de hoek te drijven. Op hoge toon eisen zij een uitspraak van Hem: Is het wettig om op deze Sabbat te genezen? Jezus wordt dus voor het blok gezet: Moet hier de liefde prevaleren of de letter van de Wet? Jezus heeft geen keus. De liefde overstijgt het Sabbatsgebod. Maar dan zouden ze (de Farizeeën) Hem kunnen aanklagen.
Vers 11 Jezus echter diende hen van repliek en zei: Is er onder u iemand die, als hij een schaap bezit en het op de Sabbat in een kuil valt, het schaap niet zal grijpen en het eruit zal halen?
Vers 12 Gaat een mens een schaap niet ruim te boven? Daarom is het wettig om op Sabbat goed te doen.
Het weerwoord van Jezus is simpel. Indien een schaap in een put valt, wordt deze gered, ook op sabbat en dat werd door de Farizeeën toegestaan. Hoe kun je dan weigeren een mens in nood te helpen? De woorden van Jezus zijn ingrijpend. Hij doet een beroep op het principe van billijkheid. Als een dier zo behandeld wordt, kan een mens niet achtergesteld worden – Daarom is het wettig om op Sabbat goed te doen. Zo worden de dorre regels, die de Farizeeën het volk oplegden, publiekelijk onderuitgehaald.
Vers 13 Daarop sprak Jezus de man toe en zei: Strek nu maar je ene hand uit. Hij stak die uit en genas die en deze hand werd even gezond als de andere.
Vers 14 De Farizeeën echter zijn toen over Hem in beraad gegaan en buiten gekomen bespraken zij hoe ze Jezus konden ombrengen.
Jezus voegt de daad bij het woord en geneest de man. De omstanders zullen dat met instemming begroet hebben, maar de Farizeeën druipen woedend af – vernederd in hun eigen synagoge! Buiten gekomen roepen ze een vergadering bijeen en daar blijkt de woede over Jezus zo groot dat ze besluiten: Jezus moet sterven!
Vers 15 De Heer Jezus echter, Die hen door had, is toen van die plaats uitgeweken. Daarop volgde een menigte mensen Hem en Hij genas die allen.
Vers 16 Hij waarschuwde hen met klem dat zij niets over Hem openbaar mochten maken.
Vers 17 Opdat vervuld zou worden wat door de hoge profeet Jesaja gesproken is, zeggende:
Jezus begrijpt dat Zijn leven nu gevaar loopt en besluit om de streek te verlaten. Het toegepaste woord is anachōreō – een vorm van vluchten voor gevaar. In de tussentijd verschaft de menigte hem veiligheid en
Hij genas die allen. De woorden daarna bevestigen de nieuwe situatie. Jezus waarschuwt de mensen dat ze de bedreiging van de Farizeeën serieus moeten nemen en niets over Hem openbaar mochten maken. De plaats waar Jezus verblijft dient nu geheim te blijven. Aanvankelijk trad Jezus op voor een groot publiek. Door de doodsbedreiging van de Farizeeën kan dat niet meer en dat was lang geleden door Jesaja voorzegd.
Mattheüs 12:18-21 De Profetie van Jesaja
Mattheüs en Jesaja worden verschillend vertaald. We geven daarom grondtekst van Jesaja 42:1-4.
1 Aanschouw mijn Dienaar, Die Ik onvoorwaardelijk steun: Mijn Uitverkorene, waar mijn gemoed welbehagen in stelt. Ik heb Mijn Geest op Hem gelegd. Hij zal het rechtmatig oordeel doen uitgaan ten behoeve van de heidenvolken.
2 Hij zal niet schreeuwen, noch luid roepen. Zijn stem zal niet gehoord worden op een publieke plaats;
3 Het geknakte riet zal Hij niet verbreken en de smeulende vlaspit zal Hij niet doven. Hij zal het rechtmatig oordeel in waarheid en trouw doen uitgaan.
4 Hij zal niet versagen noch breken, totdat Hij het rechtmatig oordeel op aarde gevestigd heeft en op Zijn onderwijzing zullen de kustlanden hun hoop stellen.
Vers 18 Wees alert en zie: Mijn Dienaar Die Ik heb uitverkoren. Hij is Mijn Geliefde in Wie Mijn ziel vreugde heeft gevonden. Ik zal Mijn Geest op Hem leggen en Hij zal het rechtmatig oordeel over alle heidenvolken proclameren.
Jesaja 42:1 en Mattheüs 12:18 zijn inhoudelijk gelijk. Jesaja voorzegt de komst van Mijn uitverkoren Dienaar (Jezus) en dat God vreugde in Hem gevonden heeft. Dat is: Geen ergernis over gepleegde zonde. Want Jezus was de mens in alles gelijk, uitgenomen de zonde. Jezus is daarom ons grote voorbeeld.
Vers 19 Hij zal de twist niet zoeken, noch met luide stem spreken. Zijn stem zal niet op belangrijke straten en pleinen klinken.
Ook dit vers is inhoudelijk gelijk aan Jesaja 42:2 en spreekt over de tweede fase van de bediening van Jezus. De eerste fase was een openbaar optreden, want Hij preekte op publieke plaatsen. Toen was Jezus een gevierd Rabbi met Semikhah die door velen voor de Messias aangezien werd. Nu echter wordt het leven van Jezus bedreigd door de Farizeeën. Zijn stem klinkt niet meer op belangrijke straten en pleinen.
Voorbespreking bij Vers 20
Dit is een geliefde tekst, want in de gekneusde rietstaf en de walmende vlaspit herkennen veel christenen zichzelf en zien daarin hun wankelende geloof vertolkt. Is dat juist? Neen! Nergens in de Bijbel dient de rietstaf als metafoor voor een gelovige. Wel als onbetrouwbare wandelstok. Als je erop leunt breekt die en dringen de splinters in je hand (2 Koningen 18:21 / Jesaja 36:6) of oksel (Ezechiël 29: 6-7). Een walmende vlaspit is een slecht werkende olielamp. In beide gevallen is de betekenis negatief: dus ook hier.
Mattheüs 12:20b wijkt opvallend af van Jesaja 42:3b. Daar staat in de Hebreeuwse grondtekst: Hij zal het rechtmatig oordeel in waarheid en trouw doen uitgaan. Terwijl Jezus zegt: totdat het mogelijk is dat Hij (Jezus) ter overwinning neergelaten kan worden ten behoeve van het rechtmatig oordeel. Jezus voegt dus een stukje verklaring aan Jesaja toe. Want als Hij wederkomt op de Olijfberg (Zacharia 14:4) daalt ook de HEER, mijn God neer op de aarde (Zacharia 14:5c), vergezeld van alle hemelingen – engelenlegers onder bevel van Jezus. Met die macht is de overwinning zeker en kan het rechtmatig oordeel op aarde beginnen. Daarna vestigt God Zich in de tempel – Ezechiël 43:7 (NBV21): ‘Mensenkind, dit is de plaats van mijn
troon, de plaats waar Ik mijn voeten zet. Hier zal Ik voorgoed blijven wonen te midden van de Israëlieten.
Vers 20a Een gekneusde rietstaf zal Jezus niet verbrijzelen en een walmende vlaspit zal Hij niet doven, totdat …
Met de gekneusde rietstaf doelt Jezus op het Joodse volk. Dat had zich moeten bekeren. Het is echter gebroken/gekneusd en dat wijst op de breuk tussen Jezus en Zijn volk – Hij is afgewezen! En de splinters van die breuk dringen Jezus’ lichaam binnen en leiden uiteindelijk tot Zijn dood. Het Joodse volk had een stad op een berg moeten zijn, een licht voor de volken. In plaats daarvan is het een walmende vlaspit geworden – bijna uitgedoofd. Toch…: Jezus zal die rietstaf niet verbrijzelen, noch de walmende vlaspit doven. Want het Joodse volk wordt beschermd door het Abrahamitische Verbond. Dat belooft een heilrijke toekomst – het Messiaanse Rijk. Echter tot dat moment aanbreekt, is dit volk door eigen zondig gedrag een gekneusde rietstengel en een walmende vlaspit – geteisterd en verdrukt tot op de huidige dag – totdat...
Vers 20b totdat het mogelijk is dat Hij ter overwinning neergelaten kan worden ten behoeve van het rechtmatig oordeel.
Kan de Bijbel nog duidelijker spreken? Totdat… Jezus wederkomt (= neergelaten uit de hemel) op de Olijfberg (Zacharia 14:4) om het rechtmatig oordeel op aarde (Jesaja 42:4) te vestigen; de overwinning van de Raad Gods. Dat gebeurt aan het einde van de Grote Verdrukking.
Vers 21 En op Zijn Naam zullen de heidenvolken hun hoop vestigen.
Aan het einde van de Grote Verdrukking zal de Antichrist (dus Satan) zoveel ellende gebracht hebben dat de mensheid niets anders overblijft dan hun hoop op de Messias te vestigen (Hij is dan al wedergekomen).
Toch (zullen velen zeggen) lijkt het erop dat hier over christenen van alle tijden gesproken wordt die ‘hun hoop op Hem vestigen’. Dat is onjuist! In Christus ontvangen we zekerheid, omdat we onderdeel van Zijn Lichaam worden en zo geheiligd. Dat is wat anders dan ‘hoop op Zijn komst’, wat een vage aanduiding is.
Mattheüs 12:21 wijkt af van Jesaja 42:4. Daar staat: Hij zal niet versagen noch breken, totdat Hij het recht- matig oordeel op aarde gevestigd heeft en op Zijn onderwijzing zullen de kustlanden hun hoop stellen. Jesaja profeteert over de vijandschap die Jezus ondervindt (niet versagen noch breken). Jezus blijft Zijn opdracht trouw, ondanks dat die Hem naar foltering en dood leidt. Ook Jesaja getuigt: totdat en vervolgt: Hij het rechtmatig oordeel op aarde gevestigd heeft = het Messiaanse Rijk begonnen is.
Mattheüs 12:22-29 Van de Hoge God of van Satan?
De toegenomen afkeer van de Farizeeën voor Jezus is in haat verkeerd. Dat plaatst hen voor een dilemma. Jezus is in hun ogen ontmaskerd als een ontspoorde Rabbi met Semikhah, maar hoe verklaren ze dan de wonderen? Het kan niet uit God wezen (zo zeggen zij), dus moet het Satan zijn die zij Beëlzebul noemen.
Vers 22 Toen bracht men iemand die een ernstige kwaal had waardoor hij blind en stom was en Hij genas hem, zodat die blinde en stomme zowel sprak als zag.
Vers 23 Grote groepen mensen dromden toen samen. Ze waren buiten zichzelf en discussieerden met elkaar over de vraag: Zou dit de Zoon van David zijn?
Vers 15 zegt dat Jezus allen genas. De omstanders zijn diep onder de indruk en drommen samen om dat te bespreken. Ze begrijpen dat Jezus van God gezonden is; wellicht is Hij de Zoon van David, de Messias!
Vers 24 De Farizeeën echter die dat gehoord hadden, beweerden: Deze man kan geen demonen uitdrijven tenzij door de Beëlzebul, de overste van alle demonen.
Hoewel Jezus de Farizeeën probeert te ontlopen (vers 15), hebben ze Hem weer gevonden. Vanwege de menigte kunnen ze nog niets tegen Hem beginnen. Dus proberen de Farizeeën de mensen wijst te maken dat Jezus de Messias niet kan zijn omdat hij gebruik maakt van duivelse machten uit Satan (de Beëlzebul).
Vers 25 De Heer Jezus nu Die op de hoogte was van hun denkbeelden, diende hen van repliek en zei:
Vers 26 Elk koninkrijk dat innerlijk verdeeld raakt, gaat te gronde en geen enkele stad of gemeenschap die innerlijk verdeeld is, zal standhouden. Als de ene Satan de andere Satan uitdrijft, dan is hij immers een gespleten persoonlijkheid. Hoe kan dan zijn koninkrijk standhouden?
Jezus weet hoe de Farizeeën over Hem oordelen. Met enkele zinnen veegt Hij hun argumenten van tafel. Met een spottende ondertoon wijst Hij hen erop dat, indien Hij Satans werk doet, het toch wel heel raar is
dat Hij demonen uitdrijft – want dat zijn immers dienaren van Satan.
Vers 27 Stel dat Ik door Beëlzebul demonen uitdrijf, door wie drijven uw volgelingen ze dan uit? Voor hen zullen jullie zelf rechter moeten spelen.
Vers 28 Maar als Ík door de Geest van God deze demonen uitdrijf, dan is het Koninkrijk van de hoge God tot zijn doel gekomen.
Jezus daagt de Farizeeën uit. Als je Beëlzebul nodig hebt om demonen uit te drijven, dan geldt dat ook de duivelbezweerders onder hun volgelingen. Hij eist een uitspraak. Het is namelijk inconsequent om hetzelfde resultaat toe te schrijven aan elkaar uitsluitende machten: God en Satan. Indien hun volgelingen uit God handelen (wat de Farizeeën geloofden), dan geldt dat ook voor Jezus. Maar dan is de strijd van de Farizeeën tegen Jezus een ‘strijdt tegen God’! Jezus is hier heel scherp en dat komt hard aan bij de Farizeeën!
Zijn doel (vers 28) duidt op de Raad Gods en dat is de vestiging van het Messiaanse Rijk als alle satanische machten van de aarde verwijderd worden. Over dat doel spreekt vers 29.
Vers 29 Trouwens, hoe kan iemand het huis van de Sterke binnengaan om dat te kunnen bezetten, tenzij hij die Sterke eerst zou vastbinden? Pas daarna zal hij zijn huis in beslag kunnen nemen.
Dit is een belangrijke uitspraak. Het Koninkrijk van God op aarde maakt per definitie een einde aan de positie van Satan (de sterke) die de Overste van deze wereld is (Johannes 12:31, 14:30 en 16:11). Hij moet het veld ruimen, voordat Jezus Koning van het Messiaanse Rijk kan worden. Satan wordt niet gedood, maar gebonden voor een periode van duizend jaar (het tijdperk van het Messiaanse Rijk – Openbaring 20:1-3). Pas als Satan gebonden is kan Jezus zijn huis (de aarde) in beslag nemen = Zijn rechtmatig erfdeel opeisen.
Mattheüs 12:30-33 De Lastering van de Geest
Met het woord lastering (blasphēmia) wordt in de Bijbel gewoonlijk Godslastering bedoeld. En de Geest is de Geest van God. De Lastering van de Geest is als uitdrukking niet zo bekend. Vaker gebruikt men een synoniem: De zonde tegen de Heilige Geest (hoewel die naar vertaling fout is). Over de betekenis is weinig eensgezindheid. Om daar wat helderheid in te scheppen wijden we er een nadere studie aan.
Excurs 2: De Lastering van de Geest
A. De Geest van God
Het wezen van God is niet aan een bepaalde plaats gebonden. Hij kan in de hemel verblijven, maar woonde in het verleden tegelijkertijd op de aarde, namelijk in het Heilige der Heiligen van de tempel van Salomo. De Geest van God kan dus op meerdere plaatsen tegelijk zijn. Omnipotent noemen we dat. Kunnen we God dan zien? Neen, zoals Johannes 1:18 (NBV21) getuigt: Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die zelf God is, die aan het hart van de Vader rust, heeft Hem doen kennen.
Er wordt van God gezegd dat Hij de gelovigen ‘nabij’ is. Psalm 139:6-8 zegt het zo: Wonderlijk zoals U mij kent, het gaat mijn begrip te boven. Hoe zou ik aan uw aandacht ontsnappen, hoe aan uw blikken ontkomen? Klom ik op naar de hemel – U tref ik daar aan, lag ik neer in het dodenrijk – U bent daar.
En Psalm 139:17-18 (NBV21): Hoe rijk zijn uw gedachten, God, hoe eindeloos in aantal, ontelbaar veel, meer dan er zand is bij de zee. Ontwaak ik, dan nog ben ik bij U.
En Jesaja 57:15 (NBV21): Dit zegt Hij die hoog is en verheven, die troont in eeuwigheid – heilig is zijn naam: In hoogheid en heiligheid zal Ik tronen met hen die gebroken zijn en nederig van geest, opdat de nederige geest herleeft, opdat het verbrijzelde hart tot leven komt.
Beschrijven voorgaande teksten de Geest van God die op gelovige mensen nederdaalt? Neen, ze spreken van een ‘geestelijke kracht van God’ die mensen bijstaat. Dat leidt tot versterking van het goede in een mens is. Dat kan soms een extatische ervaring zijn, vooral als het gepaard gaat met een vorm van bekering.
De Heilige Geest is een voortzetting van de geestelijke kracht van de hoge God die aan mensen toebedeeld kan worden. Heden staat die niet meer het volk Israël ter beschikking maar de Gemeente van Christus.
B. Een Goddelijke Geest – Rūaḥ ’Ělōhîm
Soms krijgen we de indruk dat de Geest van God nederdaalt op individuele mensen, zoals 1 Samuël 10:10 (NBV21): Toen ze bij Gibea aankwamen, kwam hun een stoet profeten tegemoet. Saul werd gegrepen door de geest van God en raakte net als zij in vervoering. Daar staat: rūaḥ ’ĕlōhîm. Dat betekent een Goddelijke geest of inblazing, dus is het God niet. Exodus 35:30-31: Mozes zei tegen de Israëlieten: De HEER heeft zijn keuze laten vallen op Besaleël, de zoon van Uri, de zoon van Chur, uit de stam Juda. Hij heeft hem vervuld met goddelijke geest, met wijsheid, vakmanschap en inzicht op allerlei gebied.
In voorgaande gevallen is sprake van een Goddelijke geest. Dat is een kracht Gods die de ontvanger wordt toebedeelt, waardoor bepaalde, reeds bestaande eigenschappen versterkt worden. Jesaja 40:29 (HSV) legt dat duidelijk uit: Hij geeft de vermoeide kracht en Hij vermeerdert de sterkte van wie geen krachten heeft. In sommige gevallen is sprake van een nog hogere vorm van Goddelijke bijstand: rūaḥ Yahweh genoemd. Dat is geen toegevoegde ‘kracht’, zoals de rūaḥ ’Ělōhîm, maar een onderdeel van Gods Geest die in mensen kan varen en zelfs wonderen kan bewerken.
C. De Geest van Jahweh: Rūaḥ Yahweh
Behalve over een ‘nabij-zijn’ spreekt de Bijbel ook over het toekennen van Gods Geest aan een mens. Dan
valt in de grondtekst altijd de naam Jahweh. Micha 3:8 (NBV21) is daar een goed voorbeeld van:
Ik (Micha) daarentegen ben vervuld van kracht, ik heb de geest van de HEER (Jahweh), ik ben rechtvaardig en ik heb de moed om aan Jakob zijn wandaden bekend te maken, en aan Israël zijn zonde.
Zacharia 4:6 (NBV21): Toen zei hij: ‘Luister, dit zegt de HEER over Zerubbabel: Niet door eigen kracht of macht zal hij slagen – zegt de HEER van de hemelse machten – maar alleen met hulp van mijn geest.
Jesaja 11:2(NBV21): De geest van de HEER zal op hem rusten: een geest van wijsheid en inzicht, een geest van kracht en verstandig beleid, een geest van kennis en ontzag voor de HEER.
Jesaja 42:1 (NBV21): Hier is mijn dienaar, hem zal Ik steunen, hij is mijn uitverkorene, in hem vind Ik vreugde, Ik heb hem met mijn geest vervuld (van Jahweh). Hij zal alle volken het recht doen kennen.
Jesaja 61:1 (NBV21): De geest van God, de HEER, rust op mij, want de HEER heeft mij gezalfd.
In het Oude Testament daalde de Geest van Jahweh uitsluitend op leiders van Israël neer, zoals koningen en profeten. De laatste daarvan was Jezus Christus, zoals Mattheüs 3:16 (Grondtekst) getuigt:
De hoge Hemel werd geopend en Hij (Jezus) zag de Geest van de hoge God neerdalen als een duif en over Hem komen.
Als de rūaḥ Yahweh een mens wordt toegekend, gaat iets van de Geest van God in hem wonen en stijgen zijn of haar daden uit boven het menselijke. Is dat steeds dezelfde mate van Geest? Neen, de Geest van God wordt aan het formaat van de ontvanger en haar/zijn taak aangepast. Zo ontving Jezus veel grotere krachten dan koning David of de profeten. Echter Mozes en Simson grotere krachten dan koning David.
Na de doop van Jezus Christus in de Jordaan daalde de Geest van God (Rūaḥ Yahweh) neer als een duif en trok in Jezus (Mattheüs 3:16). Van die tijd af beschikte alleen Jezus over de kracht Gods (rūaḥ ’Ělōhîm) en wordt die Heilige Geest genoemd. Als Zoon van God kreeg Hij bovendien niet een beetje van Gods Geest zoals anderen overkwam, maar de ‘volle maat’ die binnen het raam van Zijn bediening past.
Resumerend: De rūaḥ ’Ělōhîm en de Heilige Geest versterken reeds aanwezige eigenschappen van een gelovige. De Rūaḥ Yahweh voegt een Goddelijk (dus bovennatuurlijk) element toe.
D. De Context: Als Jezus Zijn uitspraak over de Lastering van de Geest doet, hangt dat samen met de ontspoorde relatie met de Farizeeën. Zij ontkenden dat de Geest van God in Jezus gevaren was. Zij wezen Hem als Messias én Zoon van God af. De werken van God die Jezus Christus deed, worden daarom door de Farizeeën als Satanische daden neergezet (de Beëlzebul – Mattheüs 12:24). Was dat dan tegen beter weten in? Ja! De Farizeeën hadden kennis over de Messias, maar zij stelden hun eigen dogmatiek boven die van de profeten. Ze zagen Zijn wonderen, maar schreven die aan Satan toe om hun eigen dogmatiek te redden. Daarmee lasterden ze de Geest van God en – zo spreekt Jezus – daarvoor bestaat geen vergeving!
E. De Lastering van de Geest – Heden: Is deze ‘fatale zonde’ eenmalig, dus gebonden aan die tijd? Neen, ze bestaat heden ook nog. Het komt voor dat iemand die God dient en Jezus Christus volgt, Hem na verloop van tijd toch verloochent. Kan ik voorbeelden geven? Neen, daar schrik ik voor terug, want ik ken de maat waarmee God meet niet. Misschien is iemand die gemarteld wordt en dan God of Jezus verloochent niet toerekeningsvatbaar. Het is niet aan mij om te oordelen. Wel om te waarschuwen: U die Christus kent en God dient, laat Hem nooit los, wat u ook overkomt. Verder durf ik niet te gaan!
F. De Heilige Geest Is aan de Gemeente Verbonden
Na de hemelvaart werd de Heilige Geest op Pinksterdag uitgestort op de gelovigen in Jeruzalem. Sindsdien behoort de Heilige Geest de Gemeente van Christus toe. Eenieder die Jezus als Heer belijdt, ontvangt de Geest. Dat is een kracht Gods die in bijzondere gevallen zelfs genezing kan bewerken. Echter de innerlijke kracht is het belangrijkste aspect, zoals 2 Korintiërs 4:16 bevestigt: Daarom verzaken wij onze plicht niet, want ook al gaat ons uiterlijke bestaan verloren, ons innerlijke bestaan wordt van dag tot dag vernieuwd.
Voorbespreking bij Vers 30
Deze tekst wordt mijns inziens vaak verkeerd uitgelegd. Daarin wordt in feite over elke mens op aarde gezegd dat hij/zij vóór of tegen Jezus Christus is. Dus: Als je niet vóór de Christus kiest, ben je vanzelf tegen Hem. De Studiebijbel bevestigt dat: Het is onmogelijke neutraal te blijven. Er is geen middenweg. Maar wat moeten we dan met al die honderden miljoenen mensen die God en Jezus Christus niet kennen? Vallen zij niet onder de tucht van het geweten? Romeinen 2:14-19 (NBV21) is daar heel duidelijk over:
14 Wanneer namelijk mensen uit volken die de wet niet hebben, de wet van nature naleven, dan zijn ze zichzelf tot wet, ook al hebben ze hem niet.
15 Ze bewijzen door hun daden dat wat de wet eist in hun hart geschreven staat; en hun geweten bevestigt dit, omdat ze zichzelf met hun gedachten beschuldigen of vrijpleiten.
16 Dit alles zal blijken op de dag waarop, volgens het evangelie dat ik verkondig, God door Christus Jezus
oordeelt over wat er in de mens verborgen is.
We dienen Mattheüs 12:30 beter te vertalen en in z’n context te plaatsen en dan is de uitkomst anders. Dan spreekt Jezus exclusief tot zijn tegenstanders; de Farizeeën. Hij stelt ze voor de keus: voor of tegen.
Vers 30 Wie niet met Mij is, is tegen Mij. En wie niet samenbrengt achter Mij aan, drijft uiteen.
Wat Jezus hier zegt, is dat het volgen van Jezus weerstand opwekt onder de krachten van deze wereld. Want die wordt gedomineerd door de ‘overste van deze wereld’, Satan, zoals 1 Johannes 5:19 getuigt:
We weten dat wij uit God voortkomen, terwijl de hele wereld in de macht is van hem (Satan) die het kwaad zelf is. En in Johannes 8:23 (NBV21) bevestigt Jezus dat:
Jezus vervolgde: ‘U (ongelovige Joden) bent van beneden, Ik ben van boven; u hoort bij deze wereld, Ik hoor niet bij deze wereld. En in Johannes 17:14 (NBV21):
Ik heb hun uw woord doorgegeven. De wereld haat hen, omdat ze niet bij de wereld horen, zoals ook Ik niet bij de wereld hoor.
De ‘geest van de wereld’ is dus uit Satan, anders is de ellende op aarde niet te verklaren. Die wereldgeest is per definitie vijandig naar de Gemeente van Christus – die Zijn lichaam is. Maar dat zegt niets over al die mensen die, onkundig van de hoge God en Christus, hun geweten gehoorzamen. Want eenieder die haar of zijn geweten in dat kader gehoorzaamt, dient de hoge God zonder Hem te kennen (Romeinen 2:15).
Vers 31 Om die reden verzeker Ik u: Elke zonde en lastering moge de mensen wellicht vergeven worden, maar de lastering van de Geest zal geen mens vergeven worden.
Het is helder dat Jezus in eerste instantie op de Farizeeën doelt. Hij begint positief. Elke zonde of lastering kan een mens vergeven worden, mits hij of zij die belijdt voor God en de naaste. Dat is een geweldige troost voor hen die eens ontspoord zijn. Er is slechts één uitzondering: De lastering van de Geest. Dat geldt allen die God en Jezus Christus wel kennen, maar Hen om wat voor reden ook bewust afwijzen.
Vers 32 En wie zich uitspraken permitteert tegen de Zoon des Mensen, het moge hem vergeven worden. Echter, wie durft te argumenteren tegen de Heilige Geest, hem zal dit niet vergeven kunnen worden, noch in deze eeuw noch in de toekomende.
Veel mensen hebben Jezus ooit afgewezen, maar vonden Hem op latere leeftijd – daar gaat vers 32a over. Vers 32b spreekt echter van de lastering van de Geest. Dienaangaande spreekt Jezus over twee begrippen:
1. Vergeving van zonden die tijdens iemands leven gepleegd zijn. Dat is geen eenmalig gebeuren maar troostend element in het leven dat een mens leidt. Gelovigen zondigen en vragen daarvoor vergeving. In Christus weten we zeker die te ontvangen, mits ze beleden worden.
2. De tweede vorm van vergeving wijst op het moment dat het boek des levens geopend wordt – het oordeel voor de Grote Witte Troon (Openbaring 20:11-14). Zij die ingeschreven staan (dat zijn gelovigen die geen lid zijn van de Gemeente) worden behouden. Maar eenieder die de Geest gelasterd heeft, blijkt niet meer ingeschreven in het Boek des Levens en gaat dus per definitie verloren.
Mattheüs 12:33-37 Wee U, Farizeeën en Schriftgeleerden
Vers 33 Verzorg een boom goed, dan zijn de vruchten ervan ook goed. Maar stel dat een boom
verwaarloosd wordt, dan zijn de vruchten ervan slecht. Want aan de vruchten kent men de boom.
Vers 34 Addergebroed! Hoe denkt u iets goeds te kunnen zeggen, terwijl u slecht bent? Want waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over.
Jezus Christus begint Zijn veroordeling van de Farizeeën met een simpel voorbeeld. Hij maakt duidelijk dat de Farizeeën hun geloof niet verzorgd hebben. Zij waren bezig met hun status en dogma’s. Daar was hun hart vol van. Die overstemde het ‘spreken van God’ door de profeten, Johannes de Doper én Jezus Christus.
Vers 35 Een goed mens brengt uit de goede schat van zijn hart het goede voort, terwijl een slecht mens uit een slechte schat put en zo het slechte voortbrengt.
Een hart dat vol is van eigen ik heeft geen ruimte voor God of Jezus. Want ‘gefocust zijn’ op eigenbelang zonder liefde is satanisch en dat was de grondoorzaak van de val van Satan. Alleen uit God kan het goede ontstaan. Als een mens zich losmaakt van het ‘goede’ (God) ontstaat een ‘schat van eigen belang’ (slechte schat). Hier is dat de dogmatiek van de Farizeeën en die sloot uit dat Jezus de Messias is én Zoon van God. Daarmee hebben de Farizeeën zich aan het slechte (het kwaad) overgeleverd. Dat is per definitie uit Satan.
Vers 36 Echter Ik zeg u dat van elke lichtvaardige bindende uitspraak die wellicht in ijdelheid wordt uitgesproken door een mens, hij voor zijn uitspraak verantwoording zal moeten afleggen op de dag van het rechtmatig oordeel.
Vers 37 Want op grond van de woorden die u verkondigd hebt zult u gerechtvaardigd worden en op grond van de bindende uitspraken die u deed, zult u veroordeeld worden.
De geboden van de Farizeeën worden omschreven als elke lichtvaardige bindende uitspraak en dat is een
onthullende omschrijving van het wezen van hun dogmatiek – die diende tot eigen verheffing! Is daarmee elke uitspraak van een Farizeeër fout? Neen, er staat ook wellicht. Jezus stelt de vanzelfsprekendheid aan de kaak waarmee Farizeeën hun dogmatiek aan anderen oplegden en aan hun zelfverheffing.
Elke lichtvaardige bindende uitspraak?... Ik ken de grens niet tussen onkunde en kwade wil. Het ontbreekt mij aan moed en gezag om dat te kunnen en mogen doen. Iemand die leiding geeft in een christelijke kerk moet die grens zelf bepalen of (bij ontsporing) dient door plaatselijke gelovigen gecorrigeerd te worden. Zeker is dat geestelijke leiders eens verantwoording moeten afleggen bij God. Vers 37 is daar helder over.
Mattheüs 12:38-42 Het Teken van Jona
De Farizeeën waren een religieuze beweging die een strikte handhaving van de Thora voorstond. Zij volgden ‘de school van Sjammai’, een beroemd wetgeleerde die de Thora aangevuld had met allerlei voor- schriften = De mondelinge Thora. Zo was het menselijk beoordelend aspect verwijderd; alles lag vast! Zij botsten per definitie met Jezus, want Die ging uit van billijkheid: De maat van de zonde wordt door Hem afgemeten aan omstandigheden en het formaat van de zondaar. Jezus was mild tegen zondaars mits ze zich wilden bekeren. De Farizeeën echter huldigden het principe: Oog om oog, tand om tand en dat was een nietsontziende dogmatiek. Kwijtschelding van schuld uit liefde tot de naaste was daar geen onderdeel van.
Vers 38 Toen hebben sommigen van de Farizeeën en Schriftgeleerden zich afgescheiden en die vroegen Jezus indringend: Meester, wij willen graag een teken van U zien.
Er zijn ondertussen Schriftgeleerden gearriveerd – vakgenoten van Jezus. Zij proberen de gemoederen te sussen en overleggen met een enkele gematigde Farizeeën. Om de vijandelijke Farizeeën wind uit de zeilen te nemen, vragen ze Jezus om een teken – zo zou Hij immers bewijzen dat Hij door God gezonden is.
Vers 39 Hij echter nam afstand en sprak hen als volgt toe: Deze gekwelde en overspelige generatie verlangt een teken? Doch er zal geen ander teken gegeven worden dan het teken van Jona de profeet.
Vers 40 Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van een enorme vis verbleef, zo zal de Zoon des Mensen in het hart van de aarde verblijven: drie dagen en drie nachten.
Jezus wijst de toenaderingspoging van de gematigde Farizeeën en Schriftgeleerden af met een cryptische profetie. Zullen zij die begrepen hebben? Waarschijnlijk niet. Natuurlijk kenden ze het verhaal van Jona – dat was het Robin Hood verhaal van die tijd. Maar wat had Jezus daar mee te maken? En wat betekent in het hart van de aarde? Dat was geen bekende uitdrukking. Het dodenrijk werd hades genoemd of sheol. Bovendien (zelfs al hadden ze het begrepen): Wie kon zijn dood voorspellen en daarna weer opstaan?
Vers 41 De Ninevieten zullen samen met deze generatie opstaan op de dag van het rechtmatig oordeel en die generatie veroordelen, want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona. Zie en besef: Iemand groter dan Jona is hier.
Vers 42 De koningin van het Zuiden zal samen met deze generatie opstaan in het rechtmatig oordeel en die veroordelen. Want zij was van de einden van de aarde gekomen om van de
grote wijsheid van Salomo te leren. Zie en besef: Iemand groter dan Salomo is hier.
Jezus zet vers 39-40 kracht bij met een heftige uitspraak. Hij profeteert dat deze (ongelovige) generatie op de dag van het rechtmatig oordeel (= het oordeel van het eind der tijden) aangeklaagd zal worden door de heidense bevolking van Ninevé en een heidense koningin uit Ethiopië – want zij hebben zich bekeerd!
Ninevé was de hoofdstad van het Assyrische Rijk dat vreselijke misdaden pleegde in haar veroveringszucht. Toch kwamen de inwoners tot bekering en worden ze gerechtvaardigd; de Farizeeën niet! Het is een bikkel- harde uitspraak van Jezus en het is bijzonder dat die niet tot een handgemeen met de Farizeeën leidde. Wellicht kwam dat door de aanwezige drommen mensen (Vers 23) die Jezus goed gezind waren, anders…
Zie en besef: Iemand groter dan Jona (en) Salomo is hier. Jezus getuigt dat Hij meer dan een profeet én meer dan koning Salomo. Deze en voorgaande uitspraken zijn evenzo vele mokerslagen die de Farizeeën treffen. Zelfs de gematigden onder hen en de Schriftgeleerden zullen dit ontzet hebben aangehoord.
Excurs 3: Demonische Belasting
Mattheüs 12:43-45 bevat belangrijke uitspraken die de werkwijze van Satan en zijn demonen onthullen.
A. Het Geweten – Een Bescherming: De uitdrukking tou anthrōpou (dé mens – Vers 43) kan twee betekenissen hebben: 1. Een willekeurige mens als ‘vertegenwoordiger’ van de mensheid en - 2: Een bepaalde mens als zijnde representatief voor een groep mensen (in dit geval de Farizeeën).
Demonische geesten kunnen mensen niet naar believen binnendringen. De mens is geschapen als evenbeeld van de hoge God – beslist niet als woonplaats voor demonen. De bescherming tegen kwade machten zetelt
in het geweten, want dat is een ‘lijntje met God’, een kracht ten goede die ons op het rechte pad houdt.
B. Overgeleverd aan Satan: Een demonische belasting kan alleen ontstaan als een mens de deur naar Satan zelf opendoet. Bijvoorbeeld door met spiritisme te experimenteren of het kwaad als levenswijze te omarmen. Dan wordt het geweten uitgeschakeld en vervalt de bescherming van God. Met de uitdrukking tou anthrōpou (dé mens,vers 43) worden dus mensen bedoeld die de stap naar het kwaad al gezet hebben en daarom demonisch belast zijn. Dat zijn de Farizeeën die Jezus ter dood willen brengen.
C. Een Lege Huls: Een onreine geest besluit op een zeker moment een mens te verlaten. Hij heeft dus een eigen wil. Na zijn vertrek ontstaat een vreemde situatie. Deze mens is dan een wezen zonder moreel besef; een lege huls en die kan gevuld worden. De deur staat aldus wijd open voor andere onreine geesten.
Mattheüs 12:43-45 Van Kwaad tot Erger: De Gelijkenis van de Onreine Geest
Vers 43 Stel dat een onreine geest een mens zou verlaten, dan dorre plaatsen doortrekt om rust (= een nieuwe menselijke woonplaats) te zoeken, maar er geen vindt.
Jezus spreekt tot Farizeeën die Zijn dood verlangen. Zij hebben het kwaad omarmd en zo een onreine geest in hun hart toegelaten. Als deze zijn werk heeft gedaan, verlaat hij deze mens om een nieuw slachtoffer te zoeken, maar vindt die niet. Dat zoeken zonder te vinden wordt omschreven met: dorre plaatsen.
Vers 44 Dat hij toen besloot: Ik zal terugkeren naar mijn huis dat ik verlaten heb. Daar aangekomen, vindt hij (het huis) onbewoond, schoongemaakt en op orde gebracht.
De onreine geest vindt geen nieuw slachtoffer en besluit daarom naar zijn vorige slachtoffer terug te keren. Daar vindt hij in die mens een opmerkelijke geestesgesteldheid. Het huis (het innerlijk van deze persoon) is onbewoond, schoongemaakt en op orde gebracht. De man zelf heeft zich dus bekwaamd in het kwaad.
Vers 45 Dan gaat hij weg en neemt zeven 1) andere 2) geesten met zich mee die slechter zijn dan hij. Ze zijn toen naar binnengegaan om daar permanent te gaan wonen. Aldus overkomt een mens uiteindelijk iets dat erger is dan daarvoor en zo zal het ook met deze gekwelde generatie gaan.
De boze geest treft een ideaal huis aan en meldt dat bij zijn superieuren 3). Die zien direct in dat de Farizeeër belangrijk is, want hij bestrijdt Jezus. Daarom vaart een hoge demon in hem om daar permanent te wonen – ook bij de andere zeven. Aldus zijn acht Farizeeën instrument van Satan geworden. Er is geen weg terug.
1) Zeven kan letterlijk genomen worden en 7 + 1 = 8 kwaadwillige Farizeeën.
2) Mattheüs gebruikt het woord hetera. Het is dus een groep van verschillende klasse. Dat zijn hogere demonen3).
Mattheüs 12:46-50 Wie Is Mijn Moeder, Broer of Zus?
Vers 46 Ondanks dat Jezus met een grote groep mensen in gesprek was, meldden zich plotseling Zijn moeder en Zijn broers omdat ze Hem wilden spreken.
Vers 47 Iemand klampte Hem toen aan en zei: Weet U wel dat Uw moeder en Uw broers buiten staan en U willen spreken?
Midden in een discussie wordt Jezus gezegd dat Zijn moeder en broers Hem direct willen spreken.
Vers 48 Maar Hij richtte Zich tot Zijn discipelen en nam zo afstand van degene die tot Hem gesproken had.
Vers 49 Wie is dan Mijn moeder en wie zijn Mijn broers? En terwijl Hij Zijn ene hand naar Zijn
discipelen uitstrekte, verklaarde Hij: Aanschouw Mijn moeder en Mijn broers!
Vers 50 Want wie de wil van Mijn Vader Die in de hemelen is begeert te doen, die is Mijn broer of Mijn zus of Mijn moeder.
De verwachting was natuurlijk dat Jezus zijn naaste familie tegemoet zou gaan, maar dat doet Hij niet. Hij geeft niet eens antwoord, maar spreekt Zijn discipelen toe over zijn ‘familieband’. Dat moet een emotioneel moment geweest zijn voor de twaalf discipelen. Zij waren immers nog maar leerlingen en zijn pas langzaam aan het beseffen dat zij iets groots meemaken; dat zij de Messias volgen – de Zoon van God. Jezus Christus verklaart hun tot Zijn naaste familie, boven eigen broers en Zijn eigen moeder. Hij doet dat publiekelijk, voor het oog van Farizeeën en Schriftgeleerden. Zijn moeder en broers zullen dit moment nooit vergeten zijn; evenals de discipelen! En met vers 48-50 is ‘de facto’ de Gemeente van Christus geboren.
Dit is een uittreksel van de Verklaring van Mattheüs door Gert A. van de Weerd. Daar wordt de in deze studie gebruikte grondtekst diepgaand verantwoord.
Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

