Mattheüs 13 Bethel (Exegese)

📄 Download deze Bijbelverklaring (PDF)

Mattheüs 13:1-2

Vers 1 Eens, op een gedenkwaardige dag, had de Heer Jezus de stad verlaten, weg van Zijn huis. Hij installeerde Zich op de oever van het Meer van Galilea

Vers 2 Daarop waren grote groepen mensen samengestroomd. Om die reden was Jezus aan boord gegaan van een boot die er al lag en ging daar zitten terwijl de menigte op het strand bleef staan. Toen heeft Hij hen grote dingen in gelijkenissen verteld.

Jezus houdt een toespraak. Het bericht gaat van mond tot mond en doet veel mensen toestromen in de verwachting dat er weer iets spectaculairs gebeurt. De menigte dringt zo dicht om Jezus heen dat het moeilijk werd de mensen nog toe te spreken. Jezus besluit daarom in een vissersboot te stappen en Zich vandaar tot de mensen te richten. De prediking van Jezus gaat over grote dingen. Welnu dat zal blijken.

Mattheüs 13:3-9 De Gelijkenis van de Zaaier

Vers 3a Jezus richtte Zich tot hen en sprak – Hoor toe!: Een zaaier ging eropuit om te zaaien.

Vers 4 Toen hij aan het zaaien was, viel een deel helaas aan de kant van de weg. Toen kwamen de vogels en aten dat op.

Vers 5 Een ander deel nu viel op de rotsgrond waar weinig aarde lag. De zaden schoten al snel op, hoewel de grondlaag er niet diep was.

Vers 6 Toen dan de zon opgekomen was, werden ze verschroeid en bij gebrek aan wortel verdorden ze.

Vers 7 Weer een ander deel viel tussen de dorens. Toen die dorens opschoten verstikten ze dat zaad.

Vers 8 De overige zaden vielen in goede grond en droegen vrucht; de één zelfs honderdvoudig, de ander zestig- of dertigvoudig.

Het verhaal over de zaaier zelf heeft op zich verder geen nadere toelichting nodig. Jezus vertelt de mensen op de oever over een alledaagse gebeurtenis. Echter de bedoeling van Zijn verhaal is een andere zaak.

Vers 9 Laat eenieder die oren heeft dit ter harte nemen.

Jezus sluit de vertelling met een vreemde opmerking. Want wat moesten de mensen ter harte nemen? –Is het bijzonder als zaad dat op de weg valt door vogels opgegeten wordt? Of dat rotsachtige grond ongeschikt is voor graanbouw en dat doornstuiken opschietend graan verstikken? Niets daarvan is uitzonderlijk. Maar wat heeft zo’n gelijkenis voor zin als er geen uitleg volgt? Want dat is het geval. De verklaring wordt alleen aan de discipelen gegeven. Toch suggereert vers 2 (grote dingen) dat er iets belangrijks komt. Ziet u het voor u? De beroemde rabbi Jezus installeert Zich voor een groot publiek optreden en vertelt dan een simpel verhaal en dat is het dan. De mensen zullen elkaar verbaasd bevraagd hebben: Wat bedoelt Hij?

Er is nog iets vreemds. Alle voorgaande optreden van Jezus concentreerde zich rond de boodschap: Kom tot inkeer, want het hoge Hemelse Koninkrijk is nabijgekomen (Mattheüs 4:17). Die boodschap klinkt hier niet meer en ook niet daarna. Het aardse Koninkrijk met Hemelse trekken is niet meer nabij, dus binnen handbereik – het Joodse volk heeft die kans op herstel van het oude Rijk van David verspeeld.

Mattheüs 13:10-18 Onthulling van Verborgenheden – Alleen voor de Discipelen

Vers 10 Nadien kwamen de discipelen naar Jezus toe en vroegen Hem: Waarom spreekt U hen toe in gelijkenissen?

Later komen de discipelen om Jezus heen staan en vragen Hem waarom Hij de mensen een gelijkenis verteld heeft die – zo moet het wel op hen overgekomen zijn – niets bijzonders te zeggen heeft.

Vers 11 Ten antwoord verzekerde Hij hen: Omdat het júllie gegeven is om alle verborgenheden van het hoge Hemelse Koninkrijk te kennen, maar aan hun is het niet gegeven.

Het antwoord op vers 10 is schokkend voor de discipelen. Jezus verzekert hen dat de mensen op de oever (= het Joodse volk) geen uitleg zullen krijgen – nu niet en nooit meer. Het gebruikte werkwoord dedotai (is gegeven) noemt men een Goddelijk Passief. Het is een Goddelijke gift. Wie die niet ontvangt, begrijpt niets van de verborgenheden. Jezus spreekt hier over de Gemeente van Christus. Die was immers verborgen – Onbekend! Het aardse Hemelse Koninkrijk was wel bekend onder de Joden. De nieuwe kennis wordt alleen toegekend aan hen die Jezus volgen. De verklaring van de gelijkenis is daarom exclusief voor de oren van Zijn discipelen bestemd – de kern van de latere Gemeente van Christus. Jezus schoffeert de mensen op de oever. Die zullen Zijn handelen dan ook raar gevonden hebben, waarschijnlijk zelfs heel ergerlijk!

Met vers 11 breekt Jezus met het Joodse volk en richt Hij zich op de toekomstige Gemeente van Christus.

Vers 12a Want alleen aan wie vasthoudend is, zal gegeven worden, ja bovenmatig toebedeeld.

De NBV21 geeft hier een heel andere vertaling: Want wie heeft, hem zal nog meer gegeven worden, en wel in overvloed; maar wie niets heeft, hem zal zelfs het laatste worden ontnomen. Een bekend theoloog verklaart dat als volgt: Als mensen een uitbundige rijkdom hebben, is het meestal gemakkelijker voor hen meer rijkdom te verwerven, maar hen die rijkdom missen neigen er toe armoede te bestendigen. Een slechte vertaling leidt hier tot welvaartsprediking die haaks op de woorden van Jezus staat. Want in werkelijkheid spreekt Jezus over hen die vasthouden aan Jezus Christus’. Dat zijn zij die in geloof en liefde op Jezus Christus vertrouwen en Hem volgen en dát leidt tot de Zaligheid.

Vers 12b Wie echter niet vasthoudend is, van hem zal zelfs wat hij heeft afgenomen worden.

Deze zin spreekt niet over ongelovigen in het algemeen, maar over hen die Jezus aanvankelijk volgen maar het opgeven. Vraag: Wat hadden ze dan daarvoor dat hen afgenomen wordt? Antwoord: De zegeningen die de Gemeente van Christus zijn toebedeeld. Die worden ook wel Gaven van Geest genoemd. 1 Korintiërs 12 en 14 spreken erover. Die zegeningen versterken individuele eigenschappen van Gemeenteleden, waardoor ze boven zichzelf uitstijgen en zo de Gemeente bouwen. Dat kan van alles zijn, zoals leiding geven, armen- zorg, Bijbelonderricht, zieken verzorgen, onderhoud van gebouwen en soms zelfs gaven van genezing, tongentaal en profetie. Bewust noem ik deze drie als laatste, want ze zijn gelijkwaardig aan die daarvoor – niet ‘er boven uitstekend’. De grootste gift van de Heilige Geest is niet tongentaal of de gave van genezing, maar de liefde tussen de leden van de Gemeente. Want onderlinge liefde creëert een minimaatschappij (de plaatselijke kerk) die een hemelse afschaduwing is van iets dat veel groter is: De eenheid in Jezus Christus na dit leven – dus de Zaligheid. Het is in zijn ideale vorm een voorsmaak van een hemelse samenleving.

Vers 13 Dit is de reden waarom Ik in gelijkenissen tot hen spreek: Omdat zij ziende blind zijn en horende doof, noch iets begrijpen.

Vers 14 In hen wordt heel de profetie van Jesaja vervuld die voorzegt: Met uw oren zult u horen en er waarschijnlijk niets van begrijpen. En onder uw ogen zult u het zien gebeuren, maar het meestal niet kunnen doorgronden.

Vers 15 Want het hart van heel dit volk is egoïstisch geworden. Hun oren zijn te weerspannig om te horen en hun ogen hebben zij toegesloten. Wanneer zullen hun ogen eindelijk zien, hun oren horen, hun hart verstaan, zodat zij zich bekeren en Ík hen dan helen kan?

Met deze verzen wordt het Joodse volk een bedekking opgelegd, waardoor zij geen inzicht meer ontvangen in profetie en ze Jezus daarom zouden kunnen herkennen. 2 Korintiërs 3:14-16 (NBV21) getuigt:

14 Hun denken verstarde, en dezelfde sluier ligt tot op de dag van vandaag over het oude verbond wanneer het voorgelezen wordt (de boeken van de profeten). Hij wordt alleen in Christus weggenomen.

15 Tot op de dag van vandaag ligt er een sluier over hun hart, telkens als de wet van Mozes (de Thora) wordt voorgelezen.

16 ‘Maar,’ staat er, ‘telkens als iemand zich tot de Heer wendt, wordt de sluier weggenomen.’

Hadden de Joden dat inzicht daarvóór wel? Zeker want Jezus opende de Schriften, zoals reeds besproken is. Dat is veranderd. Het Bijbelonderricht van Jezus is van nu af aan exclusief voor Zijn volgelingen. Voor de rest van het Joodse volk ligt weer een sluier over hun hart. De Geschiedenis Herhaalt Zich: Met Mattheüs 13:13-15 verwijst Jezus Christus namelijk naar Jesaja 6:9-12, want daar gebeurde hetzelfde.

Tweede Verklaring: Er wordt een tweede maal een bedekking op het Joodse volk gelegd – de vervloeking van Jesaja 6:9-12 wordt voortgezet, maar krijgt in vers 15 een eschatologische betekenis. Want het wanneer van vers 15b wordt door Zacharia 12:10-14 beantwoord. Dan – in de laatste maanden van de Grote Verdrukking – zal een deel van het volk Israël tot bekering komen. Dan pas wordt de bedekking opgeheven.

Vers 16 Echter jullie hebben gezegende ogen zodat zij dieper zien en jullie oren zijn gezegend zodat ze wel horen.

Het jullie is gericht tot de discipelen en via hen tot de prille Gemeente van Christus. Want in Jezus Christus gaat de Bijbel open en verstaan we in toenemende mate de Raad Gods.

Vers 17 Want Ik verzeker jullie dat vele profeten en rechtvaardigen verlangend uitgezien hebben naar wat zich voor jullie ogen afspeelt, maar zij hebben het niet moge beleven – en te horen wat jullie horen en ze hebben het niet gehoord.

De profeten, zoals Amos, Hosea, Ezechiël, Daniël en Jesaja hadden kennis van de Raad Gods – Zijn plan met Israël en de mensheid. Die kennis richt zich vooral op de hoofddoelen van Gods Raad, zoals de komst van de Messias en de stichting van het Messiaanse Rijk. Het eerste is met de komst van Jezus reeds een feit, het tweede wordt met het afwijzen van Jezus Christus eeuwen uitgesteld. Toch ontstaat er nu wel een koninkrijk, echter dat heeft geen aardse bestemming meer, maar een hemelse – de Gemeente van Christus.

Vers 18 Daarom dienen júllie de werkelijke gelijkenis van de zaaier aan te horen.

Deze uitspraak geen verrassing. In feite spreekt Jezus door Zijn discipelen nu Zijn toekomstige Gemeente toe. Aan hen verklaart Hij de verborgenheden van het hoge Hemelse Koninkrijk (Mattheüs 13:11).

Mattheüs 13:19-23 De Gelijkenis van de Zaaier: de Uitleg

Vers 19 De meeste mensen zullen het Woord van het Koninkrijk dat zij horen niet verstaan. Als het kwaad zijn werk doet, wordt het gezaaide in hun hart radicaal verwijderd. Dat is hetgeen langs de weg gezaaid werd.

Jezus doelt op mensen die het woord van God gehoord hebben, maar niet ter harte nemen. Ze kwamen niet verder dan ‘aanhoren’. Het Woord trof hun hart niet! Dat kunnen dus keurige kerkleden zijn!

Vers 20 Wat nu op de rotsgrond gezaaid was, is degene die het Woord hoort en dat meteen met vreugde tot zich neemt.

Vers 21 Helaas heeft het geen wortel in hemzelf; het is een opwelling. Als dan verdrukking en vervolging om het Woord hem overkomt, komt hij terstond ten val.

In vers 20-21 duidt Jezus op mensen die aanvankelijk met vreugde op Gods Woord reageren. Ze werken enthousiast mee aan de verspreiding van dat Woord en tonen zich een tijd lang een steunpilaar van de Gemeente van Christus. Echter als tegenslag hun werk frustreert of vervolging begint, haken ze af.

Vers 22 Het zaad dat tussen de dorens gezaaid werd, dat is iemand die het Woord hoort en afgeleid wordt door deze wereld en het bedrog van de rijkdom. Dan verstikt het Woord en wordt het onvruchtbaar.

De derde soort mensen wordt zo door wereldse zaken (zoals het nastreven van rijkdom) beziggehouden dat ze gewoon niet aan geestelijke verdieping toekomen. Ze zijn er te druk voor. Let wel, deze mensen zijn niet tegen het Woord van God, maar zien hun geestelijke nood niet als iets wat op de eerste plaats moet komen.

Vers 23 Het overige zaad dat op goede grond gezaaid was, is hij die het Woord hoort én begrijpt. Die draagt dan vrucht: de één zelfs honderdvoudig, de ander zestig- of dertigvoudig.

Net als op een akker valt veel zaad wel in goede grond, waar het vrucht draagt. De tekst suggereert niet dat slechts een enkeling vrucht draagt – het betreft gelukkig velen.

Mattheüs 13:24-30 De Gelijkenis van de Tarwe en de Dolik

Vers 24 Jezus vertrouwde hen een vergelijkbare gelijkenis toe. Hij vervolgde en zei: Het hoge Hemelse Koninkrijk is te vergelijken met een mens die goed zaad in zijn akker zaaide.

Vers 25 Toen dan de mensheid diep in slaap was, kwam de Vijand zelf. Hij zaaide dolik over de tarwe en verdween toen.

Vers 26 Pas toen het graan opgeschoten was en vrucht had voortgebracht kwam ook de dolik tevoorschijn.

Vers 27 De knechten benaderden de heer des huizes, spraken hem aan en zeiden: Heer, het is toch uitgesloten dat u in uw akker geen goed zaad hebt laten zaaien? Waar komt dan de dolik vandaan?

Vers 28 Hij legde hen toen uit: Dat heeft een vijandig mens gedaan. Toen drongen de dienaren erop aan: Zullen wij er dan heengaan om het te verzamelen?

Vers 29 Die heeft echter verklaard: Neen, jullie kunnen op dit moment de dolik niet verzamelen, omdat je daarmee ook de tarwe ontwortelt.

Vers 30 Als de tijd van de oogst aangebroken is, zal ik de maaiers opdragen: Verzamel eerst de dolik en bind die in bossen om ze te verbranden. Breng de tarwe zelf dan bijeen in mijn schuur.

Met nadruk wordt vermeld dat Jezus deze uitleg niet tot de menigte op de oever sprak, maar exclusief aan Zijn discipelen toevertrouwde (Vers 24a). Die zullen er weinig van begrepen hebben. Toch krijgen ze geen kans om uitleg te vragen, want de Heer Jezus gaat direct verder met nog een gelijkenis.

De Verklaring – Mattheüs 13:31-32 De Gelijkenis van het Mosterdzaadje

Vers 31 Jezus vertrouwde hen nog een soortgelijke gelijkenis toe. Hij ging verder en zei: Het

hoge Hemelse Koninkrijk is gelijk aan een mosterdzaadje dat iemand nam en in zijn akker zaaide.

Vers 32 Dat is immers de kleinste van alle zaden, maar als het is opgegroeid groter dan alle andere tuinplanten, want het wordt een boom zodat de vogels van de hemel komen en in zijn takken nestelen.

Ook hier is sprake van een vertrouwelijk gesprek tussen Jezus en Zijn discipelen. De mensen op de oever bleven er onkundig van. Het mosterdzaadje symboliseert het prille begin van de Gemeente van Christus, aanvankelijk niet meer dan Jezus en Zijn twaalf discipelen. Maar dat kleine zaadje groeit op tot een grote boom, een beeld van de onstuimige groei van de Gemeente tot op de huidige dag.

Mattheüs 13:33 De Gelijkenis van het Zuurdesem

Deze korte gelijkenis stelt uitleggers voor problemen. Er rijzen namelijk allerlei vragen die moeilijk met zekerheid te beantwoorden zijn. In de meeste gevallen verklaart men deze gelijkenis positief en dan staat het rijzende deeg voor de onstuimige groei van het Koninkrijk (of de kerk). Echter dat kan niet waar zijn, want gist is altijd een negatief begrip in de Bijbel – een vorm van verontreiniging. In de Bijbel vinden we nergens dat gist een metafoor kan zijn voor positieve groei. Enig alternatief is dat vers 33 een negatieve boodschap bevat, wat bevestigd wordt in Mattheüs 16:6, Markus 8:15, 1 Korinthiërs 5:6-8 en Galaten 5:9.

Vers 33 Jezus vertrouwde hen nog een gelijkenis toe: Het hoge Hemelse Koninkrijk is gelijk aan gist dat door een vrouw gebruikt werd om met drie maten meel te vermengen totdat het helemaal doorzuurd was.

We gaan ervan uit dat Jezus een negatieve uitspraak doet. De groei van het Koninkrijk is gelijk het deeg. De vrouw is ‘vrouwe goddeloosheid’ (Satan, de Antichrist) en haar kinderen van het kwaad (vers 38). Zij verspreiden de goddeloosheid (gist). Het rijzende deeg duidt op de voortschrijdende tijd – goed (meel) en kwaad (gist) bestaan naast elkaar. Helemaal doorzuurd duidt op het einde van de bedeling van de oude aarde. Dan wordt Satan losgelaten en verzameld hij antigoddelijke krachten (Gog en Magog) om God te beoorlogen. Pas dan gaat hij ten onder en worden goed en kwaad gescheiden, evenals de tarwe en dolik.

Mattheüs 13:34-35 Jezus Neemt Afstand van Zijn volk

Vers 34 Over al deze dingen sprak de Heer Jezus alleen in gelijkenissen tot de menigte. Behalve de gelijkenis zelf vertelde Hij hen helemaal niets meer.

Vers 35 Opdat vervuld zou worden wat door de hoge profeet uitgesproken is, toen hij zei: Ik zal

Mijn mond openen in gelijkenissen. Ik zal luid uitspreken wat verborgen is sinds de grondlegging van de wereld. Toen liet Jezus de menigte alleen achter.

De uitdrukking al deze dingen duidt op de prediking van Jezus. Die is niet meer onderwijzend, waardoor het volk de Schriften kon begrijpen. Hij legt niets meer uit aan het Joodse volk.

Het luid uitspreken wat verborgen is ziet op de roemrijke, krachtige daden van de HEER (God) en op de wonderen die Hij heeft gedaan (Psalm 78:4). Dat betreft de voortgang van de Raad Gods en de vele wonderen die de Heer Jezus in Gods Naam verricht. Maar uitspreken is wat anders dan die daden verklaren. Dat doet Jezus alleen aan Zijn discipelen.

De slotzin is veelzeggend: Toen liet de Heer Jezus de menigte alleen achter. Zo ‘verliet’ Jezus het Joodse volk, ongetwijfeld met pijn in Zijn hart. Met deze daad wordt de doem over het Joodse volk weer ingezet. Het koos een heilloze weg zonder Christus. Die leidde tot de ondergang. Want na de eerste Joodse opstand (66-70 na Chr.) en de opstand onder Bar Kochba (132-136) woonden er bijna geen Joden meer in Kanaän.

Mattheüs 13:36-43 De Gelijkenis van de Tarwe en de Dolik: de Uitleg

Vers 36 De Heer Jezus ging naar Zijn eigen huis. Daar drongen de discipelen erop aan dat Jezus hen de gelijkenis van de dolik op de akker zou verklaren.

De discipelen zullen vanwege het gebeurde nogal ondersteboven zijn geweest. Het optreden van Jezus is door de menigte als een mislukking ervaren en dat zal de faam van Jezus zeker geen goed gedaan hebben. De discipelen dringen er nu op aan dat Jezus de gelijkenis van de Tarwe en de Dolik alsnog verklaart.

Vers 37 Hij heeft ze toen wél geantwoord en lichtte hen toe: Hij die het goede zaad zaait is de Zoon des Mensen. De zaaier is Jezus en het goede zaad is natuurlijk het evangelie dat Hij verkondigt.

Vers 38 Welnu de akker is de wereld, het goede zaad zijn de kinderen van het Koninkrijk, maar de

dolik duidt de kinderen van het kwaad. Echter de vijand die hen gezaaid heeft, is de duivel.

Wordt hier de wereld door Jezus in twee kampen verdeeld: goede en kwade mensen? Zo is het vaak uitgelegd en dan zag men in de kinderen van het Koninkrijk toekomstige zalige mensen. Dat aantal was afhankelijk van de kerkelijke dogmatiek. Voor velen uit de orthodoxe gezindten betreft dat slechts een heel kleine minderheid van de mensheid op aarde. Maar naarmate men naar de vrijzinnige kant opschuift, wordt het aantal zaligen voortdurend groter. En vrijzinnigen leggen een ruime maat aan, zelfs tot Alverzoening toe (= iedereen wordt zalig). Mag je Zo met deze Gelijkenis Omgaan? Beslist niet. Mensen zijn niet in staat de grens tussen behouden worden en verloren gaan scherp te trekken. Ons wordt opgedragen het evangelie van liefde en genade te verspreiden. Het oordeel is ‘des HEEREN’.

Toch duidt Mattheüs 13:38 op een scherpe scheiding, want die spreekt slechts van twee soorten zaden die op de aarde (= de akker – Mattheüs 13:38) tot ontkieming komen en die zijn elkaars tegenpolen: kinderen van het Koninkrijk en kinderen van het kwaad (volgelingen van Satan). Dat heeft weinig van doen met de toenmalige wereld of de huidige, maar duidt op het Messiaanse Rijk. Alleen in die maatschappij vinden we deze opvallende tweedeling. Want de gehele aarde zal dan onder de Gods Wet vallen en Jezus Christus zal Koning zijn en de uitvoerende macht. Openlijk zondigen wordt dan onmiddellijk gestraft en zij die God haten (Satan dienen) ontvangen de doodstraf. Daarom zullen kinderen van het kwaad zich moeten voordoen als gelovigen om te kunnen overleven. Pas als de oogst is aangebroken (Mattheüs 13:30) is de dolik van de tarwe te scheiden. Die oogst wordt ingezet met het ‘loslaten van Satan’, zoals Openbaring 20:7-10 getuigt, want dan pas worden de kinderen van het kwaad zichtbaar (Openbaring 20:8).

Vers 38b Echter de vijand die hen gezaaid heeft, is de duivel.

Blijft over de vraag: Bij welke gelegenheid heeft de vijand (de duivel = Satan) de kinderen van het kwaad dan gezaaid? Dat is niet zo moeilijk. Dat gebeurt tijdens de Grote Verdrukking die aan het Messiaanse Rijk voorafgaat. Dan regeert Satan deze wereld en wordt het kwaad als een godsdienst over de wereld verspreid – we noemen dat de Babylon religie. Als Jezus wederkomt worden de meeste aanhangers van de Antichrist gedood, maar velen zullen voorwenden Jezus te willen volgen om hun leven te redden.

Nog eens: Mattheüs 13:25 Toen dan de mensheid diep in slaap was, kwam de Vijand zelf. Hij zaaide dolik over de tarwe en verdween toen.

Dit vers, dat Jezus niet apart verklaart, is heel intrigerend. Want wat betekent het diep in slaap zijn van de mensheid? Zou dat niet op het begin van de Grote Verdrukking kunnen wijzen, als de mensheid massaal

de Antichrist volgt en hem als Messias beschouwt? De dolik wordt ook wel valse tarwe genoemd – pas een rijpe aar is goed herkenbaar. Het gewas is giftig en leidt tot zinsbegoocheling. Dat past opvallend goed bij een wereld die gelooft dat de Antichrist de Messias is. En dan de woorden: en verdween toen – ziet dat op het binden van de Vijand (Satan, Openbaring 20:1-3), als hij voor duizend jaar van de aarde verdwijnt?

39 Dit is bovendien ook de oogst van de voleinding van dit tijdperk en degenen die maaien zijn engelen.

40 Evenals de dolik wordt verzameld en met vuur verbrand, zo zal het gebeuren bij de voleinding van dit tijdperk.

De voleinding van dit tijdperk is het einde van het tijdperk van de mens of het tijdperk van de oude aarde, zoals ook Openbaring 20:11 getuigt. Die gaat ten onder om plaats te maken voor een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (Openbaring 21). Daaraan vooraf vindt het grote oordeel voor de Grote Witte Troon plaats (Openbaring 20:11) en pas dan worden de kinderen van het kwaad (de dolik) gevonnist en gestraft (met vuur verbrand). Openbaring 20:11-15 (NBV21)

41 De Zoon des Mensen zal Zijn hoge engelen uitzenden en zij zullen uit Zijn Koninkrijk allen verzamelen die een ander ten val brengt en eenieder die onrecht pleegt.

42 Dan zullen zij hen naar de oven van het verterend vuur overbrengen. Ter plaatse zal alom

het gejammer en tandengeknars weerklinken.

Als het Messiaanse Rijk ten einde loopt, wordt Satan losgelaten (Openbaring 20:7). Hij verschijnt in de gedaante van Gog uit Magog (= de duistere uit het land van de duistere 1)) en op zijn roep komen de kinderen van het kwaad tevoorschijn en sluiten zich bij hem aan om de aarde weer in bezit te nemen. Hun doel is Jeruzalem, waar koning Jezus zetelt. Openbaring 20:7-10 (NBV21) profeteert:

7 Wanneer de duizend jaar voorbij zijn, zal Satan uit zijn gevangenis worden losgelaten.

8 Dan gaat hij eropuit om de volken aan de vier hoeken van de aarde, Gog en Magog 1), te misleiden. Hij brengt hen voor de strijd bijeen, zo veel mensen als er zand is bij de zee.

9 Ze trekken op, over de hele breedte van de aarde, en omsingelen het kamp van de heiligen en de geliefde stad. Maar vuur daalt neer uit de hemel en verteert hen.

10 En de duivel, die hen misleidde, wordt in de poel van vuur en zwavel gegooid, bij het beest en de valse profeet. Daar zullen ze dag en nacht worden gepijnigd, tot in eeuwigheid.

De hoge engelen (aartsengelen) zullen de kwaadwilligen verzamelen (kinderen van het kwaad – Mattheüs 13:38) die een ander ten val proberen te brengen en eenieder die onrecht pleegt (Mattheüs 13:41b). Daaronder zijn alle volgelingen van Satan begrepen. Zij worden gevonnist en afgevoerd naar de oven van het verterend vuur. Dat is Goddelijk vuur dat niet alleen het lichaam maar ook de geest vernietigt.

Vers 43

In die tijd zullen de rechtvaardigen stralen als de zon, in het Koninkrijk van hun Vader. Laat eenieder die oren heeft dit ter harte nemen.

De tekst spreekt over de rechtvaardigen die aan het einde van het Messiaanse Rijk de erekroon zullen ontvangen in het Koninkrijk van hun Vader – de Zaligheid.

Mattheüs 13:44 De Gelijkenis van de Schat in de akker

Vers 44 Anderzijds is het hoge Hemelse Koninkrijk gelijk aan een schat die in de akker verborgen

lag. Toen een man die vond, verborg hij hem en ging vervuld van blijdschap heen. Daarop verkocht hij alles wat hij had en kocht die akker.

De schat is het hoge Hemelse Koninkrijk dat is wel duidelijk. De belangrijkste vraag is: Wie kocht die schat en dat kan maar één antwoord zijn: Jezus Christus. Tegen die achtergrond krijgen ook de woorden verkocht hij alles wat hij had diepe betekenis. Want Jezus gaf alles op om de mens verlossing te brengen.

Doordenker: Soms moeten we alert zijn op wat Jezus niet zegt. Want in de Gelijkenis van de Schat in de Akker ontbreekt dat de ‘Koper van de akker’ de schat opgroef en zich toe-eigende. Ook dat heeft een boodschap, want het Messiaanse Rijk is nu nog niet gerealiseerd. Tot dat moment ligt die Schat als een belofte verborgen. Is het niet mooi dat Jezus Christus met blijdschap uitkijkt naar die grote dag?

Mattheüs 13:45-46 De Gelijkenis van de Kostbare Parel

45 Evenzo is het hoge Hemelse Koninkrijk vergelijkbaar met een koopman die op zoek was

naar mooie parels.

46 Toen hij die gevonden had – het was een uitzonderlijke en kostbare parel – heeft hij alles

wat hij bezat verkocht en kocht hem.

De verklaring van vers 44 is hier ook van toepassing, zoals het woord evenzo aangeeft. De uitzonderlijke en kostbare parel is het hoge Hemelse Koninkrijk. De koopman is Jezus Christus en ook hier staat dat Hij alles wat hij bezat verkocht – Jezus gaf Zijn hemelse positie op om de mens te redden.

Mattheüs 13:47-50 De Gelijkenis van het Visnet

Vers 47 Ook is het hoge Hemelse Koninkrijk gelijk aan een visnet dat in de zee wordt neergelaten

en allerlei soorten vis bijeenbrengt.

Vers 48 Toen het vol genoeg was, trokken de vissers het net op de oever. Daarna gingen ze zitten en verzamelden de goede vis in kuipen, maar wat rot was werd buiten geworpen.

Vers 49 Aldus zal het geschieden bij de voleinding van dit tijdperk: De hoge engelen zullen uittrekken en alle kwaadwilligen van de rechtvaardigen scheiden.

Vers 50 Zij zullen hen naar de oven van het verterend vuur overbrengen. Daar zal alom het gejammer en tandengeknars weerklinken.

De uitdrukking allerlei soorten vis ziet op het bijeenvergaren van mensen. Vol genoeg is een metafoor van de voleinding van dit tijdperk in vers 39b. De goede vis duidt op gelovigen en het onbruikbare op de kinderen van het kwaad. Hier wordt dus een beeld opgeroepen van de laatste periode van het Messiaanse Rijk, als de mensheid door de hoge God geoordeeld wordt. Daarmee komt er een einde aan de oude aarde en de oude engelenhemel, want er wordt een nieuwe hemel 2) en aarde geschapen. Openbaring 21:1 getuigt.

Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Want de eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbij, en de zee is er niet meer.

Vers 48b wat rot was werd buiten geworpen: In scherpe bewoordingen beschrijft Jezus de kinderen van het kwaad (Mattheüs 13:38) dus volgelingen van Satan. Zij worden buiten geworpen en wat dat betekent, zegt vers 50. Ze worden veroordeeld tot de oven van het verterend vuur en daar zal alom het gejammer en tandengeknars weerklinken: Voor de executie worden de kwaadwilligen geconfronteerd met de reden van hun veroordeling – hun keuze voor Satan. Dat zal sommigen hun foute keuze doen betreuren, maar andere zullen volharden in hun afkeer van de hoge God en in redeloze woede hun executie tegemoet gaan.

Mattheüs 13:51-53 De Bekeerde Schriftgeleerde

Vers 51 De Heer Jezus vroeg hen dringend: Hebben jullie dit alles begrepen? Zij antwoordden Hem: Jazeker Heer.

De Heer Jezus vraagt Zijn discipelen nadrukkelijk: Hebben jullie dit alles begrepen? Hun antwoord – Jazeker Heer – is nogal definitief. Toch is het niet waarschijnlijk dat alle diepten van dit hoofdstuk tot hen doorgedrongen waren. Het waren immers eenvoudige vissers en zij hadden maar beperkte kennis van de Schriften. Pas na de opstanding werden ze kenners van de Tenach (Oude Testament) en verkregen ze uniek inzicht in heilige zaken, zoals Lukas 24:45 (NBV21) getuigt:

Daarop maakte Hij hun verstand ontvankelijk voor het begrijpen van de Schriften.

Vers 52 Hij echter voegde daaraan toe: Om die reden zal iedere schriftgeleerde die tot discipel gemaakt wordt in het hoge Hemelse Koninkrijk, gelijk zijn aan een heer des huizes die uit zijn schat nieuwe en oude dingen opdiept.

Dit vers is een conclusie die alle gelijkenissen samenvat. Want een schriftgeleerde was toen een kenner van de Thora en de Profeten. De man in kwestie heeft zich bekeerd en als discipel van Jezus Christus heeft de schriftgeleerde inzicht gekregen in de Raad Gods en daarom ziet hij de profetieën nu in een nieuw licht. Dat vormt de schat waaruit deze geleerde nieuwe en oude dingen opdiept.

Vers 52 is ook toepasbaar op onze Tijd. De schriftgeleerde staat model voor elke Bijbelgeleerde die het Woord Gods onderzoekt. Want die vindt tot zijn grote vreugde voortdurend nieuwe en oude dingen. Begrijpt hij/zij daarmee de gehele Raad Gods? Neen, dat is geen sterveling gegeven. Wij zien slechts wat ons verstand kan bevatten, totdat God ons het panorama van de Zaligheid onthult. Dan zullen we weten!

Vers 53 En het geschiedde toen de Heer Jezus deze gelijkenissen beëindigd had, dat Hij vandaar vertrok.

Waar Jezus heenging vinden we in vers 54, namelijk Zijn Vaderstad, Nazareth. ______________________________________________________________________________________________________________________

De Verklaring – Mattheüs 13:54-58 Jezus wordt door Zijn Vaderstad Verworpen

Vers 54 Hij kwam aan in Zijn vaderstad en gaf de inwoners onderricht in hun synagoge met de bedoeling om hen te schokken. Toen vroegen zij zich af: Waar heeft Hij toch dit inzicht en die bijzondere krachten vandaan?

Aangekomen in Nazareth gaat Jezus naar de synagoge om er onderricht te geven. Dat was de normale gang van zaken, want als Rabbi met Semikhah werd van Jezus verwacht dat Hij overal onderwijs gaf. Wellicht was Zijn onderricht bedoeld om zijn toehoorders wakker te schudden; een appel tot bekering. Maar dat wordt Hem niet in dank afgenomen. Dat blijkt wel uit vers 57, waar de verontwaardiging over de prediking van Jezus helder verwoord wordt.

Waar heeft Hij toch dit inzicht en bijzondere krachten vandaan? Dit is beslist geen compliment aan het adres van Jezus Christus, zoals men meestal stelt. Hier wordt door de toehoorders in de synagoge ernstige twijfel uitgesproken of Jezus zijn inzicht en bijzondere krachten wel van de hoge God had of – zoals de Farizeeën beweerden – van Beëlzebul) (dus van Satan – Zie: Mattheüs 12:24).

Vers 55 Is dit niet die bekende zoon van de aannemer? Maria is toch Zijn moeder en Jacobus, Joses, Simon en Judas zijn toch Zijn broers en dan nog al Zijn zussen, horen die niet allen bij ons?

De toehoorders zien hier geen Rabbi met Semikhah op de preekstoel staan of de Messias, maar gewoon een voormalig dorpsbewoner die enige roem vergaard heeft (die bekende zoon). Vervolgens wordt Jezus gelijk- gesteld met de andere leden van het gezin – ook dorpsbewoners –, Zijn moeder, broers en zussen. Dat heeft een ondertoon heeft van: ‘Wat verbeeldt die Jezus zich eigenlijk wel; doe eens gewoon!’

Vers 56 Wat is toch Zijn bron in dit alles?

Vers 57 En zij namen aanstoot aan Hem. Jezus echter deed de bittere uitspraak: Nergens is een profeet zonder eer behalve in Zijn vaderstad en in Zijn eigen huis.

Vers 58 Dus verrichtte Hij vanwege hun ongeloof daar niet veel wonderen.

En openlijk wordt twijfel uitgesproken of de bron van kennis en de bijzondere krachten van Jezus wel van God zijn of … uit kwade, satanische bron stammen. Hier is dus sprake van puur ongeloof (vers 58) en daarom verrichtte Jezus daar niet veel wonderen.

Dit is een uittreksel van de Verklaring van Mattheüs door Gert A. van de Weerd. Daar wordt de in deze studie gebruikte grondtekst diepgaand verantwoord.

Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

Laat een reactie achter

Let op: reacties moeten eerst worden goedgekeurd voordat ze worden gepubliceerd.

Deze site wordt beschermd door hCaptcha en het privacybeleid en de servicevoorwaarden van hCaptcha zijn van toepassing.