Mattheüs 2 en 3 Bethel (Exegese)

📄 Download deze Bijbelverklaring (PDF)

Mattheüs 2:1-23 – De Verklaring

Vers 1 Hij nu die Jezus genoemd wordt, werd geboren in Bethlehem, Judea, in de dagen van Herodes de hoge koning (Dat gebeurde in het jaar 5 of 6 voor Christus. Onze jaartelling bevat dus een fout).


Vers 2 Er gebeurde iets opwindends! Magiërs uit het Oosten trokken Jeruzalem binnen met de indringende vraag: Waar is de Koning der Joden die onlangs geboren is? Wij zagen immers een bijzondere ster in het verre Oosten en zijn gekomen om Hem persoonlijk te aanbidden.

De Magiërs kwamen uit Babylon en waren beroemd. Ze verlieten de stad zelden, dus was de aankomst van een karavaan met Magiërs een opwindende gebeurtenis. De Magiërs vroegen niet óf er een koning geboren was, daar twijfelden zij niet aan, maar waar. Ze waren wetenschappers en beoefenden zowel astronomie als astrologie. Een nieuwe ster was een belangrijke gebeurtenis en werd als teken beschouwd dat er een groot koning was geboren. De nieuwe ster stond laag in het westen en bleef daar staan – dat doen sterren niet; want die draaien weg. Dit fenomeen zal de Magiërs ertoe gebracht hebben om oude documenten te onderzoeken. Wellicht is toen de koppeling met de ster van Bileam gelegd (Numeri 24:17). Bileam sprak van ‘een ster uit Jakob’ = Israël en dat lag in Kanaän. Dat was tevens de richting die de ster aanwees. De Magiërs besluiten om een karavaan samen te stellen en naar Kanaän te reizen om daar onderzoek te doen.

De reis van Babylon naar Jeruzalem was een grote onderneming. De weg liep niet van oost naar west – de kortste route. Tussen Babylon en Kanaän lag de Syrische Woestijn en die werd gemeden. De route liep parallel aan de Eufraat naar het Noorden en pas in Haran boog men naar het westen af. Dan ging de reis zuidwaarts door Syrië en via het Jordaandal naar Jeruzalem. Dat was een afstand van bijna 1000 kilometer!


Vers 3 Toen de hoge koning Herodes daarvan hoorde, was hij geschokt evenals allen in Jeruzalem die aan hem verbonden waren.

Jeruzalem was in opschudding. De rijke karavaan zelf en de beroemde Magiërs waren al een fenomeen en daar kwam nog bij dat de dienaren van de Magiërs overal informeerden naar de ‘geboren koning der Joden’. Een dergelijke vraag in een tijd, waarin men reikhalzend naar de komst van de Messias uitziet, voert de zinderende spanning nog verder op. Niet verwonderlijk dat al die opschudding koning Herodes ter ore kwam én hem schokte, want hij was altijd bang voor complotten tegen zijn bewind.


Vers 4 Nadat Herodes alle leidende priesters en hoge bestuurders van het volk samengeroepen had, ondervroeg hij hen stuk voor stuk met de vraag waar de Christus geboren zou worden.

Herodes roept zijn hoge bestuurders bijeen en ook de leidende priesters; de Hoge Raad (Sanhedrin). Hij is bevreesd dat er een opstand tegen zijn bewind broeit en besluit de priesters en bestuurders persoonlijk te ondervragen (stuk voor stuk). Een ondervraging door de ziekelijk wantrouwige Herodes was een hachelijk gebeuren. Want hij ging gemakkelijk tot marteling over of executie indien iemand zijn woede opwekte en zijn lijfwacht stond altijd klaar om elk bevel van hem, hoe bizar ook, onmiddellijk uit te voeren.


Vers 5 Degenen nu die antwoordden, zeiden: In Bethlehem dat in Judea ligt, want aldus is door

een hoge profeet geschreven:

Vers 6 En gij Bethlehem, in het land van Juda, bent zeker niet de minste onder de leiders van Juda,

want uit u zal een groot leidsman voortkomen die Mijn uitverkoren volk zal hoeden: het ware Israël.

Gelukkig weten sommige priesters het antwoord: In Bethlehem dat in Judea ligt. Deze tekst komt uit Micha 5:1. In Bethlehem wordt de Christus geboren, zeggen de priesters. Geloofde koning Herodes dat? Ongetwijfeld! De uitspraak van de priesters en de overtuiging van de Magiërs (die een grote reputatie hadden) dat de koning der Joden geboren was, zijn voor Herodes niet te negeren feiten.


Vers 7 Daarop riep Herodes de Magiërs in het geheim bij zich en ondervroeg ieder van hen zorgvuldig

over het precieze tijdstip van de verschijning van de ster.

Herodes vertrouwde vrijwel niemand (ook niet zijn kinderen of zijn vrouwen). Hij liet daarom hovelingen

en familie bespioneren. Regelmatig werd iemand ter dood gebracht, vaak op vage bewijzen. Er hing dus een sfeer van angst in zijn paleis. Herodes besluit om de Magiërs zelf te ondervragen – stuk voor stuk apart – over de datum van de geboorte van het kind. Hoewel de Magiërs met groot respect behandeld werden, is het zeker dat Herodes zich daar niets van aantrok. Als zijn koningschap in gevaar was, reageerde hij uiterst wreed en was zelfs de naaste familie niet veilig (hij liet zijn eerste vrouw en drie zonen ter dood brengen).


Vers 8 Toen zond hij hen naar Bethlehem met volgende opdracht: Stel zorgvuldig onderzoek in naar het hoge Kind. Boodschap het mij zo gauw u het gevonden hebt, opdat ik ook kan komen om het te aanbidden.

Herodes heeft natuurlijk geen idee waar het kind Jezus verblijft en gokt erop dat de Magiërs het zullen vinden. Zijn argument (opdat ik ook kan komen om het te aanbidden) zullen zelfs de Magiërs niet geloofd hebben. De angstsfeer aan het hof en de verhalen daarover ontmaskert Herodes als een wrede, paranoïde dictator. Koning Herodes maakt nu een geheime afspraak met de Magiërs (zie vers 7). Hij vreesde kennelijk dat aan zijn Hof verraders schuilden die banden hadden met de Zeloten, potentiële opstandelingen.


Vers 9 Nadat zij de hoge koning aangehoord hadden gingen ze op weg. Toen, plotseling, verscheen dezelfde ster die zij in het Oosten hadden gezien. De ster ging hen voor tot aan zijn bestemming en stelde zich op boven de plaats waar het hoge Kind was.

De Magiërs, die gewend waren op gelijke voet met koningen om te gaan, luisteren nu angstig naar wat Herodes te zeggen heeft. Niemand sprak koning Herodes ongevraagd aan. Ze zullen dan ook met een zucht van verlichting zijn paleis verlaten hebben. Als de Magiërs Jeruzalem verlaten, verschijnt plotseling dezelfde ster als voorheen en die gaat hen voor naar de bestemming – de plaats waar het hoge Kind was.


Vers 10 Gezien hebbende wat de ster deed, werden zij vervuld van diepe vreugde.

Vers 11 Toen zij het huis waren binnengegaan, hebben ze het hoge Kind met Zijn moeder, Maria gevonden. Zij wierpen zich in aanbidding voor Hem neer. Daarna openden zij hun kistjes met kostbaarheden en boden zijzelf Hem de geschenken aan: goud en wierook en mirre.

De Magiërs beseffen: we zijn er en dat vervult hen met diepe vreugde. Je ziet het voor je. Eerbiedig, met een heilige glimlach op het gelaat gaan ze het huis binnen en buigen zich in aanbidding neer voor het kind Jezus (Hem) in het besef dat het Kind Goddelijke is en bewijzen Het hoge eer. Ze bieden Jozef en Maria geschenken aan: goud en wierook en mirre en zo wordt ook aan de ouders van Jezus hulde gebracht.


Vers 12 Na een Goddelijke interventie in een droom om niet naar Herodes terug te gaan, keerden ze via een andere route terug naar hun eigen land.

De Magiërs kiezen op Gods bevel een andere route om zo de patrouilles van de soldaten van Herodes te ontwijken. De normale terugweg liep via Jeruzalem en Jericho. Het alternatief was om de weg omhoog te volgen (vers 13a), oostwaarts de bergen van Judea in. Die liep naar de zuidoever van de Dode Zee en sloot aan op de karavaanroute van noord naar zuid in Perea, oostelijk van de Jordaan. Daar kwam veel minder verkeer over dan de westelijke route en daar waren geen soldaten van koning Herodes. Ter hoogte van de zuidoever van het Meer van Galilea konden ze dan weer de route naar Babylon oppakken.


Vers 13 Toen de Magiërs omhoog wegtrokken, verscheen plotseling ook een engel aan Jozef in een droom met de volgende boodschap: Als u opgestaan bent, neem dan het hoge Kind en alleen Zijn moeder mee en vlucht naar Egypte. Blijf daar en wacht af totdat ik gezegd heb wat u moet doen, want Herodes zoekt het hoge Kind om het te doden.

Als de Magiërs enige uren weg zijn, spreekt een engel tot Jozef in een droom. Die gelast hem om heimelijk Bethlehem te verlaten en naar Egypte te vluchten, om zo de dreiging van Herodes te ontlopen. Nadrukkelijk wordt Jozef opgedragen alleen met zijn vrouw Maria en het Kind Jezus te reizen. Dat was heel ongewoon en niet zonder risico, want de route liep voor een groot deel door de woestijn. De normale gang van zaken

was dat men zich inkocht bij een bestaande karavaan en daarvoor waren speciale ‘vertrekstations’ ingericht.


Vers 14 Nadat Jozef was opgestaan, nam hij in dezelfde nacht alleen het hoge Kind en Zijn moeder met zich mee en week uit naar Egypte.

Men reisde in die tijd 30-40 kilometer per dag. De af te leggen afstand was bij benadering 300-350 km. Indien het reisdoel Alexandrië was (waar veel Joden woonden) moeten we daar nog eens ruim 200 km bijtellen. Het was dus een reis van minimaal 10 dagen. Jozef en Maria hadden gelukkig goud van de Magiërs gekregen en waren dus in staat om kamelen te kopen – onmisbaar voor een reis door de woestijn.


Vers 15 Hij bleef daar tot de dood van Herodes bevestigd werd. Aldus werd vervuld wat door de Heer gesproken was bij monde van een hoge profeet die zei: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.

De dood van Herodes de Grote was groot nieuws en kwam na enige weken ook Maria en Jozef ter ore.

Mattheüs citeert uit Hosea 11:1. Daar staat (NBV21): Toen Israël nog een kind was, had Ik het lief; uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen. Die tekst kent twee vervullingen. De eerste wijst op Israël dat Mijn (= Gods) Zoon genoemd wordt. Israël wordt dus uit Egypte geroepen (= uitverkoren) om een missie te vervullen. En wel om Gods volk te zijn in Gods land, Kanaän. De tweede wijst op de ballingschap van het kind Jezus in Egypte. Israël kreeg een heilige taak opgelegd, maar faalde daarin. Toen werd een tweede Zoon, nu met een hoofdletter, geroepen: Jezus Christus, de Messias en werd Hij ‘voertuig van het Heil’.


Vers 16 Toen Herodes begreep dat hij zich door de Magiërs als een kind had laten misleiden, werd hij razend van woede. Daarop deed hij een bevel uitgaan om alle jongetjes van twee jaar en jonger te doden die in Bethlehem en wijde omgeving waren, overeenkomstig de tijdspanne zoals hij die van elk van de Magiërs te weten was gekomen.

Als Herodes er achter komt dat de Magiërs verdwenen zijn, wordt hij razend van woede. Zijn reactie is meedogenloos. Hij beveelt om alle jongetjes van twee jaar en jonger te doden in Bethlehem en wijde omgeving. Hij neemt voor de zekerheid een ruime marge en laat alle mannelijke kinderen tot 2 jaar doden.


Vers 17 Toen werd vervuld wat door Jeremia de hoge profeet is gesproken:

Vers 18 Hij zei: Een stem klinkt in Rama – bittere rouw en luid weeklagen –; Rachel weent om haar vele kinderen, maar zij wil niet getroost worden, want ze zijn er niet meer.

Zo wordt de profetie van Jeremia 31:15 (NBV21) vervuld: Hoor, in Rama klinkt een klacht, bitter geween. Rachel beweent haar zonen, zij wil niet worden getroost. Haar kinderen zijn er niet meer. Rama lag in Benjamin (de zoon van Rachel en Jakob). In Rama werden de Joden samengedreven en gedeporteerd naar Babylon (Jeremia 40:1). Rachel is dus de ‘moeder van het volk’ die weent om haar kinderen, die door de Babyloniërs afgeslacht zijn of worden gedeporteerd. Een tweede verbonden profetie is Ruth 4:11 (NBV21):

De HEER geve dat de vrouw (Ruth) die in uw huis komt (van Boaz), zal zijn als Rachel en Lea, die beiden het huis van Israël groot hebben gemaakt, zodat ook u groot zult zijn in Efrata (Micha 5:1) en uw naam in Betlehem zal voortbestaan (door Jezus Christus, de nazaat van Ruth).

Omdat Herodes de kinderen in Bethlehem liet doden, verwijst Mattheüs naar voorgaande teksten om zo het grote verdriet van de ontroostbare moeders gestalte te geven. Zo staat het ‘verlies van Rachel’ model voor alle verdriet dat het Joodse volk. Het is daarom dat ook de Holocaust met deze teksten verbonden wordt.


Vers 19 Toen deze Herodes gestorven was, verscheen plotseling een engel van de Heer in een droom aan Jozef, in het land Egypte.

Vers 20 Hij zei: Als je opgestaan bent, neem dan het hoge Kind en alleen Zijn moeder mee. Reis samen met hen naar het land Israël. Want zij die het hoge Kind om het leven wilden brengen zijn gestorven.

Vers 21 Nadat Jozef was opgestaan nam hij het hoge Kind samen met alleen zijn moeder met zich mee.

Als Herodes gestorven is, draagt de engel Jozef op om naar Israël terug te keren. Weer wordt Jozef gelast alleen met vrouw en kind te reizen (dus in het geheim). Alle gevaar was kennelijk nog niet geweken.


Vers 22 Toen hij het land Israël was binnengegaan, hoorde hij daar dat Archelaüs koning over Judea was geworden in plaats van Herodes, die zijn vader was. Daarom schrok hij ervoor terug om daarheen te gaan. Nadat hij in een droom een goddelijke aanwijzing had gekregen, week hij uit naar de landstreek Neder-Galilea.

Vers 23 Daar aangekomen ging hij wonen in een stad genaamd Nazareth – Aldus kwam alles tot vervulling wat door de hoge profeten is gezegd –, tevens zal Hij Nazoreeër genoemd worden.

Jozef wilde naar Bethlehem gaan. Toen hij Kanaän binnentrok hoorde hij dat Archelaüs (zoon van Herodes) Judea regeerde. Op bevel van een engel wijkt Jozef uit naar Neder-Galilea, in het noorden van Kanaän.


Mattheüs 3:1-17 – De Verklaring

Vers 1 Toen de Gestelde Tijd aanbrak, begon tevens Johannes de Doper in de wildernis van

Judea te prediken.

Vers 2 Hij verkondigde: Kom tot inkeer, want het hoge Hemelse Koninkrijk is nabijgekomen.

Mattheüs kondigt een Gestelde Tijd aan. Dat is een sleutelmoment in de Raad Gods. God stuurt Johannes de Doper – die er uitziet en handelt als Elia – om een mogelijke wending in de Raad Gods aan te kondigen. Dus geen beslissing? Neen, want de voortgang van de Raad Gods is afhankelijk van hoe mensen reageren. Het Einddoel staat vast, maar op de weg ernaar toe is de vrije wil van de mens bepalend.

De prediking van Johannes de Doper schokte de Joden en was toen hét gesprek van de dag! Johannes doopte aan de Jordaan, in de buurt van Jericho en was een indrukwekkende verschijning. Hij was gekleed in een mantel van kamelenhaar met een brede leren gordel en at wilde honing en sprinkhanen, evenals Elia de profeet (2 Koningen 1:8). Zagen de Joden dat ook? Jazeker, want men geloofde toen dat de komst van de Messias aanstaande was en Maleachi 3:23-24 profeteerde wanneer dat zou gebeuren: Voordat de dag van de HEER aanbreekt, die groot is en ontzagwekkend, stuur Ik jullie de profeet Elia, en hij zal ervoor zorgen dat ouders zich verzoenen met hun kinderen en kinderen zich verzoenen met hun ouders. Toen Johannes begon te prediken en ook nog zoals Elia optrad, gonsde het van de geruchten en stroomden de mensen toe.

Kernprediking van Johannes was: Kom tot inkeer, want het hoge Hemelse Koninkrijk is nabijgekomen. Dat was geen geestelijk koninkrijk in de hemel, zoals christelijke uitleggers verklaren. De Joden zagen uit naar een aards koninkrijk met een hemels bestuur (God); een verbeterde versie van het rijk van David en Salomo onder leiding van de Messias – een ander hemels Koninkrijk kenden ze niet. Dat Rijk zou alleen toegankelijk zijn voor gelovige Israëlieten – vandaar de boodschap: Kom tot inkeer.


Vers 3 Het is dit optreden waar Jesaja over gesproken heeft, toen hij zei: Een stem roept in de wildernis: Maak de weg van de Heer gereed, maak recht Zijn paden.

Johannes citeert Jesaja 40:3 en roept zijn gehoor op om in geloof de weg naar hun hart vrij te maken, opdat Jezus (Johannes 1:6-13) daar intrek kan nemen. Dan zou het Messiaanse Rijk kunnen beginnen. Is dat een bindende voorwaarde? Jazeker, want zonder die bekering (Zacharia 12:10-14 en Ezechiël 36:24-38) zal dat Rijk er niet komen (Ezechiël 20:33-38). God heeft een plan met Israël. Dat plan voorziet in Gestelde Tijden – dat zijn door God gekozen momenten in de tijd, waarop de vervulling van belangrijke profetieën kunnen beginnen. In dit geval betreft dat het Messiaanse Rijk. De voorwaarde is: Kom tot inkeer – dus: bekeer u! Kan die Gestelde Tijd mislukken? Ja en dan moet het Joodse volk wachten op een volgend moment waarop God het heil aanbiedt. Het volk Israël heeft meerdere Gestelde Tijden gekend.

→ De eerste brak aan toen Israël Kanaän binnentrok onder Jozua. Die missie mislukte omdat het volk niet naar de hoge God luisterde en de afgoden ging dienen. Daarom kwam het beoogde Godsrijk er niet.

→ De tweede ontstond toen koning Salomo de tempel voltooide en de hoge God daar ging wonen. Maar ook toen sloop de afgodendienst het land binnen en daarom viel Israël in twee delen uiteen.

→ De derde kans ontstond na de ballingschap. De Joden werden opgeroepen om massaal terug te keren naar Kanaän. Slechts een klein deel gehoorzaamde en zo werd ook die kans tenietgedaan.

→ De vierde breekt aan met de bediening van Jezus Christus die door Johannes wordt aangekondigd.

Wij weten dat ook de vierde Gestelde Tijd ook mislukte, want de Joden wezen Jezus af en daarom stichtte Hij Zijn Gemeente. Sindsdien is Israël geen voertuig van het Heil meer, maar Zijn Gemeente. Daarmee heeft het Joodse volk de laatste ‘herkansing’ gemist. Nu rest slechts het definitieve Einde zoals de Rabbi’s leren en dat is de Eindtijd. Als die is aangebroken wordt de Gemeente in de hemel opgenomen en dan wordt de heilsgeschiedenis met Israël voortgezet, echter onder barre condities, zoals Openbaring ons leert.


Vers 4 Hijzelf nu – dus Johannes – droeg een typerende mantel van kamelenhaar met een gordel

van leer rond zijn middel en hij voedde zich tevens met sprinkhanen en wilde honing.

Een typerende mantel van kamelenhaar met een gordel van leer. Zo suggereerde Johannes dat hij de profeet Elia is die terug zou komen en veel Joden hebben dat beslist zo opgevat. Want Maleachi 3:23-24 profeteert daarover. De wederkomst van Elia als heraut van de Messias leefde toen breed onder de Joden. Het optreden van Johannes wakkerde het verlangen naar de komst van de Messias daarom extra aan.

Dus Johannes de Doper is tevens Elia? Neen, want Jezus zegt in Mattheüs 11:14 (NBV21): En voor wie

het wil aannemen: hij (Johannes) is Elia, die komen zou. De Joden verwierpen Jezus Christus, dus ook de boodschap van Johannes de Doper. Daarom was hij Elia niet – hij had het kunnen zijn – Elia komt nog.


Vers 5 In die periode liepen de mensen massaal uit naar Johannes. Zij kwamen uit Jeruzalem, heel het land Judea en de gehele landstreek langs de Jordaan.

Vers 6 En terwijl zij al hun zonden beleden, werden zij door hem in de Jordaan gedoopt.

Het gonst van de geruchten in Judea en de Jordaanvallei: Elia is terug en preekt bij de Jordaan! De Messias komt! Massaal stromen de mensen toe en evenals de profeet Elia striemt hij zijn toehoorders door hun zondige leven te hekelen. De felle preken dragen vrucht. Velen belijden hun zonden en Johannes doopt hen.

De proselietendoop was bekend en was voor heidenen die naar het Joodse geloof overgingen. De afwassing door water symboliseerde dat de bekeerling zich reinigde van zijn heidense verleden. Johannes behandelt de Joden dus als heidenen. In feite was dat een belediging. Toch komen velen tot geloof.


Vers 7 Op een gegeven moment zag Johannes dat er een groot aantal Farizeeën en Sadduceeën aankwam bij de plaats waar hij doopte. Hij richtte het woord tot hen en sprak: Addergebroed, welke autoriteit heeft u onderwezen dat u kunt ontsnappen aan de komende toorn?

Vers 8 Breng liever vruchten voort die een ware bekering aantonen.

De doop van Johannes, het gerucht dat hij Elia is en het Koninkrijk der Hemelen nabij is, verspreidt zich als een lopend vuur en komt de Hoge Raad ter ore. Men besluit een delegatie te sturen om vast te stellen wat daar aan de hand is. De Farizeeën en Sadduceeën worden niet met respect bejegend. Integendeel, Johannes striemt hen diep beledigende woorden. Dat is niet alleen adderengebroed (= gebroed van Satan), maar vooral de woorden: Welke autoriteit heeft u onderwezen dat u kunt ontsnappen aan de komende toorn?

Dat de Farizeeën die autoriteit hadden (wat zij zeker vonden) wordt door Johannes ontkend. En dan nog de komende toorn – het grote oordeel. Johannes zegt dus dat de Farizeeën en Sadduceeën verloren gaan. Het ontbreekt hen aan een ware bekering; het zijn huichelaars. Dat is nogal een uitspraak. Welnu, als je vijanden wil maken dan zijn de woorden van Johannes de Doper in vers 7 en 8 daartoe het juiste middel.


Vers 9 En meen niet dat u bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben aartsvader Abraham als onze vader.

Want ik zeg u dat God uit de stenen hier kinderen van aartsvader Abraham kan verwekken.

De verdiensten van de aartsvaders (vooral van Abraham) beschouwde men als een geestelijke erfenis voor elke ware Jood. Daarom was men ‘rechtvaardigheid voor God’ – uitverkoren. Men verwees dan naar Jesaja 51:1 (NBV21: Kijk naar de rots waaruit je gehouwen bent). Dat dogma wijst Johannes gedecideerd van de hand! Hij wijst op de stenen in de bedding van de Jordaan 2) en zegt: Want ik zeg u dat God uit de stenen hier kinderen van aartsvader Abraham kan verwekken. Dat is een Keiharde Veroordeling! Johannes spreekt met het gezag van de profeet Elia en zegt dat de Farizeeën en Sadduceeën in zonde leven. Hij gelast hen zich te bekeren en hun zonden dan publiekelijk te belijden – dat is nogal heftig!


Vers 10 Het is nu zover: de daarvoor bestemde bijl ligt aan de wortel van de bomen. Elke boom die

geen goede vruchten voortbrengt wordt omgehakt en in het vuur gebracht.

Johannes kondigt een Gestelde Tijd aan (het is nu zover). Die had een aantal kenmerken, want met de komst van de Messias zou scheiding aangebracht worden tussen gelovigen en ongelovigen. Alleen de gelovigen mogen het Messiaanse Rijk binnengaan. Dit Rijk kwam er niet, omdat de Joden Jezus niet als Messias erkenden. Dat doen niets af van het feit dat het heil toen wel voor het grijpen lag. Het had kunnen gebeuren – de bijl lag inderdaad aan de wortel. Dus waren toen ook de oordelen van God aanstaande.


Vers 11 Ik doop u dan wel met water als teken van een ware bekering; echter Degene die na mij komt is machtiger dan ik – jegens Hem ben ik niet waardig Zijn sandalen na te dragen –, Hij zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur.

De doop van Johannes staat niet op zichzelf maar dient als voorportaal voor de latere doop met de Heilige Geest (vers 11c). Dat kan Johannes niet, hij was maar een mens; Degene die na mij komt – Jezus Christus – wel. Want Jezus is Goddelijk én mens. Zijn sterven aan het kruis op Golgotha brengt ons verzoening: De straf die ons de vrede brengt was op Hem (Jesaja 53:5). Herstelt de doop in de Heilige Geest de band tussen God en mens? Geestelijk wel, lichamelijk niet. Wie ‘God ziet’ sterft. getuigt daarover: Hij (God) zeide: Gij (Mozes) zult mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens zal Mij zien en leven. Wij leven in een vergankelijk lichaam en dat kan God niet ontmoeten; 1 Korintiërs 15:50 (NBV21):

50 Wat ik bedoel, broeders en zusters, is dit: wat uit vlees en bloed bestaat kan geen deel hebben aan het koninkrijk van God; het vergankelijke krijgt geen deel aan de onvergankelijkheid.

51 Ik zal u een goddelijk geheim onthullen: wij zullen niet allemaal eerst sterven – toch zullen wij allemaal

52 veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, wanneer de bazuin het einde inluidt.

Als de doden worden opgewekt tot Zaligheid ontvangen Gods kinderen een onvergankelijk lichaam dat de hoge God wel kan ontmoeten. Johannes spreekt in vers 11 over twee taken van Jezus. Hij zal u dopen met de Heilige Geest – een zegen; maar Hij komt ook met vuur en dat betreft het oordeel over de goddelozen.


Vers 12 Hem (Jezus Christus) is de wan ter hand gesteld en Hij zal Zijn dorsvloer grondig zuiveren. Dan zal Hij al de tarwe die Hem toekomt verzamelen in de schuur, echter wat kaf is zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur.

Zo is dan de komst van Jezus Christus tot zegen en ten oordeel. Zijn dorsvloer duidt op het land Kanaän in zijn Messiaanse afmetingen. Dat land moet gezuiverd worden, voordat het Messiaanse Rijk kan beginnen. Maar omdat het Joodse volk Jezus afwees, kon dat Rijk niet worden gevestigd. Daarmee is ook het zuiveren van het beloofde land naar de toekomst verschoven: naar de Eindtijd.

De tarwe staat symbool voor gelovigen en die zijn van Jezus Christus (die Hem toekomt) – zij komen niet

in het oordeel. Het kaf symboliseert de goddelozen en die worden in onblusbaar vuur gebracht en verbrand.


Vers 13 Korte tijd daarna kwam de Heer Jezus vanuit Neder-Galilea via de Jordaan naar de plaats waar Johannes was om juist daar door hem gedoopt te worden.

Jezus verlaat Neder-Galilea en reist via het Jordaandal naar de doopplaats (Jericho). Dan gebeurt er iets bijzonders. Jezus loopt naar Johannes om gedoopt te worden. Hij stuurt dus aan op een publiek optreden in een tijd waarin het gonsde van geruchten dat de Messias eraan komt. Hebben de Joden Hem als Messias herkend? Waarschijnlijk niet want Jezus was nog niet in het openbaar opgetreden. Zijn kleding zei de mensen echter wel dat Hij een rabbi was. Toch gonst het van de geruchten; zou Hij de Messias zijn?


Vers 14 Johannes echter probeerde Hem daarvan te weerhouden met de woorden: juist ík heb het nodig om door U gedoopt te worden en dan komt Ú naar mij?

Johannes de Doper herkent Jezus (zij waren naaste familie). Johannes was dus op de hoogte dat Jezus Goddelijk is. Hij vindt het onbegrijpelijk dat Hij gedoopt wil worden – terecht zouden we zeggen.


Vers 15 De Heer Jezus echter antwoordde en zei tot hem: Laat het nu maar gebeuren, want het is gepast voor ons om aan het Goddelijk recht te voldoen – toen gaf Johannes aan Hem toe.

Waarom wilde Jezus gedoopt worden? – immers een ceremoniële afwassing van zonden! Hij was toch zonder zonde. Jezus geeft Zelf het antwoord en zegt dat het Goddelijk recht vereist dat Hij gedoopt wordt. Hebreeën 2:17-18 (NBV21) legt het uit: Daarom moest Hij in alles gelijk worden aan zijn broeders en zusters; alleen dan zou Hij in aangelegenheden tussen God en zijn volk een barmhartige en betrouwbare hogepriester zijn, die verzoening bewerkt voor hun zonden. Juist omdat Hij zelf, toen Hij op de proef werd gesteld, het lijden doorstaan heeft, kan Hij ieder die beproefd wordt bijstaan.

Jezus was vóór Zijn geboorte een Goddelijk wezen, in het Oude Testament Engel van de HEER genaamd. Zijn Geest werd op Gods bevel geboren in een menselijk lichaam en daarom wordt Hij Zoon van God genoemd. Die afdaling van de hemel naar de aarde wordt in de doop bevestigd. Jezus Christus gaat met deze waterdoop geestelijk tussen de gelovigen staan om in alles gelijk worden aan Zijn broeders en zusters.


Vers 16 Toen nu de Heer Jezus gedoopt was, klom Hij direct uit het water en zie toch!: de hoge Hemel werd geopend en Hij zag de Geest van de hoge God neerdalen als een duif en over Hem komen.

Met dit vers begint de bediening van Jezus Christus op aarde, want de hoge God schenkt Hem de Heilige Geest. Die Geest – in het Oude Testament Geest van de HEER genoemd – stond oorspronkelijk Israël bij, tenminste zolang Israël binnen het Sinaïtische Verbond schuilde. Dat Verbond werd verbroken en daarom verliet de Heerlijkheid van de HEER (of beter: de Sjechinah van Jahweh) de aarde. Daarmee werd de aanwezigheid van de hoge God in de tempel beëindigd. Zo verdween ook de Geest van de HEER en ontviel het volk Israël de heilzame werking van die Geest. Nu, eeuwen later, keert de Geest van God terug – niet ten dienste van een heel volk, maar verbonden aan Jezus Christus. In Hem wordt nu het heil aangeboden.

De doop van Jezus wordt bekroond als de Heilige Geest op Hem neerdaalt. We noemen dat de ‘zalving door de Geest’ en daarom wordt Jezus de Christus genoemd; de Gezalfde (afgeleid van chriō = zalven). In het Hebreeuws is dat: Meshiach; de Messias.


Vers 17 Plotseling klonk toen een stem uit de hoge Hemel, zeggende: Dit is Mijn hoge Zoon, de geliefde, in Wie Ik welbehagen heb gevonden.

Hebben de omstanders deze stem ook gehoord? Waarschijnlijk wel, want de stem uit de hoge Hemel – dus uit de woonplaats van God, het Vaderhuis – begeleidde het neerdalen van de Geest van God. Daarmee werden eeuwenoude profetieën vervuld:

Jesaja 11:2 (NBV21): De geest van de HEER zal op hem rusten: een geest van wijsheid en inzicht, een geest van kracht en verstandig beleid, een geest van kennis en ontzag voor de HEER.

Jesaja 42:1 (NBV21): Hier is mijn dienaar, hem zal Ik steunen, hij is mijn uitverkorene, in hem vind Ik vreugde, Ik heb hem met mijn geest vervuld. Hij zal alle volken het recht doen kennen.

Jesaja 61:1-2 (NBV21): De geest van God, de HEER, rust op mij, want de HEER heeft mij gezalfd. Om aan armen het goede nieuws te brengen heeft Hij mij gezonden, om aan verslagen harten hoop te bieden, om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan geketenden hun bevrijding, om een genadejaar van de HEER (= het Messiaanse Rijk) uit te roepen en een dag van wraak voor onze God (de oordelen van God over de aarde), om allen die treuren te troosten.


Dit is een uittreksel van de Verklaring van Mattheüs door Gert A. van de Weerd. Daar wordt de grondtekst diepgaand verantwoord.

Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

Laat een reactie achter

Let op: reacties moeten eerst worden goedgekeurd voordat ze worden gepubliceerd.

Deze site wordt beschermd door hCaptcha en het privacybeleid en de servicevoorwaarden van hCaptcha zijn van toepassing.