📄 Download deze Bijbelverklaring (PDF)
Inleiding op Mattheüs 5
Dit hoofdstuk staat bekend als de Bergrede en de Zaligsprekingen. Jezus spreekt daarin over het Messiaanse Rijk en de weg ernaar toe. Belangrijkste voorwaarde is: bekeert u! Paulus noemt dat ‘de besnijdenis van het hart’ – een innerlijke ommekeer. Dat was nieuw want onder het Sinaïtische verbond was gehoorzaamheid aan de wet voldoende. Jezus roept op tot een groot ethisch reveil en geeft daarvoor Tien Leefregels. Hij spreekt tot Zijn discipelen, maar over hun hoofden heen tot de menigte mensen die zich aan de voet van de berg verzameld heeft. Dat zijn Joden en daar is de prediking van Jezus op gericht. Want heidenen (niet-Joden) zijn nog niet aan de beurt. Mattheüs 10:5-6 (NBV21) is daar heel duidelijk in:
5 Dit waren de twaalf die Jezus uitzond, en Hij gaf hun de volgende instructies: ‘Neem niet de weg naar de heidenen en ga geen Samaritaanse stad binnen. 6 Ga liever op zoek naar de verloren schapen van het volk van Israël 7 en verkondig hun dat het koninkrijk van de hemel nabij is.
Vers 1 Het drong tot Jezus door hoe groot de mensenmassa was geworden. Hij klom daarom bovenop een berg die daar was en installeerde Zich daar.
Vers 2 Zijn discipelen kwamen naar Hem toe en toen begon Hij Zijn betoog. Hij onderwees hen met de volgende uitspraken:
De vele genezingen en het gerucht dat Jezus de Messias is, heeft een menigte op de been gebracht. Die mensen dringen op en dwingen Jezus een berg op te lopen, waar hij begint te spreken. De discipelen gaan verwachtingsvol op de grond zitten om de beroemde Rabbi aan te horen. Dan begint Jezus Zijn toespraak. ____________________________________________________________________________________________________________________________________________
Vers 3 Gezegend zijn allen die nederig van geest zijn, want in hen is het ware Hemelse Koninkrijk.
De uitdrukking nederig van geest duidt op iemand die uit liefde openstaat voor de ander; dus sociaal is en vriendelijk. Sommigen vinden het vreemd dat die 1e regel niet aan God is gewijd. Onjuist; Alle regels zijn namelijk op de liefde tot God gebaseerd. Zijn Naam is niet vergeten maar klinkt tienmaal door in de tekst.
Vers 4 Gezegend zijn zij die op de juiste wijze treuren, want zij zullen bemoedigd worden.
Degenen die op de juiste wijze treuren (2e regel) hebben oog voor de Goddelijke doelstellingen – dus de Raad Gods. Dat zijn Joden die beseffen wat hun volk weggooide toen het Sinaïtische Verbond verbroken werd – zij treuren over die breuk omdat God zo diep gekwetst werd. Jezus duidt met gezegend zijn zij dus op de getrouwen onder Gods volk en als zodanig vormen zij de kern van een toekomstig gelovig Israël.
Vers 5 Gezegend zijn zij die billijkheid nastreven, want zij zullen hun toegewezen land op aarde ontvangen.
De 3e leefregel maakt duidelijk waar Jezus op aanstuurt. Hij noemt voorwaarden voor een maatschappij die gefundeerd is naastenliefde; een wereld waarin de Sjalom van God tot wording komt. Want het begrip billijkheid stijgt ver boven de Wet uit. Het houdt rekening met personen en omstandigheden. Zo zal iemand met een scherp verstand of een hoge positie anders geoordeeld worden als iemand die wat minder slim is. Aan de eerste worden hoge eisen gesteld, voor de tweede is mildheid en begrip het leidmotief.
Het toegewezen land in het Messiaanse Rijk wordt gedetailleerd beschreven in Ezechiël 47:13-23.
Vers 6 Gezegend zij die hongeren en dorsten naar ware gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
De 4e regel spreekt over een diep verlangen naar gerechtigheid. Die gezindheid is alleen hen gegeven die in liefde tot de hoge God en de naaste leven. Die hoog ethische instelling is de eindfase van het leertraject onder de Tien Leefregels van Jezus. Vandaar dat de beloning verzadigd worden is – gevuld worden met het goede dat de God in het Messiaanse Rijk zal schenken. De gelovige van nu weet dat Jezus werd afgewezen en daarmee het Messiaanse Rijk. Daarom stichtte Hij Zijn Gemeente. Toch blijven de Tien Leefregels van Jezus staan – ze zijn ook voor ons. Want de Zaligheid wordt verworven door hen die in Christus zijn – ook zij dorsten naar gerechtigheid. Dat leidt tot een toenemende vervreemding van de wereld. Toenemend?... jazeker, want het verlangen naar ware gerechtigheid zet de gelovige apart – vreemdeling in een vreemd land. De oefening van de Tien Leefregels van Jezus verbreedt de kloof tussen de gelovige en de wereld waarin hij/zij leeft. Zelfs de aartsvaders (Abraham, Izak en Jakob) – die geloofden terwijl ze veel minder
wisten (ze hadden geen Bijbel) – ervoeren die vervreemding. Hebreeën 11:9-13 (NBV21) getuigt daarover:
13 Zij allen zijn in geloof gestorven; wat hun beloofd was hebben ze geen werkelijkheid zien worden, ze hebben slechts een glimp ervan begroet en ze zeiden van zichzelf dat zij op aarde leefden als vreemdelingen en gasten. 14 Door zo te spreken lieten ze blijken op doorreis te zijn naar een vaderland. 15 En daarmee bedoelden ze niet het vaderland waaruit ze weggetrokken waren, anders waren ze daar-heen wel teruggekeerd. 16 Nee, ze keken reikhalzend uit naar een beter vaderland: het hemelse. Daarom schaamt God zich er niet voor hun God genoemd te worden en heeft Hij voor hen een stad gereedgemaakt.
We ervaren die vervreemding door een langzaam toenemende afkeer van wat niet deugt. Voor mijzelf uit zich dat in afkeer van geweld op televisie, zoals in harde actiefilms (die ik vroeger heel spannend vond) en van Godslastering. Schone schijn staat me steeds meer tegen. Ook groeit in mij een welwillendheid om de daden van anderen positief te bezien (ook al wordt dat vaak beschaamd). Welnu… vult zelf maar in.
Vers 7 Gezegend zijn alle barmhartigen, want zij zullen zelf Goddelijk erbarmen ervaren.
In die tijd waren er veel armen en hen moet barmhartigheid bewezen worden (5e regel). Vallen vluchtelingen daar ook onder? Jazeker, mits ze op uw pad komen of de Heilige Geest dat verlangen opwekt. De beloning voor die barmhartigheid is: Goddelijke erbarmen. Dat is een synoniem van genade en die genade leidt tot het Messiaanse Rijk. Nu dit rijk er niet is gekomen, geldt dit Goddelijk erbarmen ook de Gemeente, want die wordt geëvacueerd voordat de Antichrist komt. Dus hoeft ze het oordeel van de Grote Verdrukking niet te ondergaan. En die Gemeente gaat – samen met hen die in Christus gestorven zijn – naar het Vaderhuis, waar Jezus ons woning bereidt (Johannes 14:2-3). Uit onszelf hebben wij daar geen recht op. In Jezus Christus wel. Dat noemt Jezus erbarmen ervaren – Genade, zo oneindig groot, ver boven mijn verstand.
Vers 8 Gezegend zijn zij die blijvend rein van hart zijn, want zij zullen de hoge God zelf mogen aanschouwen.
6e leefregel: Mensen kunnen God niet zien – een mens zou sterven 1). Jezus duidt dus op de Zaligheid na het Messiaanse Rijk. Want aan het einde van dat Rijk gaan zij die rein van hart gebleven zijn over naar de Zaligheid. Dan verwisselt een gelovige het vergankelijke voor het onvergankelijke – wordt dus met een rein geestelijk lichaam bekleed (1 Korintiërs 15:50-55) en kan dan de hoge God zelf aanschouwen. Deze regel geldt ook voor ons. Want als we ons geloof vasthouden (blijvend rein van hart zijn), wenkt de Zaligheid en zullen ook wij de hoge God zelf mogen aanschouwen. (1) Exodus 33:20 / 1 Timoteüs 6:16 / 1 Johannes 4:12)
Vers 9 Gezegend zijn zij die ware vrede stichten, want zij zullen kinderen van God genoemd worden.
De 7e regel spreekt over Sjalom – ware vrede. Dat duidt niet alleen op vrede sluiten tussen strijdende
partijen. Ten diepste brengt een ‘sjalom-stichter’ vrede, harmonie en balans; is hij/zij katalysator daarvan. Dat zijn mensen die positivisme en welwillendheid uitstralen en dat in Jezus’ naam in praktijk brengen.
Vers 10 Gezegend zijn zij die om de gerechtigheid vervolgd worden, want in hen is het ware Hemelse Koninkrijk.
Regel 8: Gerechtigheid roept altijd weerstand op. Dat ondervond Johannes de Doper en het kostte hem zijn leven. Dat ondervond Jezus en daarom werd Hij gekruisigd. Na Hem ondergingen apostelen en gelovigen hetzelfde lot. Martelaren worden ze genoemd. Kan een mens vreselijke martelingen verdragen zonder te bezwijken? Eigenlijk niet, toch gebeurde dat want in die gelovigen waren de zaden van het ware hemelse Koninkrijk geplant. Zo stegen zij boven zichzelf uit. Ook heden worden mensen om het geloof vervolgd en gedood. Met verbazing zien westerse christenen hun standvastigheid. Is dat verwonderlijk? In onze ogen wel, maar niet voor God, want in hen zijn de zaden van het ware Hemelse Koninkrijk geplant. Zij stijgen boven zichzelf uit in de rotsvaste zekerheid van hun geloof en verwerven zo de Zaligheid.
Vers 11 Gezegend bent u als men u smaadt, vervolgt en allerlei leugenachtig kwaad tegen u beraamt, omwille van Mij.
De 9e leefregel spreekt over het dagelijks leven in de tijd van Jezus. Want de discipelen van Jezus werden aanvankelijk niet vervolgd. Ze werden wel gesmaad, vooral door geloofsgenoten die de dogma’s van de Farizeeën en Schriftgeleerden aanhingen. Velen zullen deze tekst betrekken op eigen nare ervaringen, vooral binnen de kerk – geloofsgenoten. Toch moeten we daar voorzichtig mee zijn. Verschil van mening – die vaak in ruzie ontaardt in een kerk – is geen excuus voor splijtende verdeeldheid. Geschillen horen we aan de oudsten voor te leggen. Zij hebben in de Naam van Jezus Christus het laatste woord. Zij dienen dus een bindende uitspraak te doen die in eenheid van gemoed door de kemphanen aanvaard moet worden. Het is triest dat veel kerkleden het gezag van ouderlingen niet meer erkennen. Dat leidt tot partijvorming en
wrokkige relaties. Anderzijds durven maar weinig kerkenraden leiderschap te aanvaarden en uit te oefenen.
Vers 12a Reik uit naar God en gij zult u verheugen vanwege een rijke beloning in de hoge hemel.
Dit is geen conclusie op de negen leefregels. Het is de 10e leefregel. Reik uit naar God vertegenwoordigt geen uitbundige vreugde zoals velen vertalen – dat betekent het woord chairō niet. Het heeft de betekenis van ‘reiken naar de hoge God’ die als balsem op de ziel uitwerkt in moeilijke tijden. Dat gaat samen met een vast vertrouwen in God Die recht zal doen aan gelovigen, met als horizon een rijke beloning in de hoge hemel. Velen zeggen: ‘makkelijk praten als je in de ellende zit’? Neen, het reiken naar leidt tot innerlijke zekerheid door de hoge God. Want dan beseft de gelovige dat hij/zij door God (de Heilige Geest) gedragen wordt. Het is een geluksgevoel die een diepe vreugde opwekt en tot troost en volharding leidt.
Vers 12b Evenzo hebben ze de hoge profeten vervolgd die vóór u geweest zijn.
De Tien Leefregels van Jezus sluiten met een trieste verzuchting. Die spiegelt de teloorgang van het oude verbond, omdat Gods woord (de profeten) niet gehoorzaamd werd. Lucas 13:34 (NBV21) bevestigt dat:
Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels, en gij hebt niet gewild.
Mattheüs 5:13-16 Evangelieverkondiging onder de Joden
Volgende stap is de verbreiding van het Evangelie. Want de boodschap van het ware Hemelse Koninkrijk moet verkondigd worden. Die aansporing geldt ook de christen van nu. Geen enkele opwekkingsbeweging is ooit ontstaan uit een landelijke campagne. Ze begonnen zomaar ergens, in eenvoud, gevoed door nieuw geloofselan. Er kwamen geen grote woorden aan te pas, maar oprechte verdriet omdat de band met de hoge God vervaagd was. Dat is omhoog reiken naar God om erbarmen. In die gezindheid begon men in de naaste omgeving liefde uit te dragen. Zieken werden verpleegd, armen liefderijk verzorgd, de omgeving van straatvuil ontdaan. Zo werd de gezindheid van Christus zichtbaar en dat wekte verlangen naar God op in ongelovige harten. Evangelie is geen koopwaar. Je kunt de weg der Zaligheid niet aanbieden. Die moet gezocht worden. Ware gelovigen en hun daden zijn dan de wegwijzers en daar gaan ze verzen 13-16 over.
Vers 13a U bent het ware zout op aarde.
Jezus spreekt via Zijn discipelen tot Zijn volgelingen. Zij vormen de kern van een opwekkingsbeweging onder de Joden – dat is de doelstelling. Het had kúnnen gebeuren! Als Jezus zegt: U bent het ware zout, dan is de doelstelling dat heel Zijn volk het ware zout moet worden, opdat de wereld zal zien wat de ‘gezindheid in Christus’ uitwerkt en alle volken het Messiaanse heil zullen omarmen.
Vers 13b Als nu dat zout zijn invloed verliest, door wie zal de aarde dan gezouten worden? Niemand zal nog langer die macht hebben.
Jezus waarschuwt Hem niet af te wijzen, maar dat gebeurde wél. Was het ware zout toen verdwenen? Neen, er bleven gelovige Joden over, echter te weinig voor een nationale bekering – het zout verloor zijn invloed en de ‘Jezus-beweging’ zakte in. Daarom koos Jezus een nieuw volk: de Gemeente van Christus.
Vers 13c Zal het niet weggedaan worden en door de mensen veracht?
Dat gebeurde inderdaad. Want na de twee Joodse oorlogen, in AD 66-70 en 132-136, waren er in Kanaän nauwelijks nog Joden over en was dit volk gedegradeerd tot een verachte minderheid in het Romeinse Rijk.
Vers 14 U bent het ware licht van deze wereld. Een stad die op een berg ligt, kan niet verborgen zijn.
Als Jezus spreekt is Zijn oproep tot bekering nog een reëel toekomstbeeld. In prachtige bewoordingen legt Jezus uit hoe een opwekkingsbeweging uitwerkt. Dan promoveren de gelovigen tot het ware licht van deze wereld. Je ziet het aan de daden; een stad die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven.
Vers 15 Noch steekt men een lamp aan en zet die onder een korenmaat, maar plaatst die op haar eigen kandelaar en zo schijnt de lamp voor allen die in het huis zijn.
Weer een prachtige vergelijking. De lamp duidt de gelovigen. Haar eigen kandelaar is de opwekkings- beweging – die moet immers tot een organisatie omgesmeed worden. Het huis duidt op Judea en Galilea.
Vers 16 Laat zo een ontdekkend licht op de mensen schijnen, opdat zij al uw goede werken opmerken ter verheerlijking van uw hoge Vader die in de hoge hemel is.
Jezus doet een duidelijk uitspraak en in Jakobus 2:14-18 wordt die bevestigd. Protestanten hebben niet zoveel met goede werken en leggen nadruk op de genade. Jezus logenstraft dat en zegt dat het één niet
zonder de ander kán. In dat opzicht hebben Rooms-katholieke broeders en zusters Hem beter begrepen.
Mattheüs 5:17-20 Onderwijzing van de Thora in het Messiaanse Rijk
Vers 17 Meen niet dat Ik ben gekomen om de Wet en de hoge profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen maar om ze te vervullen.
Deze, voor velen merkwaardige stelling, wordt slecht begrepen. De Wet werd aan het volk Israël gegeven om een Godsrijk te doen ontstaan. De bedoeling was dat dit Rijk de omringende volken zou ‘verlichten’ – het ware licht van deze wereld (vers 14). Dan zouden die volken, gezien hebbende dat het houden van de Wet een volk tot welvaart en geluk opstuwt, Jahweh ook gezocht hebben en zo zouden ook zij een licht geworden zijn. Het tegendeel gebeurde; Israël keerde zich tot de afgoden en brak het Sinaïtische verbond.
Dat betekent echter niet dat de Wet zijn kracht verloren heeft. Wel dat de handen van mensen te klein zijn om de Sinaïtische Wet te kunnen houden. Daarom moest er een Middellaar komen die de mens bij de hand neemt en langs klippen loodst die wijzelf niet kunnen ontwijken en dat is Jezus Christus! Met Hem worden de rauwe kantjes van de Wet bedekt. Want aan de eis om de Wet in volheid te vervullen – wat we niet kunnen (Handelingen 15:10) – wordt voldaan in en door Jezus Christus. Hij verzoent de zonde voor ons. Kan dat dan volgens de Goddelijke Wet? Jazeker en dat noemen we het Losserschap. Voorwaarde is dat we één worden met Christus en dan liften we mee in zijn overwinning.
In Mattheüs 5 wordt die overwinning de Joden aangeboden (eerst de Jood en dan de Griek – Romeinen
1:16 NBG). Echter zij hebben Jezus afgewezen en moeten daarom de weg van de Wet gaan. Die weg is heel zwaar, omdat die heden buiten de bescherming van het Godsrijk valt (zoals onder koning David wel het geval was). Die bescherming verviel toen het Sinaïtische Verbond verbroken werd. Satan, die Israël haat, kreeg daarmee vrij spel zoals de geschiedenis bij herhaling bewezen heeft.
Jezus kwam om de Wet en de hoge profeten te vervullen. Want die hebben ten doel een weg tot God te openen. In Jezus’ kruisdood en opstanding wordt die doelstelling bereikt, gaat de poort naar de hemel open. Toen de Joden Christus afwezen, koos Jezus een nieuw volk: de Gemeente. Daarin zijn we één lichaam met Hem en dat Lichaam heeft de zonde reeds verzoend en komt niet in het oordeel, want wij zijn van Hem.
Vers 18 Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: Totdat de hemel en de aarde verdwenen zijn, zal geen enkele letter of leesteken van de Wet tenietgedaan worden tot het zover is dat alles is geschied.
Dit is een volstrekt logische conclusie. God kan een Wet, die eens door Hem is ingesteld, niet herroepen. Die daad zou indruisen tegen Zijn rechtvaardigheid – een erkenning zijn dat die Wet niet deugt – en dat is onmogelijk. Met die stelling is gezegd dat de hoge God zijn eigen wetten gehoorzaamt én dat Hij daarom volstrekt betrouwbaar is. Anders gezegd: De hoge God is Zichzelf tot wet. Het is immers onderdeel van Zijn Almacht. Hoe zou Hij Die verleden, heden en toekomst in Zijn hand houdt, zich kunnen vergissen? Daarom blijft de Sinaïtische Wet van kracht voor Joden die niet in Christus zijn (Galaten 2:15-16 en 3:19, 24). Wie wel in Christus is, wordt onderdeel van Zijn lichaam – de Gemeente. Dat is geen ontkrachting van de wet. Jezus claimt op het recht van lossing uit diezelfde Wet. Daarom kon Hij de schuld voor ons betalen.
Vers 19 Wie desondanks één van deze hoge geboden ontbonden zal hebben – zelfs de geringste – en mensen daarin onderwijst, zal als minste in het hoge Hemelse Koninkrijk beschouwd worden. Echter wie ze naar beste weten onderhoudt en onderwijst, zal in hoog aanzien staan in het hoge hemelse Koninkrijk.
De Sinaïtische Wet blijft dus zijn waarde houden en mag op geen enkele wijze aangepast worden, tenzij iemand zich bij Jezus Christus aansluit. Dan doet zijn persoonlijke keuze en het Losserschap haar/hem tot het Lichaam van Christus toetreden. Echter, Jezus spreekt hier tot Joden en in dat stadium is de Gemeente nog een geheimenis, dus niet van toepassing. Doch overtreding wordt coulant behandeld. Joodse leeraars die anderen onderwijzen dat de Sinaïtische wet niet meer geldt, worden mild gestraft. Hun Zaligheid is niet in het geding, hun rangorde in het Messiaanse Rijk wel 1). Deze overtreding zal daar aan hen blijven kleven.
1) Indirect is dit een van de vele bewijzen dat Jezus over het Messiaanse Rijk spreekt, want is de Zaligheid nemen we geen gevolgen van persoonlijke zonden mee. In het Messiaanse Rijk wel.
Vers 20 Ik zeg u daarom: Tenzij uw eigen gerechtigheid overvloediger is dan die van de Schriftgeleerden en Farizeeën, zult u het ware hemelse Koninkrijk beslist niet binnengaan.
Het volgen van de Wet (uw eigen gerechtigheid) is geen oplossing, zoals de Schriftgeleerden en Farizeeën leren. Jezus zegt: Kom tot inkeer (Mattheüs 4:17) om zo het ware hemelse Koninkrijk op te verwerven.
Mattheüs 5:21-37 Toepassing van de Thora in het Messiaanse Rijk
Hiervóór is de basis gelegd voor een nieuwe samenleving die gegrond is op de Nieuwtestamentisch Wet.
De komende verzen geven daar een praktische invulling aan. Jezus legt zijn toehoorders uit: Zo werkt het!
Vers 21 U hebt gehoord dat tot de vaderen gezegd is: Gij zult niet doden. En: Wie nu toch moordt zal vervallen aan het Grote Oordeel.
Vers 22 Ík zeg u echter dat eenieder die zijn eigen broeder zonder reden tot toorn verwekt, wordt overgeleverd aan een bevoegde rechter. Wie dan toch nog zijn eigen broeder voor sukkel uitmaakt, zal aan de hoge Raad vervallen. Wie dan nog durft te beweren: gij dwaas, zal vervallen zijn aan het Verterend Vuur van het Gehenna.
U hebt gehoord duidt op de dogmatiek van de Farizeeën en Schriftgeleerden. Daar wijkt Jezus vanaf en dat is een nogal heftige ingreep. Mocht Hij dat? Ja, als Rabbi met Semikhah had Hij het recht af te wijken van de heersende theologie, mits dat goed onderbouwd werd. Jezus onderwijst dat doodslag en moord niet op zichzelf staan. Dat het begint met iemand dwarszitten en zo erg sarren dat haar/hem een rode waas voor de ogen komt en zo geweld wordt opgewekt. Dit gedrag moet aan de bevoegde rechter gemeld worden en die zal de dader terechtwijzen en beboeten. De tweede uitspraak gaat een tree hoger. De dader luistert niet naar de rechter en blijft zondigen. Weer wordt dit de autoriteiten gemeld, maar nu wordt de zaak toegewezen aan een hogere rechtbank, de hoge Raad. Let op: In beide gevallen is geen sprake van berouw van de dader.
De derde trap is bijzonder. De dader is iets voorzichtiger geworden. Hij toomt zich een beetje in (zegt: gij dwaas), maar zijn intentie is onveranderd. Hij heeft nog steeds geen berouw. Daarmee geeft hij blijk dat het kwaad in zijn hart leeft en niet te genezen is. Hij ontvangt de zwaarste straf: de dood in het grote Vuur van het Gehenna. Dat is het Goddelijk Vuur dat zowel het lichaam als de geest dood.
Het zal duidelijk zijn dat een situatie, zoals geschetst, toen niet bestond en ook nooit bestaan heeft. Jezus spreekt dan ook over het rechtssysteem in het Messiaanse Rijk en dat is onvervulde profetie. Daar worden primair niet alleen de excessen aangepakt, diefstal, moord, etc., maar de oorzaken die tot die zware zonden leiden! Het is een preventieve maatregel. Utopia? Nu nog wel. In het Messiaanse Rijk de Goddelijke maat.
Het grote Vuur van het Gehenna - Jezus spreekt hier niet over de hel, maar suggereert een begrafenis als een onreine (of misdadiger) in het Dal van Hinnom (Gehenna). Dat was een vervloekte plaats en voor Joden synoniem met verloren gaan. Is dit de dood van de ziel? Ja dat is wel helder. Dat Jezus de metafoor van het Gehenna gebruikt om dat duidelijk te maken, heeft als oorzaak dat begrippen als hel in de Joodse theologie toen nauwelijks aanwezig waren. Jezus gebruikt dus een bekend voorbeeld – die verdoemenis duidde – om iets duidelijk te maken wat in de christelijke theologie tegenwoordig wel een bekend (echter fout) begrip is.
Vers 23 Wanneer u om die reden uw voorgeschreven offergave op het grote altaar wilt aanbieden, moge u zich dáár dan realiseren dat deze broeder van u iets tegen u heeft.
Vers 24 Laat daar dan liever de voorgeschreven offergave achter, vóór het grote altaar en ga heen. Verzoen u eerst met deze broeder en als u dan weer aangekomen bent, biedt dan pas uw voorgeschreven offergave aan.
Vers 22 wordt hier uitgewerkt. Want het Messiaanse Rijk zal strikte wetten kennen. Zondige daden worden gestraft en moeten worden beleden. Daarna dient de zondaar een schuldoffer te brengen in de tempel. Is hij er daarmee? Neen want de boeteling moet zichzelf onderzoeken of wel recht gedaan is aan het slachtoffer. Zijn schuldoffer zou hem anders tot zonde zijn! In geval hij zich niet verzoend heeft, mag hij niet offeren en moet hij/zij zich eerst te verzoenen. Deze wijze van rechtdoen zal tot een liefderijke maatschappij leiden en zo wordt ten overvloede duidelijk dat Jezus over het Messiaanse Rijk spreekt. Ook wordt helder dat de Tien Leefregels van Jezus echt zin hebben, want een dergelijke staat kan pas na lang oefenen verworven worden.
Vers 25 Stel u vanaf het begin welwillend op jegens uw tegenstander zolang u met hem op de juiste weg bent, opdat deze tegenstander u niet uitlevert aan een bevoegde rechter en deze rechter u overlevert aan de gerechtsdienaar en u dan in de gevangenis wordt geworpen.
Vers 26 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Dan zult u beslist niet vrijkomen totdat het zover is dat u
zelfs de laatste cent betaald hebt.
Het sleutelwoord tot die betere maatschappij is welwillend. Beide partijen dienen tot vredige afwikkeling bereid te zijn. Er staat wel één voorbehoud: zolang u met hem op de juiste weg bent. Is dat een juridisch slimmigheidje die voorgaande regel frustreert? Neen, want die weg wordt door de Messiaanse Wet bepaald. Beide partijen kunnen de ander namelijk bij een bevoegde rechter aanklagen. En deze zal direct reageren en degene die schuldig is straf opleggen. Kwijtschelding is er niet bij; de laatste cent moet betaald worden. Zo wordt het kwaad overal direct aangepakt en ontstaat er een evenwichtige rechtvaardige wereld.
Vers 27 U hebt gehoord dat tot de vaderen gezegd is: Pleeg geen overspel.
Vers 28 Echter Ík zeg u dat eenieder die uit lust een vrouw met zijn ogen uitkleedt, in zijn eigen hart reeds overspel met haar aan het plegen is.
Ook op seksueel gebied wordt de bron van het kwaad aangepakt. Er wordt niet gewacht tot iemand een seksuele wandaad gepleegd heeft. Ongeoorloofde avances worden als misdaad aangemerkt. Dat heeft niets te maken met de natuurlijke aantrekkingskracht tussen mannen de vrouwen. Die is door de hoge God ‘ingeschapen’. Als ik een mooie vrouw bewonder, is dat niet fout. Hier wordt seksuele losbandigheid
veroordeeld – lust losgekoppeld van de liefde – en daarmee pornografie want die heeft satanische wortels.
Vers 29Als dan uw eigen rechteroog u ten val brengt, verwijder dan zelf uw oog en doe het weg, want het is u tot winst dat één van uw eigen lichaamsdelen vergaat en niet uw gehele lichaam naar het Gehenna overgebracht wordt.
Vers 30 En als uw eigen rechterhand u ten val brengt, hak hem af en doe hem weg, want het is u tot winst dat één van uw eigen lichaamsdelen vergaat en niet uw gehele lichaam naar het Gehenna overgebracht wordt.
Weinig plaatsen in de Bijbel maken zo onverbloemd duidelijk dat het kwaad in zijn vroegste stadium in ons hart ontstaat. Want het pad van de zonde is ook een leertraject – de overtreder verhardt door ‘oefening in het kwaad’. En die voert hem uiteindelijk naar het oordeel: het Gehenna. Is dit de dood van de ziel? Daar is niet zeker. De dood van de ziel wordt in vers 22 beschreven als: het grote Vuur van het Gehenna. Hier missen we de uitdrukking het grote Vuur. Toch lijkt het er op dat Gehenna van dit vers verwijst naar 22.
Vers 31 Ooit is gezegd dat wie overweegt zijn eigen vrouw weg te zenden, haar een scheidbrief moet geven.
Vers 32 Maar Ík zeg u dit: Wie overweegt zijn eigen vrouw weg te zenden, uitgezonderd vanwege een beschuldiging van overspel, zet haar aan om zelf echtbreuk te plegen en wie van plan is een gescheiden vrouw te trouwen pleegt overspel.
De scheidbrief van Mozes (Deuteronomium 24:1) werd zeer verschillend geïnterpreteerd. Velen zagen elke vorm van ontevredenheid als scheidingsgrond (zelfs het aanbranden van eten). In die tijd was het dus gemakkelijk om te scheiden. Jezus veroordeelt die praktijk en past de wet zonder enige restrictie toe. De man is hier de verdachte. Hij wordt niet alleen van overspel beschuldigd, maar ook van het aanzetten van overspel als zijn ex-vrouw trouwt met een andere man – de schuld daarvan draagt haar eerste man!
Vers 33 U hebt meermalen gehoord dat tegen de vaderen gezegd is: Leg geen valse eed af, maar houdt alle eden die u voor de hoge Heer gezworen hebt.
Men maakte toen onderscheid tussen eden op de Naam van God en zweren bij geschapen dingen. De eerste werd als bindend beschouwd, de tweede mocht ontbonden worden als daar een reden voor was (wat de ‘ontbindende partij’ bepaalde). Dat is natuurlijk een legalisatie van listig gedrag en dat haat de hoge God.
Vers 34 Ík echter zeg u helemaal niet te zweren, noch bij de hoge hemel – omdat het de troon van de hoge God is;
Vers 35 noch bij deze aarde – want dat is Zijn voetbank; noch bij Jeruzalem – want dat is de stad van de Grote Koning;
Vers 36 noch zou u moeten zweren bij uw eigen hoofd – want u kunt zelfs niet één haar wit of zwart maken.
Vers 37 Laat echter uw eigen jawoord echt ja zijn; nee echt nee. Al wat daaraan toegevoegd wordt leidt tot ellende.
Elke belofte, toezegging of bewering moet eerlijk en oprecht zijn. Het toevoegen van een eed op allerlei gronden dient slechts om een listige uitweg te creëren en dat is strijdig met de Goddelijke Wet. Bovendien leidt een dergelijke manier van doen alleen maar tot ellende – tot tweespalt. Een eed zweren op de Naam van God is voor christenen dus niet aan te bevelen, conform het 3e gebod – Deuteronomium 24:1 (NBV21):
Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat Hij niet vrijuit gaan.
Mattheüs 5:38-48 De Liefde als Drijfveer in het Messiaanse Rijk
Met deze verzen zet Jezus geen maatschappelijk bestel neer dat in deze wereld kan bestaan. Hier wordt gesproken over een wereld die door Jezus Christus bestuurd wordt – het toekomstige Messiaanse Rijk. Dan valt Israël onder de bescherming van de hoge God Zelf. Die ideale maatschappij zal een lichtend licht zijn voor de volken – een stad op een berg (Mattheüs 5:14). Dan zal het ware Israël de aanjager zijn van een wereldwijde bekering; een opwekkingsbeweging zoals deze aarde nooit eerder gezien heeft.
Vers 38 U hebt gehoord dat gezegd is: Oog om oog en tand om tand.
Vers 39 Maar Ík zeg u: Reageer niet vijandig op de veroorzaker van het kwaad. Integendeel, keer iemand die u op de rechterwang slaat ook de andere toe.
Deze leefregels zijn moeilijk te realiseren, tenzij men allerlei nare gevolgen accepteert, want kwaadwilligen
zullen er misbruik van maken. In het Messiaanse Rijk is dat het ideaal. Daar kan het ook, want misdaad zal er nauwelijks voorkomen en onmiddellijk gestraft worden. Deze regels gelden dus niet voor ons. Toch zijn er altijd gelovigen geweest die deze graad van heiligheid (want dat is het) met heel hun kunnen nastreefden. Velen schoten daarbij het leven in. Toch… in de volksmond werden ze heiligen genoemd – terecht!
Vers 40 Als iemand u een proces wil aandoen ten einde uw eigen onderkleed af te nemen, sta hem
dan ook de bijpassende mantel af.
Vers 41 En als iemand u zal dwingen één mijl te gaan, ga dan twee mijl met hem.
We noemen dit vurige kolen op iemands hoofd stapelen. Werkt dat? In onze maatschappij nauwelijks. In het Messiaanse Rijk zal eenieder in de leefregels van Jezus onderricht worden en zullen ze ook gaan werken.
Vers 42 Geef eenieder wat hij vraagt en keer u niet af van iemand die geld van u lenen wil.
Als je dat in onze tijd doet, ben je in recordtijd failliet. Geen weldenkend mens neemt zulke risico’s. Onze maatschappij is dus ver is afgedwaald van het ideaal, zoals God die voorschrijft. In het Messiaanse Rijk zal elke vorm van fraude tot gerechtelijke vervolging leiden. Dit vers roept de rijke op om zijn kapitaal in te zetten om de naaste te helpen. Want ook in het Messiaanse Rijk zal er verschil zijn in welstand – de ene mens is nu eenmaal meer capabel dan de ander. De uitwassen daarvan – een schrijnend verschil tussen arm en rijk – wordt zo effectief bestreden.
Vers 43 U hebt altijd gehoord dat gezegd werd: U moet uw naaste liefhebben en uw vijand haten.
Vers 44 Echter Ík zeg u: Heb uw vijanden lief en zegen hen die u vervloeken. Doe goed aan allen die u haten en bidt voor hen die u bedreigen en vervolgen, opdat u kinderen van uw hoge Vader moge worden, Die in de hemelen is.
Vers 45 Hij laat immers Zijn zon opgaan over ellendige en goede dingen en laat het regenen over rechtvaardigen en overtreders.
Vers 44 propageert een levenshouding waarin de liefde op elk terrein het kwaad bestrijdt. Het kwaad wordt als het ware ‘weggeknuffeld’ door vurige kolen op het hoofd van de dader te stapelen. Die levenshouding leidt tot een opmerkelijke beloning, want zo iemand zal kind van de hoge Vader genoemd worden. Moeten we dat letterlijk nemen alsof iemand zo ‘geridderd’ wordt? Absoluut en het zal mij niet verbazen als daar een officiële ceremonie aan vooraf gaat, zoals heden als iemand tot ridder geslagen wordt.
Zowel de rechtvaardigen als de overtreders profiteren van de zegeningen van God. God eist daarom van hen om elkaar in liefde te bejegenen en zich zo die zegeningen waard te tonen.
Vers 46 Als u liefhebt omdat iemand anders u liefheeft, is dat dan een verdienste? Beslist niet! Ook de tollenaars handelen zo.
Vers 47 En als u alleen uw eigen broeders groet, wat voor bijzonders doet u dan? Ook de tollenaars handelen zo.
Liefde tussen man en vrouw, en tussen ouders en kinderen, is heel gewoon. Daar kan een mens zich niet op beroemen; ook zondaren kennen liefde. Als voorbeeld noemt Jezus tollenaars die slecht bekend stonden. In het Messiaanse Rijk is eenieder een broeder of zuster, want heel dat Rijk zal de liefde tot Wet hebben.
Vers 49 Wees dan geestelijk volwassen. Uw hemelse Vader is immers volmaakt!
Deze zin wijkt nogal af van de traditionele vertalingen. In onze vertaling mijden we het woord volmaakt, want dat is een mens op deze aarde niet gegeven. Volmaakt worden, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is (zoals velen vertalen) betreft bovendien een onmogelijke doelstelling. Dat lukt ook niet in de Zaligheid. Daarvoor staat de Eeuwige God te hoog boven ons. In vers 49b (waar we hetzelfde woord vinden) kunnen we een vertaling met geestelijk volwassen daarom niet toepassen, omdat die uitdrukking ‘opgroeien van’ suggereert en de Eeuwige is altijd dezelfde. Met onze vertaling lossen we de contextuele problemen op, volgen we zo goed mogelijk de Griekse grondtekst en verkrijgt de zin logica.
Uitleiding: Met voorgaande zin sluit Jezus aan bij de rode draad van Mattheüs 5 die immers een proces van geestelijke opvoeding beschrijft die geworteld is in de liefde. De doelstelling is om geestelijk volwassen te worden en dat leidt uiteindelijk toch tot een vorm van volmaaktheid – het hoogste doel voor een mens – niet op deze wereld maar in de hemelse Zaligheid.
Dit is een uittreksel van de Verklaring van Mattheüs door Gert A. van de Weerd. Daar wordt de grondtekst diepgaand verantwoord.
Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

