Mattheüs 6 Bethel (Exegese)

📄 Download deze Bijbelverklaring (PDF)

Inleiding

Dit is een heel mooi hoofdstuk. Het biedt diepe troost voor elke gelovige die verlangt naar een rein leven én een afschuw heeft van kwaad waarmee hij/zij in aanraking kom. Jezus geeft ons richtlijnen die in feite een leercurve zijn op weg naar een geweldige toekomst: de Zaligheid die Hij voor de Zijnen bereid heeft.


Mattheüs 6:1-4 Barmhartigheid Betonen

Vers 1 Wat betreft het verrichten van al uw barmhartigheid het volgende: Doe het niet voor de mensen met de bedoeling om door hen gezien te worden, want dat zal geen loon dragen bij uw hoge Vader in de hoge hemel.

Onze daden hebben invloed op de toekomstige positie van de gelovige in de hemel. Jezus noemt dat loon en vers 20 spreekt van ‘schatten in de hemel verzamelen’. Hoe die beloning in de Zaligheid concreet uitwerkt, weten we niet. Romeinen 2:29b, NBV21) spreekt in dat kader van: En de lof die men ermee oogst, komt niet van mensen maar van God. Die verzekering dient voor gelovigen voldoende te zijn.


Vers 2 Wanneer u uit barmhartigheid handelt, bazuin dat dan niet rond zoals al die huichelaars in synagogen en op belangrijke straten doen, opdat zij algemeen eer zouden verwerven onder de mensen. Voorwaar Ik zeg u: Zij hebben hun loon volledig vereffend.

Farizeeën en Schriftgeleerden dachten zichzelf een hoge status toe. Dit droegen ze opzichtig uit in kleding en handelen. Zo werd het lange Achttien Gebed in het openbaar gereciteerd. Jezus noemt ze huichelaars en stelt dat ze met die ‘status’ hun loon volledig ontvangen hebben. Dat is een bikkelharde veroordeling, want zo verwerven zij zich ook geen schatten in de hemel (vers 20). Hier staat hun behoudenis ter discussie!


Vers 3 Als ú echter uit barmhartigheid handelt, laat dan uw linkerhand niet weten wat uw rechterhand doet, opdat alle liefdewerk dat u doet in het verborgene geschiedt.

Dit vers spreekt niet over collectieve barmhartigheid. Die is namelijk wel zichtbaar – zoals hulpverlening na een ramp of het Leger des Heils en Artsen zonder Grenzen. Jezus spreekt over individuele vormen van barmhartigheid. Die dienen in het verborgene te geschieden en wel om twee redenen: 1. Om te voorkomen dat de ontvanger in verlegenheid gebracht wordt en haar of zijn noden publiek worden. 2. Omdat een christen zich nooit mag beroemen op zijn barmhartige daden die immers een vanzelfsprekend voortvloeisel zijn van de Wet Gods om armoede te voorkomen en ellende te verzachten.


Vers 4 Want uw hoge Vader, Die alles ziet wat verborgen is, zal het Zelf wel vergelden als alles geopenbaard wordt.

Want indien wij in stilte goeddoen wordt dat waargenomen door de hoge God, Die alles ziet wat verborgen is. En dan volgt een bijzondere mededeling: Hij zal het Zelf wel vergelden als alles geopenbaard wordt. Dat verwijst nadrukkelijk naar vers 1, waar over ‘loon in de hemel’ gesproken wordt. Paulus zegt in 1 Korintiërs 3:15 dat mensen die de Zaligheid beërven, in de aanloop daarvan een moment zullen ondergaan – kort na de opstanding – waarin zij met belangrijke zonden in hun leven zullen worden geconfronteerd. Dat zal pijn doen, maar zij worden toch gered als door vuur heen. Als tegenwicht zijn daar de schatten die een gelovige in de hemel verzamelt. Die zijn uit liefde verworven en daarover zegt 1 Petrus 4:8 (NBV21):

Heb elkaar vóór alles innig lief, want liefde bedekt tal van zonden. Jakobus 5:20 bevestigd dat:

19 Broeders en zusters, als een van u afdwaalt van de waarheid en een ander laat hem daarheen

20 terugkeren, dan mag hij weten: wie een zondaar van het dwaalspoor terugbrengt, redt hem van de dood en wist tal van zonden uit.

Kunnen we dan gerechtvaardigd worden uit de werken? Of: Kunnen we zelf de stap naar de Zaligheid verdienen? Neen, daartoe zijn we niet in staat. Daar hebben we het bloed van Christus voor nodig. Echter als dat ons eenmaal is toegevallen, zorgen schatten in de hemel ervoor dat eigen zonden weggewassen worden. Dat we zo wellicht de pijn van een kwellende zelfconfrontatie kunnen ontlopen!


Mattheüs 6:5-9 Bidden en Aanbidding

Vers 5 Wanneer u overweegt een gebed op te zenden, wees dan niet als al die huichelaars, want zij

genieten ervan om overal in synagogen en op de hoeken van belangrijke straten rechtopstaand te bidden, teneinde door zoveel mogelijk mensen gezien te worden. Voorwaar ik zeg u: Daarmee hebben zij hun loon volledig vereffend.

Vaak wordt vertaalt met: Als u bidt, maar dat staat er niet! Jezus spreekt niet over een kort gebed dat overal uitgesproken kan worden. Hij heeft het over aanbidding en spreekt over de innerlijke toestand van een gelovige vóórdat die tot aanbidding overgaat en vervolgt dan met een beschrijving hoe het niet moet.

Voorwaar ik zeg u: Daarmee hebben zij hun loon volledig vereffend.

De eer die huichelaars op aarde verwerven, wordt door Jezus als volledige compensatie aangemerkt voor hun uiterlijke vroomheid; de hoge God hecht er geen waarde aan. Daarmee zegt Jezus dat huichelaars geen schatten in de hemel (vers 20) ontvangen. Geldt dat alleen de Farizeeërs en Schriftgeleerden? Neen, zij dienen als kwalijk voorbeeld. Jezus spreekt tot gelovigen en waarschuwt hen! Vers 5 is een snoeihard oordeel, want zonder krediet in de hemel zal het oordeel de huichelaar treffen (vers 4 – 1 Korintiërs 3:15).


Vers 6 Echter als ú overweegt een gebed op te zenden, ga dan uw eigen kamer binnen. Voel u, na de deur gesloten te hebben, dan pas geroepen om een gebed op te zenden tot uw hoge Vader Die immers ook verborgen is. Dan zal uw hoge Vader, Die al wat verborgen is ziet, het vergelden als alles geopenbaard wordt.

Nogmaals opent Jezus met een beschrijving van de innerlijke toestand van een gelovige vóórdat die tot aanbidding overgaat. Dit voorbereiden is belangrijk, want een mens spreekt dan tegen de hoge God! Dat vereist een eerbiedige houding én weloverwogen woorden. Jezus zegt ons in afzondering te gaan als we individueel tot onze Vader in de hemel bidden. Zorgvuldig beschrijft Hij de te volgen procedure.

Het woord overweegt duidt ‘toeleven naar’; geestelijke voorbereiding. Dan dient de bidder in afzondering te gaan. Als dan de bidder zich tot de hoge God richt, zal Hij ook luisteren.

De verborgenheid van de bidder wordt vergeleken met de verborgenheid van de hoge God. Want geloof is een innerlijke gemoedstoestand, geen publieke demonstratie. Hebreeën 11:1 (NBV21) legt het helder uit:

Geloof is de zekerheid dat alles waarop we hopen werkelijkheid wordt, het overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien. Die geloofszekerheid begint als een verlangen en wordt door het werk van de Heilige Geest een zekerheid. Het is een geschenk van de hoge God.


Vers 7 Als u in gebed gaat, onthoud u dan van loos gepraat gelijk al de heidenen doen, want zij menen dat zij verhoord zullen worden vanwege hun overvloed aan woorden.

Gaf vers 6 al aan dat een zekere voorbereiding nodig is voordat we de hoge God aanbidden, hier spreekt Jezus over de inhoud van onze aanbidding. De heersende praktijken onder de heidenen (veelheid van woorden en eindeloze herhalingen) worden als kwalijk voorbeeld gesteld. Die boodschap dienen wij ons ook aan te trekken. Ik heb in mijn leven vele lange gebeden aangehoord. Er bleef echter zelden iets van hangen. Daarentegen zijn gebeden uit het hart vaak een stamelen tot de hoge God, een hulpkreet om gehoord te worden – die blijven wel hangen. Echter, daarmee zijn we er niet. Onze gebeden zijn namelijk vaak een lijst van wensen, waarin we van de hoge God vragen of Hij in wilt grijpen. Wonderlijk, want dat gebeurt maar weinig – het regent immers over rechtvaardigen en goddelozen in gelijke mate.

Bidden we dan verkeerd? Vaak wel. Het is daarom dat Jezus ons een eenvoudig gebed leert – vers 9-13. Dat gebed is in de wij/ons-vorm dus een collectieve aanbidding – het is een ceremonieel gebed. Daarmee verkeren we op heilige grond, zoals eens Mozes toen de hoge God tot hem sprak, Exodus 3:4 (NBV21):

‘Kom niet dichterbij,’ waarschuwde de HEER, ‘en trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat, is heilig. Waarom citeer ik juist deze tekst? Omdat elke aanbidding van de Hoogheilige tevens een offerande is (Hosea 14:2), zowel individueel als collectief (bijvoorbeeld in de kerk). Dan is de plaats, waar u op dat moment met broeders en zusters bent, tevens heilige grond geworden.


Vers 8 Jullie moeten niet als zij worden, want uw hoge Vader weet waar u behoefte aan heeft voordat u Hem dat vraagt.

Elke gelovige wordt ‘gekend van de hoge God’. Hij weet wat wij doormaken en kent al onze noden. Logische vraag is dan: Waarom lost Hij die noden niet op? Dat heeft te maken met de vrijheid van keuze die de mens heeft. Wij kunnen de hoge God dienen of Hem afwijzen, ja zelfs besluiten Satan te dienen.

Indien nu de hoge God de noden van mensen die tot Hem bidden zou oplossen, dan zou niet de liefde tot God aanleiding zijn om Hem te dienen, maar een lange levensduur (want als elke ziekte op het gebed genezen wordt, wordt een mens heel oud) en rijkdom (God zegent in die veronderstelling de gelovige).

Daarmee is het fundament onder de onafhankelijke keuze – voor of tegen de hoge God – weggeslagen.

De tweede reden vinden we in 1 Johannes 5:11 (NBV21): Wij kunnen ons vol vertrouwen tot God wenden, in de zekerheid dat Hij naar ons luistert als we Hem iets vragen dat in overeenstemming is met zijn wil.

Zijn wil is de Raad Gods en die is heden gericht op het vestigen van Gods koninkrijk op aarde (het Messiaanse Rijk) én op de ten hemelopname van de Gemeente van Christus. De weg daarnaar toe wordt beïnvloed door mensen die God dienen. Het kan dus voorkomen dat de hoge God wel in hun noden voorziet (indien de Raad Gods ermee gediend is) en dan gebeuren er wonderen. Waar ligt de grens die bepaalt of de hoge God een bede tot hulp verhoort? Die kennen wij niet. Het is daarom dat we soms verward raken als de hoge God aan de één genezing of redding geeft en anderen kennelijk niet verhoord.


Mattheüs 5:10-13 Het Onze Vader

Dit gebed wordt het volmaakte gebed van de christelijke kerk genoemd. Wanneer we echter goed lezen dan is het Onze Vader primair een gebed om de komst van Gods Koninkrijk op aarde in die tijd! Dat is de doelstelling. Als Jezus dit zegt spreekt Hij namelijk tot de Joden en over het Messiaanse Rijk. Zo zullen zijn toehoorders het toen ook begrepen hebben – daar is geen twijfel over. Heeft het Onze Vader dan geen waarde voor de Gemeente van Christus? Zeker wel. Want in Johannes 18:36 (NBV21) zegt Jezus (nadat Hij is afgewezen door de Joden en de komst van het Messiaanse Rijk werd uitgesteld) het volgende:

Jezus antwoordde: ‘Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als mijn koningschap bij deze wereld hoorde, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben om te voorkomen dat Ik aan de Joden werd uitgeleverd. Maar mijn koninkrijk is niet van hier.’

De Studiebijbel geeft hier de volgende verklaring: Bedoeld wordt: ‘bij deze stand van zaken blijkt wel duidelijk dat Mijn Koninkrijk niet van hier is’. Dat is juist. De Joden hebben Jezus toen afgewezen, anders zouden mijn dienaren wel gevochten hebben om te voorkomen dat Ik aan de Joden werd uitgeleverd. Met deze uitspraak wordt het Onze Vader in tweede instantie toegewezen aan de Gemeente van Christus.

Wat is dan dat andere koninkrijk? Jezus zegt: niet van hier. En dat klopt want de situatie is met Johannes 18:36 veranderd. Toen de Joden Jezus afwezen koos Hij zich een nieuw volk: de Gemeente van Christus. Die heeft echter geen aardse bestemming, maar een hemelse – niet van hier (= de aarde) dus. Het Onze Vader is sindsdien toegevoegd aan de Gemeente van Christus. Die Gemeente is de Bruid van Christus en daarom mogen wij de hoge God Vader noemen. Daarmee is tevens aangetoond dat het Onze Vader alleen door leden van de Gemeente kan worden uitgesproken.

Is het Onze Vader heden nog van toepassing voor de Joden? Neen, want de Vaderrelatie ontstaat alleen ‘in Christus’ en Hij is door het Joodse volk afgewezen. De Joden dienen vanaf dat moment de weg der Wet te volgen en die is zwaar, want die brengt dit volk tot in de Grote Verdrukking, wat een vreselijke beproeving zal zijn. Echter de Gemeente wordt daarvoor gespaard door de Opname ten hemel, want ze is de Bruid van Christus en die valt onder Zijn bescherming. Paulus bevestigt dat in 1 Thessalonicenzen 1:9c-10 (NBV21) waar hij tot de Gemeente spreekt: om Hem, de levende en ware God, te dienen en om uit de hemel zijn Zoon te verwachten (= de Opname), die Hij uit de dood heeft doen opstaan: Jezus, die ons redt van het komende oordeel (= de Grote Verdrukking). Hier wordt niet gezegd dat Jezus op de aarde aankomt – dat is de wederkomst zoals in Zacharia 14:4 aangekondigd – maar dat Hij de hemel verlaat om Zijn Gemeente op te halen. 1 Thessalonicenzen 4:13-18 (NBV21) getuigt daarover:

13 Broeders en zusters, wij willen u niet in het ongewisse laten over degenen die u ontvallen zijn, zodat u niet hoeft te treuren, zoals anderen, die geen hoop hebben.

14 Want als wij geloven dat Jezus is gestorven en is opgestaan, moeten wij ook geloven dat God door Jezus de doden bij zich zal halen, samen met Jezus zelf.

15 Wij zeggen u met een woord van de Heer: wij, die in leven blijven tot de komst van de Heer, zullen de doden in geen geval voorgaan.

16 Wanneer het signaal gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt, zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen. Dan zullen eerst de doden die Christus toebehoren opstaan,

17 en daarna zullen wij, die nog in leven zijn, samen met hen op de wolken worden weggevoerd 2) en gaan we in de lucht de Heer tegemoet. Dan zullen we altijd bij Hem zijn.

18 Troost elkaar met deze woorden.


Vers 9 Bidt daarom zo: Onze Vader Die in de hoge hemel is. Uw hoge Naam worde geheiligd. Uw

Koninkrijk kome.

De opening van het Onze Vader ademt een geheel andere sfeer uit als de Tien Geboden. De wet gelast ons om de hoge God te eren. Hier speelt een intieme sfeer als tussen Vader en kind – in de Bijbel het

‘Kindschap Gods’ genoemd; Romeinen 8:14-15 (NBV21):

14 Allen die door de Geest van God worden geleid, zijn kinderen van God.

15 U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven, u hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te worden – door Hem roepen wij God aan met ‘Abba, Vader’.

Uw hoge Naam worde geheiligd. Er volgt nu geen verheerlijking van de hoge God, wat we wel vinden in de tien geboden – die eer ligt reeds besloten in het intieme Onze Vader. Hier wordt een wens uitgesproken die pas in het Messiaanse Rijk tot vervulling komt. Dan zal Jahweh wederkeren naar de aarde en in de tempel te Jeruzalem gaan wonen. De stad krijgt dan de naam: Jahweh Shammah (dat is: Jahweh is aldaar).

Uw Koninkrijk kome. Er nu volgt een wens, namelijk dat de wereld niet meer zucht onder de overste van deze wereld (Satan), maar Gods Koninkrijk wordt: het Messiaanse Rijk. Een bede om de komst van het Koninkrijk is de Joden bekend. Het eerste couplet van de Kaddisj, luidt namelijk:

Moge zijn grote naam verheven en geheiligd worden in de wereld die hij geschapen heeft naar zijn wil. Moge zijn koninkrijk erkend worden in uw leven en in uw dagen en in het leven van het gehele huis van Israël, weldra en spoedig.


Vers 10 Uw hoge Raad geschiede zowel in de hemel als op de ganse aarde.

Dit vers word vaak verkeerd vertaald en dan wordt het een bede dat Gods Raad op aarde vervuld wordt, zoals heden het geval is in de hemel. Dat staat er niet! Dit is de engelenhemel en daar hebben zowel goede als kwade machten toegang (Job 1:6-7). Slechts in de hoge hemel (het Vaderhuis) is geen kwaad aanwezig.

Zien de woorden Uw hoge Raad geschiede op het Messiaanse Rijk? Neen, want daar kan nog steeds gezondigd worden, hoewel dat wel bestraft wordt (zie bijvoorbeeld: Zacharia 5:1-4 en 13:3-4). Vers 10 ziet op een nieuwe schepping), dus de Nieuwe Hemel en de Nieuwe Aarde, waar het Messiaanse Rijk slechts een voorloper van is. Filippenzen 2:10-11 (NBV21) bevestigt dat:

10 opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde,

11 en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader.


Vers 11 Geef toch heden ons dagelijks brood.

Deze woorden zijn zeer omstreden. Aanvankelijk zag men het als een bede om dagelijks brood. Maar al snel werd de bede betrokken op de avondmaalsviering. Een derde mening is dat de bede op de ‘maaltijd in het Koninkrijk van God duidt’ (men bedoeld dan de Zaligheid). Jezus spreekt tot eenvoudige mensen waarvan velen zorgen hadden over hun dagelijkse leefbehoeften, dus dienen we het ook zo te verstaan.


Vers 12 Vergeef ons onze schulden naar de mate waarmee wij ónze schuldenaren vergeven.

Eenzijdig verworven genade (Zaligheid) bestaat niet (daarvoor dient het bloed van Christus). Jezus vult aan waar wij in gebreke blijven. Eenzijdige schuldvergeving bestaat ook niet. God kan ons alleen vergiffenis in Christus schenken als wij bereid zijn onze schuldenaren te vergeven. Die schuldenaar dient dan wel bereid te zijn eigen schuld te erkennen, anders kan er geen vergeving zijn. De maat die de gelovige aanlegt als die God om schuldvergeving vraagt, dienen we dus zelf toe te passen op onze schuldenaren. We hebben op die stelling een mooi spreekwoord gefundeerd: Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.


Vers 13A Bewaar ons toch voor verzoeking

Het woord verzoeking dekt alles af wat ons kan scheiden van de hoge God en Jezus Christus. Dat kan verleiding zijn, rijkdom, ongeremde seksuele begeerte, maar ook vervolging en marteling; vul zelf maar in. In deze bede toont de bidder zijn bezorgdheid over verzoekingen die hij/zij terecht vreest en vraagt de hoge God haar/hem bij te staan om die te kunnen verduren. Het is dus een bede om de wapenrusting Gods te ontvangen! Efeziërs 6:14-16 (NBV21) spreekt daarover:

13 Neem daarom de wapens van God op om weerstand te kunnen bieden op de dag van het kwaad, en goed voorbereid stand te kunnen houden.

14 Houd stand met de waarheid als gordel om uw heupen, de gerechtigheid als harnas om uw borst,

15 de inzet voor het evangelie van de vrede als sandalen aan uw voeten,

16 en draag daarbij het geloof als schild waarmee u alle brandende pijlen van hem die het kwaad zelf is

17 kunt doven. Draag de verlossing als helm en Gods woord als zwaard, dat u van de Geest ontvangt.

Vers 13B en verlos ons bovenal van de Boze zelf.

De Boze zelf is natuurlijk Satan en hij is de bron van alle kwaad. Satan is heden de heerser van deze wereld (Johannes 12:31; 14:30 en 16:11 - NBV21). Als het Messiaanse Rijk gesticht wordt, zal hij gebonden worden, zoals Openbaring 20:1-3 (NBV21) getuigt:

1 Ik zag een engel uit de hemel neerdalen met de sleutel van de onderaardse diepte en zware ketenen in zijn hand.

2 Hij greep de draak, de slang van weleer, die ook duivel of Satan wordt genoemd, en ketende hem voor duizend jaren.

3 Hij gooide hem in de diepte, sloot de put boven hem en verzegelde die, opdat de volken niet meer door hem misleid zouden worden tot de duizend jaar voorbij waren;

Wij worden ‘verlost van de Boze’ als Jezus Zijn Gemeente ophaalt (de Opname) en naar de hemel brengt. Het is nu nog een wens, daarom stopt het Onze Vader hier in de grondtekst.

Vers 13C Mattheüs 6:13b (NBV21): [Want aan U behoort het koningschap, de macht en de majesteit, in eeuwigheid. Amen.]

Deze woorden zijn pas eeuwen later aan het Onze Vader toegevoegd en daarom heeft de NBV21 ze tussen haakjes gezet. Moeten we ze dan maar voortaan negeren? Dat is niet nodig. Het is gewoon een mooi eind aan het gebed en bevestigt in feite de woorden van Jezus.


Mattheüs 5:14-15 Schuldvergeving

In deze verzen legt Jezus vers 12 van het Onze Vader verder uit.

Vers 14 Onder die voorwaarden, dus als u bereid bent ieder mens zijn overtredingen te vergeven, zal uw hoge Vader in de hemel u óók vergeven.

Vers 15 Maar als u niet bereid bent ieder mens welke overtreding ook te vergeven, zal de hoge Vader al úw overtredingen ook niet vergeven.

De hoge God is alleen bereid om onze schulden te vergeven als ook wij bereid zijn onze schuldenaren te vergeven. Dat betekent niet dat we elke schuldenaar moeten vergeven of hun schulden per definitie moeten kwijtschelden. Het is geen universeel pardon, want eenzijdige schuldvergeving zonder voorwaarden kent de Bijbel niet. Er dient altijd wederzijdse bereidwilligheid te bestaan. Zoals wij onze schuld aan God erkennen, dienen ook zij hun schuld aan ons te erkennen. Als de schuldenaar daartoe in staat is, dient hij die te voldoen. Kan hij dat niet dan valt zijn schuld onder de opdracht tot het verrichten van barmhartigheid, zoals in de verzen 1-4 besproken is. Dan zal onze hoge Vader, Die alles ziet wat verborgen is, het Zelf wel

vergelden als alles geopenbaard wordt (Mattheüs 6:4).


Mattheüs 5:16-24 Algemene Leefregels van Jezus

Vers 16 Als u weleens vast, wordt dan niet zoals de huichelaars. Want zij verbergen hun ware gezichten in somberheid, opdat zoveel mogelijk mensen getoond wordt dat zij vasten.

Voorwaar ik zeg u: Daarmee hebben zij hun loon volledig vereffend.

De Mozaïsche Wet schreef alleen op Grote Verzoendag een vasten voor. Tevens bestond de gewoonte om een intensief gebed door vasten vooraf te laten gaan (Ezra 8:21 en Jeremia 14:12) – dat betreft echter een persoonlijke keuze, het is/was geen goddelijk voorschrift.

In eerste instantie duidt Jezus hier uiteraard op de Farizeeërs en Schriftgeleerden. Maar in deze tekst ziet men ook vaak een verwijzing naar uiterlijke vormen van vroomheid, zoals zwarte kleding en een ernstige of zwaarmoedige uitstraling. Dat is onjuist, want een typerend uiterlijk is geen teken van huichelarij in zichzelf. Hier duidt Jezus in het algemeen op mensen die zich binnen het Joodse volk (of kerkelijke doelgroep) verheffen en dat vindt plaats in allerlei denominaties. Weer waarschuwt Hij dat wie zichzelf verhoogt, vernedert zal worden (Lucas 14:11), want die ontvangt geen schatten in de hemel (vers 20).


Vers 17 Als ú echter vast, zult u uw ganse hoofd en gezicht zalven en u wassen, opdat u niet aan de mensen zult tonen dat u vast.

Vers 18 Want uw hoge Vader, Die alles ziet wat verborgen is, zal u vergelden als alles geopenbaard wordt.

Het besluit om te vasten is een persoonlijke keuze. Jezus promoot het niet, maar maakt er ook geen bezwaar tegen, echter wel over de manier waarop! Jezus zegt: Als iemand vast, dan moet hij/zij zich voorbereiden alsof je naar een feest gaat – uw ganse hoofd en gezicht zalven en u wassen – want het is tot eer van God. Dat je dan innerlijk honger leidt, is niet iets waar je mee mag pronken. Dat hoort alleen bekend te zijn bij de hoge God Die alles ziet wat verborgen is. De buitenwereld dient een blijmoedig christen te zien, want Hij zal het u vergelden als alles geopenbaard wordt (= schatten in de hemel).


Vers 19 Verzamel voor uzelf geen schatten op deze aarde, waar mot en voortdurend verval ze aantasten en waar dieven en inbrekers stelen,

Vers 20 maar verzamel voor uzelf schatten in de hemel, waar mot noch verval ze aantasten en waar dieven niet inbreken noch stelen.

Vers 21 Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.

Scherp wordt het tijdelijke van aardse schatten benadrukt – daar worden ook reputatie of roem mee bedoeld

–, want het is ‘vluchtige winst’. Als je daar op bouwt sta je aan het einde van je leven met lege handen voor de hoge God. Heeft dat consequenties voor je Zaligheid? Dat staat er niet (1 Korintiërs 3:15b) getuigt: hijzelf zal worden gered, maar als het ware door het vuur heen.


Vers 22 De enige lamp voor heel het lichaam zijn de ogen. Als dan de ogen van u helder zijn, zal het gehele lichaam verlicht worden.

Vers 23 Maar als uw ogen slecht zijn, zal geheel uw lichaam verduisterd worden. Als dan al het licht in u verduisterd is, hoe erg is die duisternis dan wel niet?

Jezus zegt dat we een ‘helder oog’ moeten hebben voor de woorden van God. Want dan zal de Heilige Geest ons bijstaan om de ‘duistere plekken’ in onszelf te vinden en te bestrijden. Worden we dan volmaakt? In zekere zin wel! Niet vanwege onszelf, maar in Christus Jezus. Hij maakt de ware gelovige een heilige! Leviticus 20:7 (NBV21): Zorg ervoor dat jullie heilig zijn, en blijf heilig, want Ik ben de HEER, jullie God.

Deze woorden klonken tot Israël. Petrus betrekt zo ook op de Gemeente – 1 Petrus 1:16 (NBV21):

15 Leid een leven dat in alle opzichten heilig is zoals Hij (Jezus) die u geroepen heeft heilig is.

16 Er staat immers geschreven: ‘Wees heilig, want Ik ben heilig.’

Onmogelijk?... Welnee. De hoge God ziet ons u immers door de ‘bril van Christus’ heen. Hij toont God wat we gaan worden en daarmee zijn we per definitie heilig geworden. Romeinen 1:7 (NBV21) getuigt:

Aan allen in Rome, geliefden van God, geroepen om zijn heiligen te zijn. Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus.

Vers 23B Als dan al het licht in u verduisterd is, hoe erg is die duisternis dan wel niet?

Dit is een metafoor van verloren gaan als elk contact met God is doorgesneden. Wat is dat, die ‘verbinding met de hoge God’? Dat noemen we geweten dat we met de geboorte meekrijgen – het laatste lijntje met God die ook een ongelovige met Hem verbindt. Als het licht in u verduisterd wordt gaat die verbinding met God verloren. Aldus wordt een mens afgekoppeld van de enige bron van alle goed – de hoge God en wordt al het licht in haar/hem verduisterd. Dat is verloren gaan – hoe erg is die duisternis dan wel niet?


Vers 24 Niemand kan twee heren dienen, want van de één zal hij een afkeer hebben terwijl hij de ander graag zal mogen – of hij zal aan één toegewijd zijn en de ander verachten. U kunt niet God dienen en tevens verslaafd zijn aan allerlei vormen van rijkdom.

Het woord kurios (heren) heeft de onderliggende betekenis van heerser en dat is een wereldse kwalificatie. Dat houdt per definitie in dat het twee concurrerende machten betreft, zoals we dat in onze maatschappij ervaren. Mensen komen dan altijd tot een keuze: voor of tegen – en dat is het voorbeeld dat Jezus ons geeft.

Een tweede tegenstelling is: Het dienen van de hoge God en verslaafd zijn aan allerlei vormen van rijkdom. Die twee gaan namelijk niet samen. Is rijkdom dan per definitie fout? Neen, het is wel een valkuil.


Mattheüs 5:25-34 Leefregels voor de Gelovige

Vers 25 Daarom geef Ik het volgende ter overweging: Wees niet overbezorgd over uw (aardse) leven en over wat er gegeten of gedronken moet worden. Ook niet over uw eigen lichaam of over wat u zou moeten aantrekken. Is het ware leven niet belangrijker dan welk voedsel ook of dan alle kleding voor het lichaam?

Deze tekst wordt vaak zo uitgelegd dat een ware gelovige zich geen zorgen moet maken over wereldse zaken. Dat standpunt motiveerde christenen in het verleden om een leven als ascetische monnik te leiden. Voor anderen zijn het zorgen om het Koninkrijk. Beide meningen worden niet door de context ondersteund.

Jezus Leeft met Ons Mee: Onze tekst wijkt af van traditionele vertalingen – en om gegronde redenen. Jezus heeft begrip voor de noden van mensen. Hij heeft die noden in allerlei vormen zelf meebeleefd. Jezus houdt ons voor dat overbezorgd zijn, angst voor morgen, piekeren over wat ‘misschien’ kan gebeuren, een mens verlamt. Angstig leven hoort niet bij het ‘christen-zijn’. Dat is geen gemakkelijk advies, vooral niet als je in ellende verkeert. Toch zegt Paulus – Romeinen 8:18 (NBV21): Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd in geen verhouding staat tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard. Dat lost hongersnood, ziekte en oorlogsgeweld niet op, maar geeft wel troost. Zo leeft dan een gelovige toch een beetje met ‘zijn hoofd in de hemel’ terwijl zijn lichaam nog de aanslagen van de wereld verduurt.


Vers 26 Leer van al die vogels in de lucht; dat zij zaaien noch oogsten, noch in voorraadschuren opslaan, want het is uw hoge hemelse Vader die ze voedt. Gaan jullie hen niet ver te boven?

Wat een mooi voorbeeld geeft Jezus hier. Het is de hoge God die Zijn zegen over de natuur en het gewas geeft, ondanks dat de overste van deze wereld Satan is (Johannes 12:31, 14:30 en 16:11). Dat wordt pijnlijk

duidelijk als de Hoogheilige Zijn handen van de aarde aftrekt, want dan ontstaat over de gehele wereld hongersnood – In Openbaring 6:5-8 wordt dat getypeerd door een zwart paard én een vaal paard.

God voedt de vogels in de lucht en de mens gaat ze ver te boven. Wij zien dat in ons zaaien, maaien en arbeid. De dankdag voor gewas en arbeid zou dus een nationale feestdag moeten zijn, maar wij zijn vergeten hoe afhankelijk we zijn van Gods zegen. Echter in Mattheüs 6:26 vers spreekt Jezus over voeden onder voorwaarde. Wij dienen zelf te zaaien, te maaien en te arbeiden om die zegen te verzilveren. Dat houdt in dat we de aarde als ‘pachter van God’ goed moeten verzorgen en daarin falen we. De opwarming van de aarde is geen natuurlijk fenomeen, maar een gevolg van wereldwijd misbruik van die aarde.


Vers 27 Wie van u kan dan door zich overbezorgd te maken één el aan zijn levensweg toevoegen?

Met dit vers komt Jezus tot een conclusie die we niet nader hoeven te verklaren.


Vers 28 Wat betreft de kleding: Zit u daar over in? Let eens op al die voorjaarsbloemen in het veld, hoe zij groeien. Zij zwoegen niet, noch spinnen zij.

Vers 29 Toch zeg Ik u: Zelfs Salomo ging in al zijn luister niet gekleed als een van hen.

Jezus wijst op de uitbundige pracht van de natuur in de lente. Wij zijn dat een beetje kwijtgeraakt omdat op onze landerijen onkruid doodgespoten wordt. In de Alpen is dat gelukkig streng verboden en daar kunnen we die overweldigend bloemenpracht in de lente nog zien. De tekst spreekt verder voor zich.


Vers 30 Als dan de begroeiing van het land dat er vandaag is en morgen in een oven geworpen kan worden, door de hoge God zo (met voorjaarsbloemen) bekleed wordt, zal Hij jullie dan niet veel beter behandelen, gij kleingelovigen?

Als in Kanaän de regens vielen kleurden de velden door pracht van allerlei veldbloemen. Het warme klimaat deed enige weken later al die planten verdorren en die gebruikte men dan als goedkope brandstof. De tekst is een metafoor die op verloren gaan en behouden worden duidt. Zal de hoge God ons ook in de oven werpen? Neen, Hij zal ons veel beter behandelen

Dit zijn troostrijke woorden voor allen die God zo goed mogelijk proberen te dienen. God eist geen heilig niveau als bindende voorwaarde tot de Zaligheid – wel dienen we daarnaar te streven, hoewel binnen de beperkingen van de eigen situatie. Ook een kleingelovige is een gelovige en ook die beërft de Zaligheid.

Conclusie op Vers 28-20: Dat wij kleding en waardevolle zaken kunnen kopen is niet alleen de vrucht van onze arbeid – dat ook – maar vloeit allereerst voort uit de zegen van God over gewas en arbeid. Maar wat als vanzelfsprekend wordt aanvaard, wordt zelden zo ervaren. Wij zijn vergeten dat alle goeds op aarde een gift van God is en alle kwaad wortelt in Satan. Pas als die zegen van de hoge God de wereld ontvalt – in de Eindtijd, de Grote Verdrukking –, als het zwarte en vale paard van oordeel naar de aarde gezonden worden (Openbaring 6:5-8) 1), wordt zichtbaar hoezeer de mensheid van Gods zegen afhankelijk was. Dan zal de mens beseffen wat ze verspeeld hebben), maar dan is het al te laat.


Vers 31 Wees niet overbezorgd in het overwegen van: Wat zullen we eten? of: Wat zullen we drinken? of: Waarmee zullen we ons kleden?

Vers 32 Want deze dingen, die alle heidenen najagen, weet uw hoge hemelse Vader immers voordat u dit alles nodig hebt.

Vers 33 Zoek dan eerst het hoge Goddelijke Koninkrijk en al zijn gerechtigheid; dan zal dit alles ú toevallen.

Jezus sluit met verstandige adviezen: Probeer niet te piekeren over aardse zaken die vergankelijk zijn of over bedreigingen die een mens kunnen overkomen. Bezorgd zijn mag en is redelijk, maar dient nooit de zekerheid van de komende Zaligheid te overschaduwen. De conclusie van Jezus is als troost bedoeld, als een handvat die ons in kommervolle omstandigheden een stukje uit het moeras van terechte zorgen tilt.

Dus wat een mens ook moge overkomen, het panorama van de komende Zaligheid dient altijd in het oog gehouden te worden. Daarmee worden christenen niet overvraagd. Die instelling is noodzaak voor de gelovige zelf om het in barre tijden vol te kunnen houden. Want in het geloof ligt de kracht van de Heilige Geest en die verleent er ‘vastigheid’ aan – Die staat ons dan bij als we zelf dreigen te wankelen.


Vers 34 Wees echter niet overbezorgd voor wat morgen zou kunnen gebeuren, want die morgen zal zijn eigen zorgen hebben. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.

Zo wijst Jezus tobbende christenen terecht. Niet als vermaning van onze levenswijze. Hij biedt verlichting van zorgen, opdat we daar niet door overweldigd worden: elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.


Dit is een uittreksel van de Verklaring van Mattheüs door Gert A. van de Weerd. Daar wordt de grondtekst diepgaand verantwoord.

Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

Laat een reactie achter

Let op: reacties moeten eerst worden goedgekeurd voordat ze worden gepubliceerd.

Deze site wordt beschermd door hCaptcha en het privacybeleid en de servicevoorwaarden van hCaptcha zijn van toepassing.