📄 Download deze Bijbelverklaring (PDF)
Mattheüs 7 – De Verklaring
Inleiding
Mattheüs 7 is betwist; bijvoorbeeld vers 7 (NBG /HSV): Bid, en u zal gegeven worden; zoek, en u zult vinden; klop, en er zal voor u opengedaan worden. Neem je dat letterlijk dan vervuld God onze gebeden en dat is zelden het geval. Om die tegenstelling te verklaren, voegt men vaak toe: Als God het je niet geeft, heb je kennelijk niet het goede gevraagd. Maar dat staat er niet! En wat moeten we met Mattheüs 7 13-15 en 21-23 aan? Want die teksten lijken te zeggen dat maar weinig mensen Zalig worden. Dat dogma heeft diep wortel geschoten in sommige christelijke kerken en dat veroorzaakt helaas veel onnodig geloofsleed.
De Verklaring – Mattheüs 7:1-5 De Schijnheilige Samenleving, Inleiding.
Vers 1 Oordeelt niet, opdat u niet geoordeeld zult worden.
Vers 2 Want met het oordeel dat u velt, zult ú geoordeeld worden. En met de feitelijke maat waarmee u meet, zult u zelf ook gemeten worden.
In het verleden werd het volk Israël door God aangesproken via richters, koningen en profeten. Zij waren verantwoordelijk om de geboden van God te laten uitvoeren. Echter een koning uit de dynastie van David was er niet meer; het land was bezet door de Romeinen. Met het verdwijnen van het koninkrijk Juda was de oude bedeling vervallen (het Sinaïtische Verbond). Er was geen Godsrijk meer, dus gold nu een individuele verantwoordelijkheid tot de hoge God. Vandaar dat Jezus de mensen nu persoonlijk aanspreekt. Daarin is niet meer de letter van de Wet leidraad, maar de liefde tot de hoge God en de naaste.
Vers 3 Waarom speurt u dan naar dat ene strootje in een oog van nota bene uw eigen broeder, terwijl u die balk in uw eigen oog niet opmerkt?
Vers 4 Hoe kunt u dan tot uw eigen broeder zeggen: Laat mij het strootje uit dat ene oog verwijderen terwijl eenieder ziet dat die balk in uw eigen oog er nog steeds zit?
Vers 5 Huichelaar!, verwijder eerst maar die balk uit je eigen oog. Pas dan zult u helder zien om dat strootje te kunnen verwijderen uit het ene oog van uw eigen broeder.
Deze verzen bevatten onvervalste humor. Want de vergelijking van een strootje (of kaf) met een balk in het oog is absurd. Daarmee schetst Jezus de huichelachtige houding van Farizeeën en Schriftgeleerden die het gewone volk kapittelden door kleine zonden groot gewicht te geven middels wettische scherpslijperij, terwijl zijzelf het liefdegebod (het grote gebod) negeerden. Zullen de mensen om deze absurde vergelijking gelachen hebben? Ik denk het wel. Voor ons is het een waarschuwing om voor alles zelf integer te zijn. Om niet bij voorbaat een verdedigende houding aan te nemen door ‘de ander’ te beschuldigen van hun eigen (vaak geringe) overtredingen als tegenwicht voor eigen fouten die aan het licht komen.
Uitleiding - Met voorgaande verzen schetst Jezus Christus onmiskenbaar een Schijnheilige Samenleving, waar vormendienst de liefdesrelatie met de hoge God verdrongen heeft. Daarmee zette Hij de Farizeeërs en Schriftgeleerden weg als vertegenwoordigers van een verwrongen, dode wet.
De Verklaring – Mattheüs 7:6-12 De Gelovige Samenleving
Na de Schijnheilige Samenleving schetst Jezus Christus een Gelovige Samenleving. Dat betreft in eerste instantie uitsluitend Joodse gelovigen die in een later stadium het Messiaanse Rijk ‘hadden kunnen bevolken’. Dat gebeurde niet omdat de Joden Jezus afwezen, maar die fase is hier nog niet bereikt.
Vers 6 Niemand haalt het in zijn hoofd om heilig offervlees aan de honden te geven. Noch overweegt hij om al zijn parels voor de zwijnen uit te strooien. Zouden die de parels niet op een zeker moment met hun poten vertrappen en zich dan omkeren om u te verscheuren?
Evenals in vers 3-5 schetst Jezus hier een absurde tegenstelling. Want heilig offervlees aan onreine honden geven, was iets wat geen enkele Jood ooit zou overwegen, evenmin als het uitstrooien van parels tot voedsel voor onreine zwijnen. Jezus spreekt over twee begrippen die kostbaarheid duiden: Het heilige offervlees in de tempel en dure parels. Beide woorden dienen als een metafoor van heilige zaken die het Koninkrijk van de Hemelen betreffen. In die tijd was dat het Messiaanse Rijk. Dat bied je ongelovigen niet aan – honden en zwijnen genoemd – maar aan gelovige Joden. Alleen zij mogen het Messiaanse Rijk binnengaan.
en zich dan omkeren om u te verscheuren? – Dit is een waarschuwing. Want als schijngelovigen toegang krijgen tot het heilige, dan worden wolven in schaapskleren toegelaten. Zij worden namelijk niet gedreven door de liefde tot God en de naaste, maar door eigenbelang. Zij zullen u verscheuren. Mattheüs 7:6 spreekt ook tot ons. Want wij dienen de Gemeente van Christus zuiver te houden om te voorkomen dat ongelovigen delen in heilige gaven, zoals doop, avondmaal en aanbidding. Daarvoor dient de kerkelijke tucht. Wordt die uitgeoefend? Nauwelijks! Mede daarom heeft de kerk haar werfkracht in ons land verloren.
Bidt en U zal Gegeven Worden? Mattheüs7:7-8
Deze verzen zijn onderwerp van de meest uiteenlopende verklaringen. Die houden zich zelden aan de grondtekst en haar context. Dat begint al met het veel toegepaste opschrift: Gebedsverhoring of: Bid, en u zal gegeven worden. Nergens in vers 7-12 is sprake van een gebed – dat is in vertalingen erin geslopen. De perikoop spreekt over het ‘vragen van iets’ tussen mensen, zoals de verzen 9 tot 12 zo duidelijke aangeven.
In de orthodoxe kringen hecht men aan Mattheüs 7:7-6 een letterlijke betekenis van: Als je God om iets bidt zal Hij je dat ook geven. Dat is niet waar, zoals de meeste christenen die ooit God om genezing of uitredding gebeden hebben, kunnen getuigen (slechts een kleine minderheid ervaart vervulling). Dat beseft de orthodoxe theoloog ook wel en daarom wordt dit standpunt ‘gered’ door aanvullend te verklaren: Als God het je niet geeft, heb je kennelijk niet het goede gevraagd. Staat dat er? Neen.
In z’n letterlijke betekenis lijkt Mattheüs 7:7-8 een blanco cheque die we zelf mogen invullen en dat kan niet waar zijn. Moeten we deze tekst dan maar negeren? Neen we dienen Jezus serieus te nemen, echter zijn woorden wel in z’n context te zetten. Dan dienen we nadrukkelijk plaats, context en tijdstip van Zijn uitspraken mee te wegen om tot een gefundeerde verklaring te komen. Drie vragen komen dan op:
Vraag 1: Tot wie spreekt Jezus hier eigenlijk? Antwoord: Tot Zijn discipelen en het Joodse volk.
Vraag 2: Waar sprak Jezus toen over? Antwoord: Over het Messiaanse Rijk, dat staat wel vast.
Vraag 3: Was dat Rijk haalbaar? Antwoord: Jazeker, maar diende het Joodse volk zich eerst te bekeren.
De toehoorders van Jezus waren veelal eenvoudige mensen en zij luisterden naar Jezus, een hooggeëerde Rabbi met Semikhah – die was dé autoriteit om de Profetische Schriften te verklaren! Welnu, Rabbi Jezus houdt hen de weg naar het Messiaanse Rijk voor. Voor het gewone volk was dat een nieuwe theologie die afweek van de Farizeeën en Schriftgeleerden. Die nieuwe theologie werd samengevat in de kernboodschap van Jezus: Kom tot inkeer, want het hoge Hemelse Koninkrijk is nabij gekomen. Dat is een opwindende en hoopvolle boodschap die paste in de algemene verwachting dat de Messias zou komen, de Romeinen verslagen zouden worden en het rijk van koning David hersteld. Dat eenvoudige publiek hing geen ingewikkelde theologische dogmatiek aan. Zij zagen uit naar een nieuwe tijd, zoals door Gods profeten was voorzegd. Dan zou een van God gezonden Messias een nieuw Koninkrijk stichten dat voor recht en gerechtigheid zou zorgen. Het is dan ook logica dat Jezus dáárnaar in Mattheüs 7:7-8 verwijst.
Vers 7 Als u vraagt, zal u ook gegeven worden. Als u zoekt, dan zult u vinden. Als u klopt, dan zal er voor u opengedaan worden.
Vers 8 Want eenieder die vraagt ontvangt en wie zoekt die vindt en wie klopt zal opengedaan worden.
Ik ga nu over op een aangepaste tekst, omdat zo de bedoeling – gezien in het licht van de Bergrede – helder aan het licht komt. Kortom ik maak het zo ‘beter begrijpelijk’. Jezus bedoelt in feite:
Vers 7 Als u het vraagt, zal dat koninkrijk u ook gegeven worden. Als u dat zoekt, dan zult u het Koninkrijk vinden. Als u klopt, dan zal de deur van dat Koninkrijk voor u opengedaan worden.
Vers 8 Want eenieder die naar het Koninkrijk vraagt ontvangt Jezus en wie aldus zoekt die vindt het Koninkrijk en wie dan klopt zal opengedaan worden en zo het koninkrijk mogen ingaan.
De aanvulling op de grondtekst is in balans met de context en bepaalt de verklaring. Want het Messiaanse Rijk kan er alleen komen als het Joodse volk Jezus als Verlosser aanneemt.
→ Pas dan wordt Hij hun Messias (dat betekent: gezalfde), dus hun Koning.
→ Pas dan treden de profetieën over de Messiaanse toekomst in werking.
→ Pas dan kán Hij Zijn volk naar het Messiaanse Rijk leiden.
Wij weten heden dat het Rijk er niet kwam, omdat slechts een klein deel van de Joden Jezus wilde volgen. Die afwijzing werd duur betaald, want toen het Joodse volk Jezus afwees en Hij gekruisigd werd, koos het Joodse volk een eigen pad naar de toekomst om zelf dat koninkrijk te vestigen. Dat ontaarde in een oorlog tegen de Romeinen die in een vreselijk bloedbad eindigde en de stad Jeruzalem met de tempel vernietigde.
De koninkrijksgedachte is niet beperkt tot het Joodse volk en hun aardse Rijk. De Gemeente van Christus
ziet immers ook uit naar een Koninkrijk – een Hemels. In die context blijken deze verzen onverkort geldig en die benadrukken de universele ‘ruggengraat’ van de Raad Gods. Immers uiteindelijk daalt het hemelse Jeruzalem neder en verenigt zich met het aardse Jeruzalem – het einddoel is eender. De wegen van het volk Israël en de Gemeente van Christus zijn verschillend; de doelstellingen zijn gelijk. Zo kunnen christenen toch bidden om het Koninkrijk – in aanvang is dat een uitzien naar de Zaligheid Hierboven; in de volmaakte vorm is dat een verenigd Jeruzalem op de nieuwe aarde (Openbaring 21:1-2).
Vers 9 Is er soms iemand onder u die, als zijn eigen zoon hem om een brood vraagt, hem een steen zal geven?
Vers 10 En als hij om een vis vraagt hem een slang zal geven?
Ook dit vers legt een absurd contrast neer. Want geen enkele vader zal zijn zoon een steen in plaats van brood zal geven, noch een slang voor een vis. Zo werkt Jezus met simpele voorbeelden naar een belangrijke stelling toe (vers 11). Die voorbeelden zijn zó extreem duidelijk dat ze elke andere mening uitsluiten – ja zelfs belachelijk maken.
Vers 11 Als ú dus, die het moeilijk hebt, er al in slaagt het goede aan uw kinderen te geven, hoeveel te meer zal uw hoge Vader Die in de hoge hemel is, het goede schenken aan hen die Hem daarom vragen!
Onze vertaling verschilt nogal van gevestigde vertalingen. Die openen bv. met: u die slecht bent of: slecht als jullie zijn. De aangesprokenen zijn echter volgelingen van Jezus dus die vertaling strijdt met de context. Wie de grondtekst wel nauwgezet volgt, leest hier: u dus die het moeilijk hebt en dat past de context wel.
Weer houdt Jezus Zijn toehoorders een onbekend concept voor. Hen wordt een relatie tot God aangeboden: die van Vader en kind. Dat verschilde schokkend van de dogmatiek van Farizeeën en Schriftgeleerden. Zo mocht je over de hoge God spreken – je mocht zelfs Zijn Naam niet meer uitspreken! – Zo leerden zij!
Was de hoge God veranderd? Neen God is altijd dezelfde. De omstandigheden in Kanaän waren veranderd. Want met de komst van de Zoon van God ontstond een nieuwe heilsweg: Het gelovig volgen van Jezus Christus. Die weg wordt niet door een uitgebreide Wet (= Thora) als reglement begeleid, zoals in het oude Godsrijk. Het is een hartskwestie, want die weg maakt ons één met Jezus Christus. Die intieme relatie noemt de apostel Paulus het Lichaam van Christus. In 1 Korintiërs 12:12-27 legt hij dat heel goed uit.
Maar, zult u wellicht zeggen: Die verzen betreffen toch de Gemeente van Christus en niet het Joodse volk? Dat is heden inderdaad het geval, echter toen Jezus deze woorden uitsprak, was Hij nog niet door het Joodse volk verworpen. Toen stond de weg naar het Messiaanse Rijk nog open – en was dat Rijk binnen bereik (nabij gekomen, Mattheüs 4:17)! Dus de eenheid van gelovigen in Christus werd eerst het Joodse volk aangeboden 1) en daarmee ook het kindschap Gods. Romeinen 8:15 (NBV21) zegt het zo: U hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te worden – door Hem roepen wij God aan met ‘Abba, Vader’.
Dus als we door het geloof opgaan in het lichaam van Christus wordt God onze Vader. Echter, ook hier geldt: Eerst de Jood en ook (of: dan) de Griek! (= niet-Joden, heidenen) – Romeinen 2:9-10 (NBG):
9 Verdrukking en benauwdheid (zal komen) over ieder levend mens, die het kwade bewerkt, eerst de Jood en ook de Griek;
10 maar heerlijkheid, eer en vrede over ieder, die het goede werkt, eerst de Jood en ook de Griek.
Na de verwerping van Jezus koos God zich een nieuw volk: de Gemeente. Mattheüs 21:43 (HSV) getuigt:
Daarom zeg Ik u dat het Koninkrijk van God van u weggenomen zal worden en aan een volk gegeven (= de Gemeente) dat de vruchten ervan voortbrengt.
Echter ook wij – de Gemeente – moet vrucht voortbrengen, anders wordt de kandelaar (de Heilige Geest) weggenomen (Openbaring 2:5).
Vers 12 Samenvattend: In alles wat u mogelijkerwijs wenst dat de mensen voor ú doen, doe dat zelf ook voor hen. Want dat vormt het hart van de hoge Wet en de hoge profeten.
Jezus eindigt dit gedeelte met een individuele oproep aan Joden voor zover er nog geen Messiaanse Rijk gevestigd is. Die bevat de zaden van het komende Godsrijk. Want gehoorzamen aan deze opdracht maakt de gelovige waardig om dat Rijk binnen te gaan. Evenzo geldt dat voor leden van de gemeente van Christus. Wij, gelovigen, dienen in en uit de liefde te leven. Want het liefdegebod vormt het hart van de hoge Wet en de hoge profeten en leidt ons naar de Zaligheid. Het wordt in veel commentaren terecht ‘de Gouden Regel’ genoemd. Was die dan onbekend in de Joodse theologie? Zeker niet, zoals blijkt uit de woorden van de beroemde Joodse rabbi Hillel die de Wet als volgt definieerde: Doe datgene wat door uzelf als hatelijk wordt ervaren niet een ander aan. Dit vormt de gehele Thora; de rest is commentaar.
Excurs 1: De Brede en de Smalle Weg – De Dogmatiek
Vergrendelde Dogmatiek
Mattheüs 7:13-15 heeft een enorme invloed op de dogmatiek gehad, vooral aan Bijbelvaste en/of orthodoxe
zijde. Deze tekst is onverbrekelijk verbonden met Mattheüs 22:14 (NBV21): Velen zijn geroepen, maar slechts weinigen uitverkoren. Indien we die tekst op de Gemeente van Christus betrekken, is dat een buitengewoon ernstige uitspraak, want dat beperkt het aantal gelovigen dat de Zaligheid zal beërven in hoge mate. Ik kom zelf uit de Gereformeerde Gemeente en daar zei men: Velen gaan met een ingebeelde hemel naar de hel. Dat is een verschrikkelijke gedachte die veel christenen doet twijfelen aan eigen geloof en behoudenis. Mede daarom durven in die kringen maar weinigen aan het avondmaal deel te nemen. Maar deze tekst ziet niet op de Gemeente van Christus, maar op het Joodse Volk. Dat gaan we nu onderbouwen.
In het zoeken naar de juiste verklaring komen nogmaals drie vragen op:
Vraag 1: Tot wie spreekt Jezus hier eigenlijk? Antwoord 1: Tot Zijn discipelen en het Joodse volk.
Vraag 2: Waar sprak Jezus toen over? Antwoord: Over het Messiaanse Rijk, dat staat vast.
Vraag 3: Was dat Rijk haalbaar? Antwoord: Jazeker, maar dan den het Joodse volk zich eerst te bekeren.
Het is dus volstrekte logica dat Jezus Christus ook in Mattheüs 7:13-15 over het Messiaanse Rijk spreekt en het Joodse volk op het oog heeft. We gaan verder met Mattheüs 22:14 (NBV21: Velen zijn geroepen, maar slechts weinigen uitverkoren. Dan rijzen vanzelf de volgende vragen op:
Vraag 4: Wie zijn degenen die geroepen worden? Antwoord: Het Joodse volk natuurlijk.
Vraag 5: Waarom zijn zo weinigen uitverkoren? Omdat de meerderheid van het Joodse volk Jezus afwees.
Vraag 6: Wie zijn de ‘weinigen’? Antwoord: Dat zijn de weinige Joden die zich bij de Gemeente aansloten.
We dienen nu heel duidelijk te zijn. Als Jezus in Mattheüs 22:14 over weinigen spreekt, duidt dat op een gering aantal uit het Joodse volk. Jezus houdt er dus in dit stadium al rekening mee dat het Joodse volk niet als geheel tot bekering zal komen en Hem zal aannemen als Messias.
Messiasbelijdende Joden – Eén van de grote frustraties van de christelijke kerk is dat door de eeuwen heen zo weinig Joden zijn overgegaan tot het christendom. Dat heeft twee oorzaken:
1. Er ontstond diepe vijandschap tussen kerk en Jood die in antisemitisme ontaardde. Dat leidde tot ernstige vervolging van de Joden waardoor velen het leven lieten. De kruistochten en de Holocaust zijn daarvan schokkende dieptepunten. Voor Joden is de christelijke kerk altijd dé grote vijand gebleken en dat is een intrieste constatering, want het blokkeerde voor velen de overgang naar het christendom.
2. Er is het Joodse volk een bedekking opgelegd, waardoor zij maar moeilijk Jezus als hun Messias kunnen herkennen.
Paulus zegt dat in 2 Korintiërs 3:15-16 (NBG): Ja, tot heden toe ligt, telkens wanneer Mozes voorgelezen wordt, een bedekking over hun hart, maar telkens wanneer iemand zich tot de Here bekeerd heeft, wordt de bedekking weggenomen. De Here nu is de Geest; en waar de Geest des Heren is, is vrijheid.
Nogmaals: Velen zijn geroepen, maar slechts weinigen uitverkoren.
Deze uitspraak wijst niet op de Gemeente. Jezus spreekt tot het Joodse volk. Daarvan betreft het:
A. Het kleine aantal Joden dat ooit tot de Gemeente van Christus is overgegaan en nog zal gaan, ondanks dat het gehele volk door Jezus geroepen werd en wordt.
B: Israëlieten die aan het einde van de Grote Verdrukking het Messiaanse Rijk mogen binnengaan. Ook dat aantal is gering, want we moeten het afzetten tegen 2000 jaar bedekking die heden al op het Jodendom ligt. Talloze generaties hebben zo de roep van de Messias gemist!
Conclusie: Met voorgaande verklaring wordt nu ook duidelijk waarom Jezus aangaande de Joden van een brede en een smalle weg spreekt én van een brede en smalle poort. Daar wordt de weg naar het Messiaanse Rijk in de Eindtijd mee bedoeld. De ‘korte termijn vervulling’ speelt hier geen rol meer, omdat Jezus al weet dat het Joodse volk als geheel Hem zal afwijzen.
In tweede instantie wijst de uitdrukking ook op de weg tot het heil van de Gemeente van Christus. Beide?... Jazeker, want toen de Joden Jezus afwezen werd de Gemeente – dus de weg naar het hemelse Koninkrijk – het (tijdelijk) alternatief voor het Messiaanse Rijk. Echter de belemmeringen, zoals onder punt 1 en 2 beschreven, hadden als neveneffect dat ook in onze tijd gesproken moet worden van een brede en een smalle weg én van een brede en smalle poort. Want weinige Joden vonden en vinden die smalle poort.
Mattheüs 7:13-15 De Brede en de Smalle Weg
Weinig teksten hebben zoveel invloed op het geloofsleven van christenen gehad als Mattheüs 6:13-15. Talloos zijn de prenten, posters en schilderijen die deze Bijbeltekst in beeld brengen. De boodschap die al die prenten afgeven blijkt verrassend eensgezind en toont een simplistisch en demotiverend beeld:
→ De brede weg die naar het verderf leidt, begint bij een ruime poort waar de bezoeker hartelijk welkom wordt geheten. De weg daarna is vol vrolijke, goedgeklede mensen die langs allerlei attracties trekken, zoals cafés, dancings, pretparken, bioscopen en casino’s.
→ Hoe anders is de smalle weg die naar het hemelse Jeruzalem leidt. Dat pad begint bij een klein poortje met een streng kijkende portier. Het smalle pad daarna wordt bevolkt door slechts enkele ernstig kijkende en sober geklede mensen, is vol hindernissen en verstoken van elke vorm van vreugde.
Is dit juist? Neen, misleidend. Want die heeft van een christen een zonderling gemaakt die zuchtend door het leven strompelt. Daarmee wordt een ‘vrolijke christen’ per definitie als dwalende gezien; een mens die met een ingebeelde hemel naar de hel gaat; dus onwetend toch op de brede weg naar het verderf loopt.
Dat beeld deugt niet. Natuurlijk kunnen christenen gebukt gaan onder vervolging. Er zijn voorbeelden te over die dat illustreren. Toch,… bij hen (of: juist bij hen) overheerst de vreugde die het geloof biedt. Want nergens is de eenheid in Christus zo sterk als daar waar verdrukking heerst en nergens wenkt het heerlijk panorama van de Zaligheid zo sterk als daar. Dat is een vreugde die het verstand te boven gaat – dat wel.
Het beeld van een ‘vrolijke christen’ wringt een beetje in ons collectieve geheugen. We spreken liever van een blijmoedig christen en dan bedoelen we innerlijke vreugde – vreugde uitstralen heeft zo de geur van lichtzinnigheid verkregen en dat is niet ‘gepast’. Toch, zo is mijn stellige overtuiging, wordt de hoge God geëerd met elk moment van vreugde en plezier.
Vers 13 U dient door de ene nauwe poort binnen te gaan, want breed is de poort en wijd juist de weg
die naar het grote verderf leidt en het zijn er velen die daardoor binnengaan.
Wat is dat, die nauwe poort? Of, beter: Wie is dat? Dat is Jezus Christus, want alleen door Hem te volgen kan het Joodse volk het Messiaanse Rijk beërven; er is geen andere weg. Jezus vormt de poort naar de Messiaanse toekomst; Hij is de weg, de waarheid en het leven, zoals Johannes 14:6 getuigt.
De brede weg daarentegen is de weg van de mens en die kent vele variaties die stuk voor stuk een schijnzekerheid bieden, vandaar die brede poort. Het is de weg van de gemakzuchtige Jood die naar de traditie handelt en/of eigen ik voorop zet. Het is de weg van de zelfzuchtige streber die zich verrijkt ten koste van anderen. Het is de weg van Farizeeërs en Schriftgeleerden die Jezus afwezen en Hem veroordeelden door een eigenzinnige uitleg van de Wet (Thora). Geen wonder dat velen door die brede poort naar binnen gaan.
Vers 14 En omdat juist die poort zo smal is en de ene Weg die naar het ware Leven leidt verengd is geworden, zijn er weinigen die hem vinden.
Jezus zegt dat voorheen die ene Weg veel breder was. Daarmee doelt Hij op het oude Godsrijk onder het Sinaïtische Verbond, want God was hun hoge koning. Die weg lag onder de Wet. Toen dat Verbond brak werd de heilsweg verengd, want in de nieuwe situatie is er geen ondersteunend collectief meer als ‘volk van God’. Elk individu, beladen met zijn eigen zonde, wordt persoonlijk geconfronteerd met zijn Schepper.
Die nieuwe, individuele verantwoordelijkheid vereist geen ‘wandel binnen de Wet’ – die voor een belangrijk deel uit het vervullen van verplichtingen bestond –, maar betreft een nieuwe levenshouding waarin de liefde dominante factor is. In de oude theologie stond de gelovige met de rug naar Golgotha en de blik gevestigd op de Sinaï (de Wet) – men had geen weet van een ‘verlossende Christus’. In de nieuwe situatie staat de gelovige met de rug naar de Sinaï en de blik gevestigd op de Gekruisigde op Golgotha. De wet is geen tuchtmeester meer maar wordt uit liefde vervuld. Zijn ze dan verschillend? Neen het perspectief is veranderd. De ‘Wet der liefde’ is meer dominant geworden. De hoge God deed een stap naar ons toe!
Helaas is die ene Weg heden voor Joden moeilijk begaanbaar geworden, omdat hen een bedekking is opgelegd. Daarom zullen maar weinigen Hem vinden.
Mattheüs 7:15-20 Valse Profeten en Vruchten van het Geloof
Inleiding: Jezus heeft met Mattheüs 5, 6 en 7:1-14 de basis gelegd voor een volk, Gode toegewijd, dat door Hem naar het Messiaanse Rijk geleid moet worden. Die eenheid in Christus vereist een heilige levens- wandel die zeer verschilt van de theologie zoals die door Farizeeërs en Schriftgeleerden werd uitgedragen. Voor hen betekende de leer van Jezus het einde van hun dogmatiek die immers een façade van vrome schijn was en zelfgekozen privileges. We noemen enige onderdelen van die ‘valse leer’:
1. Financiële welstand werd als een zegen van God gezien. Armoede als een straf van God. Dat is welvaartsevangelie, een dwaling die heden nog steeds in het christendom voorkomt .
2. Ziekte en tegenspoed werden beschouwd als straf op eigen zonden of die van vader/moeder of grootvader/grootmoeder (tot in het vierde geslacht).
3. In het vervullen van de Wet dacht men de verlangde graad van heiligheid te bereiken die de hoge God van een Jood eiste. Het was dus een ‘leer van goede werken’ zonder bekering.
4. Liefde en mededogen speelden geen rol meer. Die waren vervangen door punten scoren op een lijst van eigenzinnige wetten. Zo streefde zij een ‘koude wet’ na waarin de liefde geen rol speelt.
Veroordelen we heel de leer die het farizeïsme stamt – vaak omschreven als Judaïsme? Neen, daar zitten veel goede onderdelen in, echter in Jezus’ tijd was die leer verzand in wetticisme van eigenzinnige snit.
Vers 15 Wees dan op uw hoede voor valse profeten die in schaapskleren naar u toe komen. Zijn ze eenmaal binnen dan blijken zij roofzuchtige wolven.
Op basis van de inleiding is vers 15 gemakkelijk te verstaan. De valse profeten zijn aanhangers van de verwrongen wettische traditie zoals hierboven omschreven. Die leer is niet verenigbaar met de leefregels van Jezus Christus omdat ze de liefde mist. Eenmaal binnen dan blijken zij roofzuchtige wolven.
Vers 16 Aan juist de vruchten van hen zult u ze herkennen. Men plukt toch geen druiven van
doornstruiken of vijgen van distels?
Vers 17 Evenzo brengt een goede boom gezonde vruchten voort, maar elke boom die door rot is aangetast, brengt slechte vruchten voort.
Vers 18 Een gezonde vruchtboom kan geen slechte vruchten voortbrengen, evenmin kan een rottende boom gave vruchten voortbrengen.
Vers 16 tot 18 behoeft nu geen verdere uitleg meer; Jezus spreekt heel duidelijk.
Vers 19 Elke boom die geen gezonde vruchten voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur gebracht.
Vers 20 Evenzo kunt u de (valse profeten) aan hun vruchten herkennen.
De perikoop sluit met een conclusie (vers 20, die geen nadere uitleg behoeft) en een thema (vers 19) dat in andere vormen in de evangeliën terugkomt (bijvoorbeeld Johannes 15:2). Wie geen vrucht draagt gaat verloren en wordt in het vuur gebracht (Openbaring 21:8). Is deze uitspraak van Jezus geldig voor alle mensen op aarde? Neen, Jezus spreekt tot Joodse mensen die Hem volgen. Kiezen voor Jezus is niet vrijblijvend. Een gelovige moet vrucht dragen; toevoegen aan de bouw van het Messiaanse Rijk.
In tweede instantie – nadat de Joden Jezus verworpen hadden – is Mattheüs 7:19 en 20 natuurlijk ook op de Gemeente van Christus van toepassing.
Mattheüs 7:21-23 Ingaan in het Koninkrijk
Vers 21 Niet iedereen die Mij aanspreekt met Heer der Heren, zal in het ware Koninkrijk van de hoge Hemel binnengaan, maar alleen wie bezig is om de heilige Raad van Mijn hoge Vader Die in de hemel is, uit te voeren.
Vers 21 vertolkt het toelatingsbeleid van het Messiaanse Rijk. Dat het er niet is gekomen, doet niet ter zake. Dat Rijk had er kúnnen komen als Israël zich bekeerd had. Daarmee is vers 21 zeker niet krachteloos geworden. De voorwaarden blijven geldig tot de Eindtijd wanneer dat Rijk er alsnog komt. Scherp onder- scheidt Jezus ware gelovigen van schijngelovigen. Ware gelovigen zijn bezig om de heilige Raad van Mijn hoge Vader Die in de hemel is, uit te voeren. Duidelijk toch? Dit is zo’n zin waar men meestal gemakkelijk overheen loopt. Toch is die de kern van de nieuwtestamentische Wet – Mattheüs 22:36-40 (NBV21):
36 ‘Meester, wat is het grootste gebod in de wet?’ 37 Hij antwoordde: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. 38 Dat is het grootste en eerste gebod. 39 Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf. 40 Deze twee geboden zijn de grondslag van alles wat er in de Wet en de Profeten staat.’
Dat zijn geen eisen die zeven dagen van de week vullen, zodat je maar beter monnik kunt worden. Een mens heeft immers de zorg voor het dagelijks brood en tal van andere verplichtingen. Het is de innerlijke gezindheid die hier telt, dus wat Paulus de besnijdenis van het hart noemt, want die ‘drive’ kleurt onze daden. Ook bij het verwerven van het dagelijks brood kun je de gezindheid van Christus uitdragen.
Vers 22 Velen zullen op de Dag der Beslissing tot Mij zeggen: Heer der Heren, hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, hebben wij niet in Uw Naam demonen uitgedreven, en hebben wij niet in Uw Naam wonderen verricht?
Vers 23a Maar dan zal Ik hen als volgt toespreken: Ga weg van Mij, gij die de wetteloosheid aanhangt. Ik heb u immers nooit gekend!
Wat is de Dag der Beslissing? Dat is de dag waarop Jezus bepaalt wie het Messiaanse Rijk mogen binnen- gaan (Mattheüs 25:31-36).
gij die de wetteloosheid aanhangt – Met deze uitdrukking duidt Jezus op alle mensen die tijdens het Messiaanse Rijk de Wet wel gehoorzamen – die wordt immers dwingend opgelegd; overtredingen worden gestraft –, maar in hun hart toch ongelovig zijn. De Statenbijbel noemt ze geveinsden. Pas aan het einde van het Messiaanse Rijk komen ze aan het licht, als Satan voor een korte tijd wordt losgelaten.
Velen zullen op de Dag der Beslissing tot Mij zeggen: Heer der Heren, – Aan het einde van de Grote Verdrukking er geen vijand van betekenis meer over die de gelovigen nog kan bedreigen. De gehele wereld onderwerpt zich dan aan God en aan zijn Messias, Jezus Christus. In die situatie is het heel gewoon dat voormalige vijanden koning Jezus zullen aanspreken met: Heer der Heren, want dat is Hij dan geworden!
Vers 22b hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, hebben wij niet in Uw Naam demonen uitgedreven, en hebben wij niet in Uw Naam wonderen verricht?
Je kunt als ongelovige geen demonen uitdrijven of wonderen verrichten. Elke kracht die aan Hem wordt onttrokken wordt gesignaleerd (Marcus 5:25-34). Dit zijn mensen die de wetteloosheid aanhangen (vers 23b). Dat duidt erop dat zij leugens spreken om het Rijk binnen te komen. Jezus zal hen ontmaskeren.
Mattheüs 7:24-27 Het Huis op de Rots
24 Eenieder nu die deze belangrijke uitspraken van Mij hoort én ernaar handelt, zal Ik beschouwen als een wijs man die zijn huis op een vaste rots bouwde.
25 Toen zware regens neerstroomden en de watervloed kwam en hevige winden opstaken die tegen dat huis beukten, kon het niet instorten, want het was gefundeerd op een vaste rots.
26 Maar eenieder die deze belangrijke uitspraken van Mij hoort en ze niet doet, zal als een
dwaze man beschouwd worden die zijn huis op het zand bouwde.
27 Toen zware regens neerstroomden en de stortvloed kwam en hevige wind opstak die tegen dat huis beukte, moest het dus wel instorten en zijn ondergang was volkomen.
Dit is een gelijkenis, dus een verhaal, waarin Jezus kernbegrippen van het evangelie in eenvoudig te begrijpen voorbeelden uitlegt aan gewone, mensen. De rots waar het eerste huis op gebouwd wordt staat voor de zekerheid van het geloof. En dat wordt vertegenwoordigd door Jezus Christus dus wijst de rots ook op Hem. Het huis op het zand ziet er net zo stevig uit als het huis op de rots maar dat is schijnzekerheid. Als dat geloof beproefd wordt stort het in, want het wortelt niet in waar geloof en in Christus.
en zijn ondergang was volkomen. – Dat duidt ‘verloren gaan’. Het is een waarschuwing, ook voor ons. ____________________________________________________________________________________________________________________________________________
Mattheüs 7:28-29 Rabbi met Semikhah
Vers 28-29
28 Het geschiedde nu, toen de Heer Jezus deze belangrijke rede af ging sluiten, dat allen die er waren versteld stonden over Zijn bijzondere leer.
29 Want Hij onderwees hen als gezaghebbend en week af van de Schriftgeleerden.
De Bergrede eindigt met een opmerkelijke boodschap die nog eens benadrukt dat Jezus inderdaad een Rabbi met Semikhah was. Want alleen een rabbi van die status mocht afwijken van de traditionele leer, mits hij dat voldoende onderbouwde en dat deed Jezus.
Uitleiding: Met de Bergrede onderwijst Jezus het Joodse volk een individuele geloofsleer die in feiten de collectieve leer onder het Sinaïtische Verbond opvolgt. Toch is ook die nieuwe geloofsleer uiteindelijk gericht op een collectieve vervulling, namelijk het Messiaanse Rijk. Daarmee verklaart Jezus de periode na de ondergang van Juda (als laatste vertegenwoordiger van het oude Godsrijk) tot een interim-periode. Een aanloop naar Het Beloofde Land fase 2. De eerste poging (onder koning David en Salomo) was namelijk mislukt en die mislukking was te wijten aan het volk Israël zelf – dat had het Sinaïtische Verbond immers verbroken. De tweede poging – de weg die Jezus het Joodse volk voorhield – mislukte ook, omdat slechts een klein deel van het Joodse volk Hem wilde volgen.
Wij weten heden dat er nog een derde poging komt, in de Eindtijd. Echter die kán niet meer mislukken. Waarom niet? Omdat aan het einde van de Grote Verdrukking het ware Israël (= gelovig Israël) wordt afgescheiden van ongelovig Israël (dat de Antichrist zal volgen). Dat ware Israël zal door de Messias, Jezus Christus, Zelf worden geleid en Hij zal ervoor zorgen dat deze derde poging niet mislukken kán. Hij wordt namelijk de hoge Koning van dat Godsrijk en Zijn Wetten zullen nieuwe ontsporingen uitsluiten.
Dit is een uittreksel van de Verklaring van Mattheüs door Gert A. van de Weerd. Daar wordt de grondtekst diepgaand verantwoord.
Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

