Mattheüs 8 Bethel (Exegese)

📄 Download deze Bijbelverklaring (PDF)

De Verklaring – Mattheüs 8:1-4 De Genezing van een Melaatse

Mattheüs 8 en 9 verhaalt flitsen uit het leven van Jezus, waarin Zijn theologie in praktijk wordt gebracht. Vers 1 Nadat Jezus van de berg afgedaald was, waren grote groepen mensen Hem gevolgd.

Vers 2 Plotseling kwam een melaatse naderbij en viel voor Hem neer. Hij zei: Heer, indien U dat wenst, kunt U mij rein maken.

Melaatsen leefden afgescheiden in leprakolonies. Als iemand die verliet moest hij zijn kleding inscheuren, zijn gezicht bedekken, zijn hoofdhaar los laten hangen, afstand houden en luid ‘onrein’ roepen (Leviticus 13:45). Hier komt een melaatse dicht bij Jezus en dat was verboden. Hij valt voor Jezus neer en zegt: Heer), indien U dat wenst, kunt U mij rein maken en zo toont hij een groot geloof in de wondermacht van Jezus.


Vers 3 Nadat Hij Zijn hand had uitgestoken om hem aan te raken, zei Jezus hem: Het is Mijn verlangen dat u gereinigd wordt en terstond werd hij gereinigd van zijn melaatsheid.

Tot ontzetting van de mensen raakt Jezus de melaatse aan. Dat gebaar is tot teken. Hij keurt zijn daad goed! Het antwoord van Jezus is indrukwekkend van eenvoud: Het is Mijn verlangen dat u gereinigd wordt. Met deze opmerking zegt Jezus dat de genezing van Zijn Vader komt; Hij beveelt niet, maar spreekt een wens uit. Terstond geneest de melaatse. Wat hier gebeurt zal de omstanders met stomheid geslagen hebben. Want melaatsheid was niet te genezen. Dat was een doodvonnis dat tergend langzaam voltrokken werd.


Vers 4 Vervolgens zei de Heer Jezus tot hem: Zorg ervoor dat u er met niemand over praat, totdat u zich aan de bevoegde priester getoond hebt en de voorgeschreven gave geofferd hebt die Mozes tot een getuigenis voor de mensen geboden heeft.

Het gonst van opgewonden gesprekken als Jezus hem een verstandige raad geeft. Want het uiterlijk van de man, zijn gescheurde kleding en loshangend haar, tekende hem nog steeds als een melaatse. Hij zendt hem naar de priesters voor een soort keuring die afgesloten werd met een reinigingsoffer (Leviticus 14:1-32). Die konden hem daarna een certificaat van gezondheid geven, zodat hij de maatschappij weer in kon gaan.


Mattheüs 8:5-13 Jezus en de Centurio

Vers 5 Toen de Heer Jezus nadien Kafarnaüm binnentrok, klampte een centurio Jezus aan en sprak indringend tot Hem:

Vers 6 Heer, mijn enige jongen ligt thuis verlamd op bed en lijdt hevige pijn.

Na de genezing van de melaatse gaat Jezus Kafarnaüm binnen, waar Hij woonde. Weer gebeurt er iets opmerkelijks. Een Romeinse officier klampt Hem aan. Jezus was een Rabbi met Semikhah, dus van hoge rang. Contact met een heiden was Hem verboden. Jezus geeft er niet om en hoort de centurio aan. De man was wellicht heel geëmotioneerd, want zijn enige zoon is verlamd en lijdt hevige pijn. De centurio vraagt Jezus niets. Hij deelt slechts zijn grote verdriet met Jezus in de zekerheid dat hij aan het hoogste adres is.


Vers 7 Toen verzekerde de Heer Jezus hem: Als Ik daar aangekomen ben, zal Ik hem genezen.

Vers 8a Daarop reageerde de centurio beschroomd en zei: Heer ik ben niet waardig dat U onder mijn

eigen dak zou komen. Spreek slechts een enkel woord en mijn enige jongen zal gezond worden.

Er volgt nu geen lang gesprek, waarin allerlei details over de zieke gevraagd worden. Jezus ziet het hart van de centurio en dat is gevuld met onwrikbaar geloof. Voor Jezus is dat voldoende.

De centurio weet dat Jezus als Rabbi met Semikhah zijn huis niet mag binnengaan, want zo zou Hij onrein

worden. Daarom zegt de man: Heer ik ben niet waardig.

Met de woorden ‘spreek slechts een enkel woord’ erkent de centurio de Goddelijke afkomst van Jezus. Want een dergelijke macht werd aan afgoden toegeschreven – echter dat waren onbewezen verzinsels. In vers 8 wordt dus een Goddelijke eigenschap aan een mens toegekend – de Zoon van God.


Vers 9 Want ook ik ben een mens die onder bevel staat. Zo heb ik zelf ook weer soldaten onder mij. Als ik tot de één zeg: Ga! dan gaat hij. En als ik tot een ander zeg: Kom! dan komt hij. Als ik tot mijn eigen

slaaf zeg: Doe dit! dan doet hij het.

Vers 10 Toen de Heer Jezus dat hoorde, verwonderde Hij zich. Daarop deed Hij de volgende uitspraak tot degenen die Hem volgden: Voorwaar Ik zeg u: Nergens in heel Israël heb Ik zo’n groot geloof gevonden.

Hier spreekt een man die zijn hart voor Jezus openzet – ongehoord voor een Romeinse officier die de heersende klasse vertegenwoordigde. Evenals de melaatse zegt hij dat slechts een eenvoudig bevel van Jezus zijn kind kan genezen. Dat is een belijdenis van een groot gelovige. De omstanders zullen gehoord hebben wat de centurio zei. Zijn uitspraak prikt natuurlijk wel, want hij was geen Jood maar een heiden. Jezus versterkt dat onbehagen door te zeggen: Voorwaar Ik zeg u: Nergens in heel Israël heb Ik zo’n groot geloof gevonden. Dat tast het ‘uitverkoren zijn’ van het Joodse volk aan en dat kwam hard aan.


Vers 11a Ik verzeker u daarom het volgende: Velen zullen van het oosten en het westen komen

Met velen wordt op gelovige heidenen gedoeld, want het volk Israël wordt samengevat in Abraham, Isaak en Jakob. De uitdrukking het oosten en het westen is een synoniem van ‘de einden van de aarde’, dus de gehele wereld. Duidt dat per definitie op de Gemeente, zoals velen verklaren? Neen, nu nog niet. Op dit moment in de tijd geldt nog steeds het aanbod van het Koninkrijk op aarde; het Messiaanse Rijk. In die theologie diende een niet-Jood – een heiden – over te gaan tot het Jodendom. Pas toen de Joden Jezus Christus verwierpen, ontstond een tweede vervulling. Verschil is dat in de eerste vervulling Israël of de Joden ‘het voertuig van het heil’ waren (= Gods openbaringskanaal). Met het verwerpen van Jezus Christus verloor het Joodse volk die status en die ging met het uitstorten van de Heilige Geest over naar de Gemeente van Christus. Het Joodse volk werd zo tijdelijk terzijde gesteld.

Vers 11b en zij zullen met Abraham, Isaak en Jakob zitting nemen in het Koninkrijk van de Hemelen

Jezus zegt: zullen zitting nemen – dat is de toekomst. In dat kader vormen de gelovige nakomelingen van Abraham, Isaak en Jakob het ware Israël. Aan dat volk werden bekeerde heidenen toegevoegd. Daarmee zou de heilstijd aanbreken en dat kantelmoment noemen we een Gestelde Tijd. Die zou aanbreken mits het Joodse volk tot bekering kwam. Dat het niet gebeurde doet niets af van de belofte – het had kunnen gebeuren! Maar als Jezus vers 11 uitspreekt, is er waarschijnlijk al twijfel bij Hem ontstaan of die nationale bekering wel zal plaatsvinden. In de komende hoofdstukken wordt die ‘twijfel’ zekerheid.

Orthodoxe theologen zien in ‘zij’ de Gemeente van Christus. In die theologie vormen gelovigen in het Oude Testament de ‘oudtestamentische kerk’ en ‘zij’ de voortzetting ervan; de nieuwtestamentische kerk. Dat is niet te verdedigen, want voor Jezus’ toehoorders waren Abraham, Isaak en Jakob de stamvaders van het volk Israël. Iedere andere uitleg had een nadere verklaring van Jezus noodzakelijk gemaakt. Die blijft uit, dus bevestigt Jezus daarmee dat Hij de Joden op het oog heeft, niet de kerk.

Is daarmee de verklaring van vers 10 en 11 volledig? Neen. Want Mattheüs 8:11b heeft in een later stadium nog een tweede betekenis gekregen. Want toen het Joodse volk Jezus Christus verwierp koos de hoge God zich een nieuw volk. Dat is de Gemeente van Christus (Mattheüs 21:43). Zo wordt op een andere manier vers 11 een tweede maal vervuld.

De Finale Vervulling – Het is de bestemming van de gelovige om in de Zaligheid het onvergankelijke te beërven (1 Korintiërs 15:53-57). Daarin verschilt Israël niet van de Gemeente van Christus. Die toestand wordt voor Israël pas bereikt in de Zaligheid na het Duizendjarig Rijk, als door de hoge God de Nieuwe Hemel en de Nieuwe Aarde geschapen worden. Dan zal het hemelse Jeruzalem samen met de Gemeente van Christus (die de Zaligheid bij de Opname verwerft) op aarde nederdalen en met de aardse gelovigen worden verenigd (Openbaring 21:10). Dan worden allen die tot Zaligheid zijn uitverkoren verenigd.


Vers 12a Maar uit de afstammelingen van het uitverkoren Koninkrijk zullen er buitengesloten worden, de duisternis in die daarbuiten heerst.

Hier wordt niet gesproken over de hel of de buitenste duisternis, zoals velen verklaren. Jezus spreekt tot de Joden in Zijn tijd. De duisternis was toen een bekende metafoor die een ‘buitengesloten zijn’ uitdrukte en dan bedoelde men buiten het land Kanaän, waar het licht van Wet van God niet schijnt. Op zich was dat in Jezus’ tijd een achterhaald begrip, want het Sinaïtische Verbond bestond niet meer. Toch, in de stellige verwachting dat het Messiaanse Rijk op handen was, hield men aan die denkwijze vast. Dat buitengesloten worden (van het Koninkrijk) duidt op een splitsing. Ezechiël 20:37-38 (NBV21) getuigt daarover:

37 Ik zal je onder mijn herdersstaf dwingen en je houden aan de verplichtingen van ons verbond 1).

38 Wie tegen Mij in opstand komen en rebelleren, zal Ik scheiden van de anderen: Ik zal hen wegleiden uit het land waar ze als vreemdeling verblijven, maar het land van Israël zullen ze niet binnengaan. Dan zullen jullie beseffen dat Ik de HEER ben.

1) Dat is het Nieuwe Verbond dat de hoge God aan in het Messiaanse Rijk zal opleggen. Het oude Sinaïtische

Verbond diende het volk Israël zelf te bewaken. Het Nieuwe Verbond zal de hoge God bewaken.

En Zacharia 13:8-9 (NBV21):

8 In heel het land – spreekt de HEER – zal twee derde worden uitgeroeid en omkomen; slechts een derde

9 deel zal worden gespaard. Dat deel zal Ik louteren in het vuur: Ik zal hen smelten als zilver en zuiveren als goud. Zij zullen mijn naam aanroepen en Ik zal antwoorden. Ik zal zeggen: ‘Dit is mijn volk,’ en zij zullen zeggen: ‘De HEER is onze God.’

Waarom dit wrede oordeel? Omdat het ⅔ deel Satan als god gekozen zal hebben en daarmee de doodstraf.

Vers 12b Daar zal alom het gejammer en tandengeknars weerklinken.

Dit wordt gewoonlijk verklaard als een beeld van de hel, na het Grote Oordeel en dan ziet men de hel als een oord van eeuwigdurende kwelling van hen die verloren gaan. Maar dat zegt de Bijbel nergens. Die spreekt van een oordeel voor de Grote Witte troon (Openbaring 20:11) en een eenmalige straf. In mijn verklaring van Openbaring ga ik daar diep op in. Openbaring 20:14-15 (NBV21) getuigt erover:

14 Toen werden de dood en het dodenrijk in de vuurpoel gegooid. Dit is de tweede dood: de vuurpoel.

15 Wie niet in het boek van het leven bleek te staan werd in de vuurpoel gegooid.

De tweede dood is de dood van de ziel. Een andere ‘tweede dood’ kent de Bijbel niet.


Vers 13 Daarna sprak de Heer Jezus tot deze centurio: Ga heen, het zal precies zo gebeuren zoals u

geloofd hebt. En op hetzelfde moment genas zijn enige jongen.

Eenvoud is kenmerk van het optreden en spreken van Jezus Christus. Hij gebruikt geen wollige of cryptische taal of moeilijke theologische b egrippen om zo Zijn argumenten kracht bij te zetten. Zijn kracht ligt in Hemzelf – de grootheid van de Messias, de grootheid van de Zoon van God.


Mattheüs 8:14-15 Genezing van de Schoonmoeder van Petrus

Vers 14 Toen de Heer Jezus het ouderlijk huis van Petrus was binnengegaan, merkte Hij op dat diens schoonmoeder door hoge koorts geveld was.

Vers 15 Hij heeft haar toen de handen opgelegd en de hoge koorts verliet haar. Vervolgens hielp men haar opstaan en zij diende hen.

De schoonmoeder van Petrus woonde in hetzelfde huis als Petrus. Dat was heel normaal in die tijd, want ouders op leeftijd werden gewoonlijk in het gezin en/of het huis van een van de kinderen opgenomen.

Er wordt van hoge koorts gesproken. Dat was toen levensbedreigend. Jezus loopt naar het bed van de vrouw en legt haar de handen op – ze geneest direct. Weer die verbluffende eenvoud – geen opsmuk, geen grote woorden. Het is alsof Jezus duidelijk wil maken dat alleen de hoge God alle eer toekomt.

Het wonder van de genezing vestigt de aandacht van de aanwezigen op de schoonmoeder van Petrus. Ze staan natuurlijk om haar heen en allen willen haar wel helpen op te staan. Maar ze is niet alleen genezen, maar heeft ook haar kracht teruggekregen. De perikoop sluit met: en zij diende hen (niet Hem, zoals in sommige vertalingen staat). Ze gaat aan het werk alsof ze nooit ernstig ziek is geweest.


De Verklaring – Mattheüs 8:16-17 Velen Werden Genezen

Vers 16 Ondanks dat de avond reeds aangebroken was, werden er velen bij Hem aangeboden die ernstige geestelijke of lichamelijke kwalen hadden. Hij verdreef de besmetting met een enkel Woord en genas eenieder die ziek was.

In dit stadium trekt Jezus veel publiek. Daaronder velen met ernstige geestelijke of lichamelijke kwalen. Als Jezus het huis van Petrus verlaat geeft Hij gehoor aan hun roep om genezing en geneest allen. Daaruit blijkt dat Jezus nog steeds het Joodse volk op het oog heeft. Als de breuk een feit is, stoppen de genezingen.


Vers 17 Opdat vervuld zou worden wat door de hoge profeet Jesaja gesproken is, zeggende: Hij is het Die al onze zwakheden op Zich genomen heeft en onze ziekten gedragen.

Mattheüs geeft hier een letterlijke vertaling van de Hebreeuwse grondtekst van Jesaja 53:4 (profetie over de lijdende knecht van de HEER). Dat was ongewoon want men gebruikte een Griekse vertaling, bijvoorbeeld de Septuaginta. Die vertaalt (nogal onnauwkeurig): Hij draagt onze zonden en lijdt om ons, zoals in 1 Petrus 2:24 bevestigd wordt. In feite corrigeert Mattheüs de Griekse vertaling en maakt hij zo duidelijk dat Jezus in alles mens was uitgenomen de zonde. Hij beschrijft namelijk een vergankelijk mens:

17A Zwakheden – de gebreken van de mens: Geboorte, verval en dood. Jezus nam die vrijwillig op Zich.

17B Ziekten – dat zijn kwalen in de breedste zin van het woord. Ook Jezus heeft kinderziekten gehad, griep en wellicht nog andere ziekten, zoals ieder ander mens. Ook Hij kon lijden en zelfs sterven.

Van Godheid tot Sterfelijk Mens

Vers 17 staat in het kader van de degradatie van Goddelijk wezen naar een mens, wat in feite een enorme

vernedering was voor een hemels wezen met grote macht zoals Jezus was – voorheen de Engel van de Heer

(of: Engel van Jahweh). Die status is hoog boven de mens verheven is. Toch zegt 1 Petrus 2:24 (NBV21):

Hij heeft onze zonden gedragen met zijn lichaam aan het kruishout, opdat wij, dood voor de zonde, rechtvaardig zouden leven. Door zijn striemen bent u genezen.

Dat is wat anders dan datgene wat we onder vers 17A en 17B uitleggen. Is dan sprake van een dubbele betekenis? Ja, echter wel in het kader van de vergankelijkheid van ons lichaam. Want wat we onder 17A en 17B beschrijven zijn de gevolgen van de zondeval. Die moeten opgeheven worden voordat we de Zaligheid kunnen betreden. Daarom nam Jezus die op Zich en zo wordt de uitspraak van Petrus toch bewaarheid – als een gelovige één wordt met het Lichaam van Jezus Christus (als voorsmaak) en als ultieme beloning een rein geestelijk lichaam ontvangt in de Zaligheid.


Excurs 1: Vergankelijk en Onvergankelijk Lichaam

A. Zonde Is een Besmetting! Wij hebben veel aan de apostel Paulus te danken. Hij legt belangrijke geloofsbegrippen goed uit. Bijvoorbeeld het wezen van de zonde. Dat is geen opeenstapeling van verkeerde daden, maar een toestand. Wij zijn zondige mensen, want we hebben een vergankelijk lichaam. Het bederf zit dus in onszelf. Dat is een soort besmetting die we bij de geboorte meekrijgen (Romeinen 5:12) – en dat betreft lichaam én geest. In orthodoxe kringen noemt men dat de erfzonde. Helaas heeft dat een zo zware lading gekregen dat het de geur van een onontkoombaar lot draagt, dat we nauwelijks kunnen bestrijden, tenzij de hoge God ons ‘grijpt’ door een krachtdadige bekering. Paulus ontzenuwt dat en legt ons uit dat die erfzonde in Christus verdwijnt – dus door de hoge God ons niet meer toegerekend wordt.

B. Wat Is Dat; Erfzonde of Zondesmet? Dat is een algemene gesteldheid van de mens die Paulus omschrijft met het vergankelijke en dat begrip moeten we uitleggen. In ons lichaam strijdt goed met kwaad. Niet alleen in daden, maar ook qua gezondheid. Want zo rond ons 18e levensjaar begint ons lichaam af te takelen en uiteindelijk sterven wij. Paulus beschrijft die toestand helder in Romeinen 7:14-25 (NBV21):

14 Wij weten immers dat de wet het werk van de Geest is 1), maar door mijn aardse natuur ben ik overgeleverd aan de zonde.

15 Ik begrijp zelf niet wat ik doe, want ik doe niet wat ik wil, ik doe juist wat ik haat 2).

16 Maar wanneer mijn daden in strijd zijn met mijn wil, erken ik dat de wet goed is.

17 Dan ben ik het niet meer die handelt, maar de zonde die in mij woont.

18 Immers, ik besef dat in mij, in mijn aardse natuur, het goede niet aanwezig is. Ik wíl het goede wel, maar het goede doen kan ik niet 2), – zo ervaar ik het 3).

19 Want ik doe niet wat ik wil, het goede, maar juist wat ik niet wil, het kwade, dat doe ik 2).

20 Maar wanneer mijn daden in strijd zijn met mijn wil, ben ik daar niet meer zelf de oorzaak van, maar de zonde die in mij woont.

21 Ik ontdek in mezelf dus de wetmatigheid dat het kwade zich aan mij opdringt, ook al wil ik het goede doen 4).

22 Innerlijk stem ik vol vreugde in met de wet van God 5),

23 maar in alles wat ik doe zie ik die andere wet. Hij voert strijd tegen de wet waarmee ik met mijn verstand instem en maakt van mij, in heel mijn doen en laten, een gevangene van de wet van de zonde.

24 Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood?

25 God zij gedankt, die ons redt door Jezus Christus, onze Heer 6).

1) Het ‘kennen van de hoge God’ doet ons de Wet ontdekken door Christus Jezus. En die Wet overtuigt ons van zonde, want zonder Wet is er geen zonde. De Wet toont die dus, want de Wet is volmaakt en wij helaas niet.

2) Paulus legt op eenvoudige maar briljante wijze uit, dat in een gelovig mens goed en kwaad met elkaar strijden.

3) Zie volgende rubriek – punt C.

4) Die tweestrijd is het gevolg van de zondesmet (anderen noemen dat: de erfzonde).

5) Dat is het werk van de Heilige Geest die in een ware christen woont.

6) Paulus legt dit verder uit in 1 Korintiërs 15:50-57.

C. Belangrijke Tekstverbetering van Romeinen 7:18 – In de meeste vertalingen ontbreekt ‘zo ervaar ik het’. Die volgen de Nestle-Aland Editie. In de Textus Receptus (de basis voor onze grondtekst en de betere keuze) staat daar het woord heuriskō en dat betekent: ik vind in de betekenis ik ontdek 2); dus: zo ervaar ik het. Volgen we de Aland-vertaling dan zegt de apostel Paulus dat een mens niet tot enig goed in staat is. Dat is strijdig met veel teksten in de Bijbel die oproepen tot goeddoen en goede daden ook prijzen. Gaan we uit van de Textus Receptus (de grondtekst die we in mijn boek consequent volgen) dan staat er dat Paulus moe wordt van zijn persoonlijke strijd om rechtvaardig voor de hoge God te zijn – dat is puur Bijbels. Paulus schiet volgens zijn eigen oordeel namelijk vaak tekort en ervaart dat in toenemende mate als een grote geestelijke last. Welnu dat ‘tekortschieten’ beseft elke christen maar al te vaak. De oplossing is Romeinen 7:25 God zij gedankt, die ons redt door Jezus Christus, onze Heer.

In 1 Korintiërs 15:50-57 (NBV21) legt Paulus ons dat verder uit.

50 Wat ik bedoel, broeders en zusters, is dit: wat uit vlees en bloed bestaat kan geen deel hebben aan het koninkrijk van God 4); het vergankelijke krijgt geen deel aan de onvergankelijkheid 5).

51 Ik zal u een goddelijk geheim onthullen: wij zullen niet allemaal eerst sterven – toch zullen wij allemaal veranderd worden,

52 in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, wanneer de bazuin het einde inluidt. Wanneer de bazuin weerklinkt, zullen de doden worden opgewekt met een onvergankelijk lichaam en zullen ook wij veranderen.

53 Want het vergankelijke lichaam moet worden bekleed met het onvergankelijke, het sterfelijke lichaam met het onsterfelijke.

54 En wanneer dit vergankelijke lichaam is bekleed met het onvergankelijke, dit sterfelijke met het onsterfelijke, zal wat geschreven staat in vervulling gaan: ‘De dood is verslonden en overwonnen.

55 Dood, waar is je overwinning? Dood, waar is je angel?’

56 De angel van de dood is de zonde, en de zonde ontleent haar macht aan de wet.

57 Maar laten we God danken, die ons de overwinning geeft door onze Heer Jezus Christus.

Noten en Verwijzingen:

2) Zo betekent het van heuriskō afgeleide epheuretēs: ontdekker, uitvinder. Aneuriskō: (iemand) vinden of terugvinden. Thayers Woordenboek beschrijft heuriskō heel precies als: vinden door ondervinding en te ontdekken of herkennen. Dat betreft dus een ervaring of zo ervaar ik het.

4) Dat is een hemels koninkrijk, want het betreft gezaligde gelovigen: de Gemeente van Christus.

5) De hoge God is onvergankelijk, wij vergankelijk. Die twee hoedanigheden verdragen elkaar niet en daarom kunnen we de hoge God niet in een sterfelijk lichaam ontmoeten.

D. Kunnen We de Zondesmet Overwinnen? Neen, slechts zo goed mogelijk bestrijden. En wie strijdt die slijt, zoals Paulus uitlegt. Daarom worden veel christenen, evenals Paulus, het aardse leven uiteindelijk moe. Dan overstijgt het verlangen naar de Zaligheid soms zelfs de meest hechte familie- en liefdebanden.


Mattheüs 8:18-22 Het Volgen van Jezus

Vers 18 Toen de Heer Jezus op een gegeven moment al die drommen mensen rondom Hem overzag, gaf Hij opdracht om af te varen naar de overkant van het Meer.

Vers 19 Maar één van de Schriftgeleerden klampte Hem aan en zei: Leermeester, ik zal U volgen waar U ook heengaat.

Jezus heeft een zware dag achter de rug (Mattheüs 5-7) en wil aan de menigte ontsnappen. Hij laat een boot klaarmaken om naar de overkant van het Meer van Galilea te varen, waar de mensen Hem niet kunnen volgen. Aan boord kan Hij dan enkele uren slapen (Mattheüs 8:24). Als Jezus aan boord wil gaan, klampt één van de Schriftgeleerden Hem aan. Dat was een professionele Thorageleerde die herkenbaar was aan zijn kleding. Er waren meer Schriftgeleerden aanwezig (één van). Logisch want Jezus was een Rabbi met Semikhah (vandaar dat Hij door de Schriftgeleerde leermeester wordt genoemd). Die spreekt hem aan met: Leermeester, ik zal U volgen waar U ook heengaat. Zo erkent hij Jezus publiekelijk als zijn meerdere.

Voordat we nu verder gaan, dienen we eerste het begrip Zoon des Mensen uit te diepen, want dat is een kernbegrip in het antwoord dat Jezus in vers 20 aan de Schriftgeleerde geeft.


Excurs 2: Zoon des Mensen

De Griekse uitdrukking huios tou anthōpou (Zoon van de Mens) komt vele malen in het Nieuwe Testament voor. Het is een hebraïsme van ben-’ādām dat 93 maal in Ezechiël voorkomt. Daarbuiten vinden we het alleen in Daniël 8:17, terwijl in Daniël 7:13-14 de Aramese versie staat: bar‘ĕnāš. Nieuwere vertalingen spreken van mensenzoon en de NBG en HSV vertalen: Zoon des mensen. Het Hebreeuwse Ben kan een familierelatie uitdrukken, maar ook vertegenwoordiger van betekenen. We geven enige voorbeelden: Benhadad: Zoon van Hadad (1 Koningen 15:18) / Benjamin: Zoon van de rechterhand. Barnabas: Zoon der vertroosting (Handelingen 4:36) / Bar Jezus, Zoon van Jezus (Handelingen 13:6). In het Nederlands vinden we soortgelijke uitdrukkingen, zoals: zoon van Abraham (= een Joodse man). Het woord ’ādām betekent: Adam, mens of rode grond (= de aarde). Je kunt ben-’ādām dus vertalen met: zoon uit de aarde (= uit de aarde gevormd – dus de eerste mens) of: zoon van Adam of: Zoon van de mens/mensheid.

Religieuze Betekenis: Op basis van Ezechiël 34:31: gij (Israël) zijt Adam (NBV21 vertaalt: jullie zijn mensen = absoluut fout!), wordt door Joodse rabbi’s de conclusie getrokken dat het volk Israël als geheel Adam is. Dat wil zeggen: Door God uitverkoren uit de volken van de aarde om Hem te vertegenwoordigen en daar stemmen we mee in. Dat is een heilige doelstelling die Israël helaas nooit gehaald heeft.

Wil dat zeggen dat de hoge God het opgeeft? Neen, alle profetieën worden vervuld. Rabbi Moshe Eisemann zegt daarom terecht: In Ezechiëls tijd was Jeruzalem verdoemd, maar Israël zou Gods uitverkoren volk blijven en zijn Shekhinah zal toch in glorie terugkeren, groter dan Israël ooit heeft gekend.

Israël had dus Adam moeten zijn – Gods vertegenwoordiger op aarde –, maar dat bleef beperkt tot de weinige getrouwen uit Gods volk. In het Messiaanse Rijk zal dit ideaal alsnog tot vervulling komen.

Nu Israël zelf geen Adam meer is (toen vertegenwoordigd door koning, profeten en hogepriester), heeft het leiding nodig om het Messiaanse Rijk alsnog te verwerven. Die bediening omschrijft de Bijbel als: ben-’ādām (mensenzoon – Oude Testament) of huios tou anthōpou (Grieks: dezelfde betekenis – Nieuwe Testament). Daarvoor werd de profeet Ezechiël aangewezen – geen volk, maar een persoon. Hij werd Gods vertegenwoordiger ‘nieuwe stijl’, zoals we lezen in Ezechiël 2:1-10 = Mensenzoon 1. Helaas mislukte zijn missie, dus was er een 2e Mensenzoon nodig van een hogere orde: Jezus Christus. Mensenzoon of Zoon des Mensen wordt in voorgaande betekenis op meerdere plaatsen in de evangeliën (81x) en in Handelingen 7:56 gevonden. Want Jezus noemt Zichzelf dé Mensenzoon en presenteert Zich aldus als de beloofde Messias én als Zoon van God. Mensenzoon is dus een eretitel met een Messiaanse lading (Mattheüs 26:64). ___________________________________________________________________________________________________________________________________________

Vers 20 De Heer Jezus reageerde en zei hem ter overdenking: De vossen hebben holen en de vogels in de lucht nesten, maar Hij Die de Zoon des Mensen is, heeft nergens een plaats om Zijn hoofd neer te leggen.

Het antwoord van Jezus aan de Schriftgeleerde is erg teleurstellend. Hier spreekt een lijdende knecht van de HEER, waar Jesaja 53:3-4 (NBV21) van zegt:

3 Hij werd veracht, door mensen gemeden, hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was, een man die zijn gelaat voor ons verborg en door ons werd verguisd en geminacht.

4 Maar hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam. Wij echter zagen hem als een verstoteling, door God geslagen en vernederd.

Jezus spreekt tot ontsteltenis van de omstanders en de Schriftgeleerde als een dakloze – een verschoppeling –, maar ook als een door de hoge God gezonden ‘super-Ezechiël’: dé Zoon des Mensen. Hoe kan dat?

We lopen hier tegen de kernboodschap van Jezus aan: Kom tot inkeer, want het hoge Hemelse Koninkrijk is nabij gekomen (Mattheüs 4:17). Het volk moet zich nationaal, in nederigheid en schuldbesef, tot God keren, zoals Zacharia 12:10-14 voorzegt. Daar wil Jezus leiding aan geven voordat Hij Zijn Koningschap kan claimen. Dat is de Weg der Smarten die aan het Koninkrijk voorafgaat. Daarom wordt Hij Zoon des Mensen genoemd – een super-Ezechiël die Israël via de Messiaanse Weg naar het Heil zal voeren. Maar die weg in nederigheid kende men toen niet; die weg wilde men niet! In het denken van toen was de Messias een verzetsstrijder; een groot generaal die met Gods hulp de Romeinen zou verdrijven en het Koninkrijk van David zou uitroepen: het Messiaanse Rijk. In dat denken klonk het ‘fanfaregeschal’ van de komende overwinning. Geen: HEER wij belijden onze schuld. Jezus treedt hier op in de bediening van Ezechiël en die ontving de volgende opdracht: Ga naar de ballingen, naar je volksgenoten, om te profeteren en zeg tegen hen: “Dit zegt God, de HEER ...” – of ze nu horen willen of niet.’ (Ezechiël 3:11 NBV21)

Van een Hogere Orde – Ezechiël predikte bekering tot de hoge God – Jezus ook: Kom tot inkeer, want het hoge Hemelse Koninkrijk is nabijgekomen. Zijn bediening is echter van een hogere orde dan die van Ezechiël, want alleen in Hem kan het Koninkrijk werkelijkheid worden.


Vers 21 Een ander, één van Zijn eigen discipelen, had tot Hem gezegd: Heer, sta mij toe eerst weg te gaan om mijn eigen vader te begraven.

Vers 22 In weerwil daarvan heeft Jezus tot hem gezegd: Volg Mij! Laat dan degenen die dood zijn hun eigen doden begraven.

Deze verzen worden slecht begrepen. Velen zeggen: Jezus staat de discipel niet toe zijn vader te begraven. Dat is een schokkende uitspraak en strijdig met andere teksten, zoals 1 Koningen 19:20-21. Die verklaring is dan ook hoogst onwaarschijnlijk en wel om de volgende redenen: 1. Als er iemand stierf werd die nog dezelfde dag begraven. Hier gaat het om een vader die (zo verklaart men) net gestorven is. Dan is het niet geloofwaardig dat de zoon niet aan zijn sterfbed aanwezig was. Dat hij direct na het overlijden vertrok om Jezus te volgen is nog onwaarschijnlijker. 2. Volgens Mattheüs 8:16 was de avond reeds gevallen. Een gestorvene diende nog dezelfde dag begraven te worden, voordat het donker was (of binnen acht uur). Dus is iemand die op deze dag gestorven was al begraven op dit tijdstip. 3. De plicht een vader te begraven ging boven andere religieuze plichten. Dat Jezus dit gebod zou negeren is uitgesloten.

Als we de woorden om mijn eigen vader te begraven letterlijk nemen én met westerse ogen bezien, dan is dit strijdig met het gebod: Eert uw vader en uw moeder. Daarom was het begraven een heilige plicht. Het is ondenkbaar dat Jezus Christus daar op inbreekt. Er speelt een andere betekenis. Vader begraven was toen een standaarduitdrukking die de verplichting verwoordde om een oude vader en/of moeder te verzorgen in de laatste fase van hun leven, zonder dat er sprake was van een directe stervensdreiging. In de Arabische cultuur is dat tot op de huidige dag nog steeds een plicht. Jezus ontzegt deze discipel niet om zijn vader te begraven, maar om vader te verzorgen in de laatste levensfase. Het Volg Mij! overstemt die plicht.

Laat dan degenen die dood zijn hun eigen doden begraven. Met deze ongewone woordspeling zegt Jezus: Laat hen die geestelijk dood zijn hun eigen doden begraven. Dat duidt op familieleden, broers en zusters, die Jezus niet willen volgen en het licht van het evangelie nog niet zien. Zij dienen ‘vader’ te verzorgen.


De Verklaring – Mattheüs 8:23-27 Aardbeving in het Meer van Galilea

Vers 23 Nadat Hij aan boord van hun vissersboot gegaan was, volgden Zijn discipelen Hem.

Vers 24 Plotseling ontstond een grote beving in het Meer van Galilea, zodat hun vissersboot door de

golven daarvan bedolven werd, echter Jezus was diep in slaap.

Het is donker (Mattheüs 8:16) als Jezus met Zijn discipelen aan boord gaat van een vissersboot. De boot is nauwelijks het meer opgevaren of er ontstaat een grote aardbeving (of zeebeving). Dat is een spectaculair gebeuren die grote golven of een verwoestende vloedgolf tot gevolg kan hebben, zoals hier, want de boot wordt door de golven bedolven. Jezus ligt ergens onder het dek in een hut en slaapt gewoon door.


Vers 25 Toen Zijn discipelen naar Hem toe gegaan waren, wekten zij Hem door te roepen: Heer, redt ons, wij vergaan!

Vers 26 Hij reageerde en zei: Waarom zijn jullie zo bang, kleingelovigen? Nadat Hij opgestaan was bestrafte Hij de winden en het Meer. Toen ontstond een opvallende stilte.

Vers 27 De mensen nu waren diep onder de indruk en zeiden: Waar komt Hij vandaan dat zelfs de winden en het Meer Hem gehoorzamen?

Het is natuurlijk schokkend als je een rustig meer opvaart en er plotseling hoge golven ontstaan terwijl het niet stormt. De discipelen raken in paniek en wekken Jezus uit Zijn slaap. Terecht zo blijkt, want nadat Hij opgestaan was bestrafte Hij de winden en de zee. Toen ontstond een opvallende stilte. Weer die eenvoud,

alsof het allemaal niets voorstelt. Zo groot is de macht die Jezus hier demonstreert. Bij een aardbeving hoor je een zwaar gedreun. In dit geval – een zeebeving – wellicht niet, maar er ontstonden hoge golven en die zullen de wind aangewakkerd hebben. – De golven bedaren, de wind gaat liggen en het wordt doodstil.

Waar komt Hij vandaan? Niet ‘wie is Hij?’ zoals men vaak vertaalt. Op de wal vragen mensen zich dit af. De vraag stellen is hem beantwoorden luidt het gezegde. Dat is hier ook zo, want met deze vraag wordt Jezus als een van ‘God gezondene’ gezien zoals eens Elia, de grote profeet en als wonderdoener. Het waar? is een uiting van ontzag en duidt er indirect op dat deze mensen een Goddelijke oorsprong vermoeden.


De Verklaring – Mattheüs 8:28-34 Genezing van Twee Bezetenen

De ontmoeting met de twee bezeten mannen is uitzonderlijk. Zo werpen we een blik in een onzichtbare wereld – de geesteswereld. Daar verblijven goede en kwade machten. De kwade noemen we demonen en die kunnen bezitnemen van mensen. Niet als een overval, daartegen is de mens beschermd. Wel als een mens zelf de deur naar Satan (hun gebieder) openzet. Wij zijn nu nauwelijks in staat om krankzinnigheid te scheiden van bezetenheid en dat was in de tijd van Jezus ook zo. In geval een krankzinnige gewelddadig werd, beschouwde men die als ‘bezeten door demonen’ en die mensen werden evenals melaatsen verstoten.

Vormen van Bezetenheid: Er bestaan er diverse vormen van bezetenheid. We bespreken er drie.

1. Overgeleverd aan Satan – Dat gebeurt als iemand zich bewust verbindt met Satan of satanisme bedrijft. In geval deze persoon een belangrijke positie inneemt kan Satan hem een zekere macht geven. Voorbeelden zijn: Hitler, Stalin en Napoleon die zich ‘gestuurd voelden’ door een hogere macht, zoals vooral Hitler en Napoleon getuigden. Napoleon zei bijvoorbeeld na zijn nederlaag: Mijn genius heeft mij verlaten.

2. Demonische of Occulte Belasting – Dat is een toestand waarin het pure kwaad een mens beïnvloed, maar het is geen ‘bezetenheid’. Een voorbeeld vinden we in Lukas 13:11-13. Occulte belasting ontstaat als de persoon in contact komt met de geesteswereld, bijvoorbeeld via een waarzegger of via een medium. Het is dus een vorm van besmetting die wanorde in het eigen lichaam en in de relatiesfeer tot gevolg heeft. De gevolgen zijn vaak tweespalt in de familie die generaties lang kan aanhouden en onverklaarbare ziekten.

3. Bezeten Door een Demon of Demonen – Soms nemen demonen bezit van mensen. Als dat er één is, heeft deze een zekere doelstelling. Zijn het er meerdere (als in Mattheüs 12:45) dan is geen sprake meer van iets intelligents, maar slechts van redeloosheid, woestheid en zelfdestructie. Exorcisme (duiveluitdrijving) is

een beroep dat vroeger algemeen voorkwam en door geestelijken werd uitgeoefend. Echter dat ontspoorde

vaak. Onder protestanten heet het: bevrijdingspastoraat. Heden doen we er lacherig over; onterecht. Want niet alle krankzinnigheid is een ziekte. Helaas heeft het christendom de kennis daarover verloren.

Vers 28a Toen Hij aan de overkant van het Meer was aangekomen, in het land van de Gergesenen,

kwamen twee door demonen bezetenen uit de tombes van de begraafplaats,

Jezus en Zijn discipelen varen naar de over zijde van het meer, naar Gerasa. Dat lag aan zuidoostkust van het Meer van Galilea, wat verderop het grotere Gadara. Dat gebied werd voornamelijk door niet-Joden bewoond – heidenen. Dat wordt bevestigd door de kudde varkens – Joden houden geen varkens, omdat het onreine dieren zijn. Daar aangekomen zal Jezus met Zijn discipelen omhoog, landinwaarts gelopen zijn. In de buurt van een begraafplaats komen plotseling twee bezetenen hun tegemoet.

Vers 28b die zich zo agressief gedroegen dat niemand over de weg daarlangs durfde te gaan.

De twee bezetenen hebben een kwalijke reputatie van gewelddadigheid. Zo erg zelfs dat de weg naar de begraafplaats gemeden werd. Kennelijk werd de begraafplaats daarom niet meer gebruikt. Door demonen bezeten mensen werden over het algemeen met rust gelaten onder de heidenvolken, omdat men hen ‘door de goden aangeraakt’ vond. Dat verklaart waarom ze niet verdreven werden of gedood.


Vers 29 Plotseling schreeuwden zij het volgende: Wat is er tussen ons en U, Jezus, Zoon van de hoge God?

Bent U hier voortijdig gekomen om ons te kwellen?

Dit is een bijzonder vers dat een vergaande betekenis heeft. De demonen die de twee mannen beheersen en door hen kunnen spreken, herkennen Jezus. Demonen zijn ‘geestwezens’ die in mensen kunnen varen. En geestwezens ‘zien’ de geest van andere wezens dus ook van mensen. Zagen zij zo de hoge staat van Jezus Christus? Proefden zij zo Zijn Goddelijke macht? Waarschijnlijk is dat het geval en die maakt hen angstig.

Indirect zeggen de demonen dat zij beseffen dat de grote dag van het oordeel er eens komt, waarop zij door de hoge God veroordeeld zullen worden tot de poel van vuur en zwavel, zoals Openbaring 20:10 getuigt. Echter zij menen dat die oordeelsdag nog niet is aangebroken en dat is natuurlijk juist. Dus veronderstellen zij dat Jezus voortijdig is aangekomen om hen te kwellen. Kortom de demonen zeggen: Het is onze tijd nog niet! En Jezus bevestigt dat door Zijn daden (vers 30-32).


Vers 30 Nu werd een eind verderop een grote kudde varkens gehoed.

Vers 31 De demonen nu smeekten Hem met de woorden: Als U ons uitdrijft stuur ons dan in die varkens van de kudde.

Vers 32 Daarop beval Hij hun: Ga daarheen! Zij hebben toen de twee mannen verlaten en gingen over in de varkens van de kudde. En zie, plotseling stormde heel die kudde varkens de steile oever af het Meer in en zij stierven in het water.

Ongebonden demonen (die nog geen taak of gastheer hebben) zijn het gevaarlijkst, want zij zullen onmiddellijk een mens zoeken die ontvankelijk is; zich dus openstelt voor het kwaad. De demonen weten dat Jezus daar niet aan meewerkt. Zij vrezen dat Jezus hen naar een gesloten afdeling van de onderwereld (Sheol) zal sturen, Abyssus genaamd. Dus smeken ze Hem: Als U ons uitdrijft stuur ons dan in die varkens van de kudde die verderop gehoed werd (vers 30). Daarop beval Jezus hun: Ga daarheen! De demonen verlaten vervolgens de twee mannen en varen in de varkens.

Het lijkt erop dat de demonen vals spel spelen. Want onmiddellijk nadat ze in de varkens zijn gevaren, dwingen ze de kudde varkens om zich in de afgrond te storten, in het Meer van Galilea. Daar sterven zij – zijn dat ook de demonen, zoals sommigen verklaren? Neen, demonen gaan niet zo gemakkelijk dood. Dat kan alleen door het verterend vuur van de hoge God, zoals Openbaring 20:10 getuigt. De varkens sterven en daarmee zijn de demonen ongebonden geworden, dus vrij om te gaan en staan waar ze willen. Jezus grijpt echter niet in, want Zijn tijd is nog niet gekomen. Satan is nog steeds de overste van deze wereld, zoals Johannes 12:31; 14:30 en 16:11 getuigen.


Vers 33 Echter de herders sloegen op de vlucht. Toen zij in de stad gekomen waren, hebben zij alles verteld, ook wat er met de bezetenen gebeurd was.

Vers 34 En zie toch! De gehele stad liep uit de Heer Jezus tegemoet. Toen men bij Hem aankwam, hebben zij er heftig op aangedrongen dat Hij uit hun gebied zou vertrekken.

Het verslag over de genezing van de twee bezetenen krijgt een triest einde. De inwoners van de stad – eigenaars van de kudde varkens – zijn niet blij dat de twee bezetenen genezen zijn. Zij zijn woedend over het verlies van de grote kudde varkens. De gehele stad loopt uit en posteert zich dreigend voor Jezus en Zijn discipelen die daarop in hun vissersboot stappen en terugkeren naar Kafarnaüm (Mattheüs 9:1).


Dit is een uittreksel van de Verklaring van Mattheüs door Gert A. van de Weerd. Daar wordt de grondtekst diepgaand verantwoord.

Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

Laat een reactie achter

Let op: reacties moeten eerst worden goedgekeurd voordat ze worden gepubliceerd.

Deze site wordt beschermd door hCaptcha en het privacybeleid en de servicevoorwaarden van hCaptcha zijn van toepassing.