Mattheüs 9 Bethel (Exegese)

📄 Download deze Bijbelverklaring (PDF)

Inleiding: Oplopende Spanningen

In Mattheüs 9 zien we de eerste tekenen van vijandschap tussen Jezus, en de Farizeeën of Schriftgeleerden. Dat was niet vanzelfsprekend. Jezus was als rabbi immers door Schriftgeleerden opgeleid en ‘één van hen’. Van die beroepsgroep werd je niet zomaar uitgestoten. Integendeel, het ‘elitair zijn’ werd gekoesterd en beschermd, ondanks meningsverschillen. Waarom ontstond die vijandschap nu dan wel? Om twee redenen:

1. Omdat Jezus hen onder de felle schijnwerper van de Wet Gods zet! Farizeeën en Schriftgeleerden worden door Jezus ontmaskerd als wetverachters en schijngelovigen (Mattheüs 23).

2. Jezus profileert zich in toenemende mate als de Zoon van God. En toont dat door mensen zonde te vergeven. Dat was – zo vonden zij – een Goddelijk privilege en een mens niet toegestaan.


Mattheüs 9:1-8 De Genezing van een Verlamde

Vers 1 Nadat Jezus in hun vissersboot was gestapt, voer die naar de overkant. Hij kwam aan land in Zijn eigen stad.

Jezus en Zijn discipelen keren per boot terug naar Kafarnaüm (waar Hij woonde) en verbleef enige dagen in zijn huis (Markus 2:1). Dat werd bekend, waardoor de mensen toestroomden om Hem te zien en te horen.


Vers 2 En zie! men bracht Hem een verlamde die op een bed lag. Toen de Heer Jezus hun groot geloof zag, richtte Hij zich tot de verlamde en zei: Houd moed Mijn kind, al uw zonden zijn u vergeven.

Uit Markus 2:4 en Lukas 5:19 weten we dat de verlamde via een opening in het platte dak neergelaten werd voor de voeten van Jezus. Het is opmerkelijk is dat Jezus niet over de handicap van de verlamde spreekt, maar over zijn zonden. Het suggereert op het eerste gezicht dat de verlamming uit een bepaalde zonde was ontstaan – als straf van God (zo wordt het vaak uitgelegd). Want de leer van Schriftgeleerden en Farizeeën zocht de oorzaak van rampspoed primair bij zondige daden van de getroffene of bij zijn ouders. Toch is die verklaring onwaarschijnlijk, omdat Jezus Zelf die denkwijze afwijst. Wat Gebeurt Hier Dan? Vergeving van zonden is een ‘innerlijke heling’. Er gebeurt dus iets met de verlamde – hij wordt geestelijk ‘geheeld’ – en het is uitgesloten dat hij daar niets van merkt. De Geest van Jezus komt over de verlamde. Zien we hier een voorafschaduwing van het Lichaam van Christus – de Gemeente – een geestelijke bundeling van gelovigen? Jazeker! Het geloof in Christus maakt ons namelijk één met Jezus Christus en dat gebeurt hier.

Het Kindschap Gods - Aan voorgaande veronderstelling kleeft een belangrijk bezwaar. Jezus is nog niet gestorven – ‘Het is volbracht’ heeft nog niet geklonken. Toch vergeeft Jezus hier de zonde van de verlamde en noemt Hij hem: Mijn kind. Dat kindschap legt Paulus uit in 1 Efeziërs 1:4-6 (NVB21):

4 In Christus immers heeft God, voordat de wereld gegrondvest werd, ons uitgekozen om heilig en zuiver voor Hem te staan, en vol liefde

5 heeft Hij ons naar zijn wil en verlangen voorbestemd om door Jezus Christus zijn kinderen te worden (= kinderen van God),

6 tot eer van de grootheid van Gods genade, ons geschonken in zijn geliefde Zoon.

Dat heilig en zuiver duidt op iemand waarvan de zonden vergeven zijn. Johannes 1:12 (NBV21) vult aan:

Wie Hem (Jezus Christus) wel ontvingen en in zijn naam geloven, heeft Hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden.

Vermoedelijk moeten we het zo zien dat de Zaligheid (na ons aardse leven) pas toegankelijk is geworden toen Jezus alles volbracht had. De macht van Jezus om zonden te vergeven daarvóór is dus een aardse en eenmalige toezegging. De verlamde is niet vrijgesteld van toekomstige zonden.

Tijdelijke en Duurzame Heiliging - Toetreden tot het Lichaam van Christus – de Gemeente – is geen vrijblijvende handeling. Het verbindt een Christen met Zijn Heer. Dat is een Duurzame Heiliging 1) die ook vergeving van toekomstige zonden omvat, hoe vreemd dat ook klinkt 2). Het is dan ook geen band die naar believen verbroken kan worden. Hebreeën 6:4-6 doet daarover een bindende uitspraak:

4 Want wie ooit door het licht beschenen is, geproefd heeft van de hemelse gave en deel gekregen heeft aan de heilige Geest,

5 wie het weldadig woord van God en de kracht van de komende wereld ervaren heeft

6 en vervolgens afvallig is geworden, kan onmogelijk een tweede maal worden bekeerd 3), omdat zo iemand voor zichzelf de Zoon van God opnieuw kruisigt en aan bespotting blootstelt.

1) Die Heiliging is een vervuld zijn met de waarheid van God in Jezus Christus (Johannes 17:17), waardoor we van de wereld ‘afgezonderd worden’ (Johannes 15:19 en 17:14-16).

2) De gelovige ervaart aandrang om kwaad te bestrijden en te vermijden. Onvermogen om volmaakt te zijn is dus geen blijvende smet, maar een handicap die bij het ouder worden zwaarder op ons drukt (Romeinen 7:13-25).

3) Iemand die Christus heeft leren kennen en liefhebben, maar toch met Hem breekt, gaat dus verloren.

De Heilige Geest is op dit tijdstip nog niet op aarde uitgestort, dus is Hebreeën 6 hier niet van toepassing 3). Er is geen sprake van Duurzame Heiliging, maar van Tijdelijke Heiliging van de verlamde. In feite gebruikt Jezus hier Zijn Goddelijke macht door in Naam van Zijn Vader de verlamde alle zonden te vergeven 4).

Een mens zonder zonde – ook al is dat tijdelijk – is wel per definitie een ‘kind van God’. Dat speelt ook hier, want Jezus spreekt de verlamde daarom aan met Mijn kind (= het kindschap Gods). Er gebeurde dus wat met de verlamde en dat heeft hij beslist ervaren!

Het kindschap Gods betekent dat God ons niet meer in onze vergankelijke staat ziet, maar een gelovige als ‘onderdeel’ van het Lichaam van Christus beschouwt. De hoge God kijkt als het ware als door de ‘bril van Christus’ de voormalige zondaar aan – een andere werkelijkheid.

3) Kenmerk van de Heilige Geest is dat we Die ‘ontvangen’; Hij gaat in ons wonen. Neemt die Geest ons dan over? Neen, het is een innerlijke stimulans (een kracht Gods) die we kunnen omarmen of bedroeven (Efeziërs 4:25-32).

4) Puur bezien vanuit de Thora (de Wet) maakt Jezus gebruik van Zijn eerstgeboorterecht, namelijk dat Hij voor Zijn Vader (God) mag optreden.

Heiliging door Vergeving van Zonden 1 – Jezus vergeeft de verlamde zijn zonde. Die daad wordt in verklaringen gewoonlijk onderschikt gemaakt aan de genezing van de verlamde. Onterecht, het is andersom. De genezing is een ‘bijkomend effect’. De vergeving van zonde is hier het grote wonder.

Was de verlamde teleurgesteld toen Jezus zijn zonden vergaf, maar zijn verlamming niet genas? – Zijn genezing kwam pas later en dat kon de verlamde op dat moment niet weten. Toch blijkt nergens enige teleurstelling uit. Er moet hem dus iets bijzonders overkomen zijn dat het grote verlangen naar genezing overschaduwde. Dat is de vergeving van zijn zonden! Het is dus zeker dat de vergiffenis van zonden een groot innerlijk effect op de verlamde had – zo ervoer hij voor een kort moment een voorsmaak van de komende Zaligheid. Een moment van zondeloosheid en dat is nogal wat. Dat plaatst hem in geestelijke zin terug in de Hof van Eden! De vreugde over dat innerlijk contact met Jezus was hem genoeg!


Vers 3 De aanwezige Schriftgeleerden reageerden ieder voor zich met groot misbaar: Die man lastert God!

Dit is de eerste keer dat Schriftgeleerden zich openlijk tegen Jezus keren. Op zich lijkt dat niet ten onrechte. Want de algemene mening was dat alleen de hoge God Zelf in staat is een mens zijn zonden te vergeven. Voor Farizeeën en Schriftgeleerden stond hier een Rabbi met Semikhah, een groot Thorageleerde, maar die was niet gerechtigd om Zich Goddelijke kwalificaties aan te meten. Geen andere profeet, apostel of priester had dit ooit met Gods toestemming gedaan, zelfs Petrus niet (Handelingen 8:22).

Jezus maakt gebruik van de Mozaïsche Wet. Een eerstgeboren zoon mocht volgens die Wet voor zijn vader optreden en dat is wat Jezus doet. Dus claimt Hij zo dat God Zijn Vader is en dat Hij als Zoon van God wel gerechtigd is zonden te vergeven. De Farizeeën wijzen dat categorisch af, omdat zij de Goddelijkheid van Jezus niet willen aanvaarden. Vanuit de theologie van de Farizeeën en Schriftgeleerden stond hier een mens Godslastering te bedrijven en daarmee is de eerste stap op het pad naar vijandschap jegens Jezus gezet.


Vers 4 Toen de Heer Jezus al hun misbaar opmerkte, richtte Hij Zich tot hen en zei: Wilt u beslist kwaad beramen in uw harten?

In de Joodse cultuur is luid weeklagen een normale wijze om verdriet of ongenoegen kenbaar te maken. Dat misbaar richtte zich op de uitspraak van Jezus Christus in vers 2: Houd moed Mijn kind, al uw zonden zijn u vergeven. De omstanders werden dus met een unaniem protest van de schriftgeleerden geconfronteerd. Maakte dat indruk op Jezus? Neen! Jezus reageert wat onderkoeld met een verrassend commentaar op de luid geuite kreten van afkeuring. Hij ontzenuwt de beschuldiging niet, maar beticht de Schriftgeleerden van kwaad beramen. Dat woord werd ook gebruikt om een conditie van ernstig ziek-zijn te omschrijven.

In feite zegt Jezus dus: Zijn jullie soms ziek in je hoofd? Want Zijn Goddelijke macht heeft Jezus door middel van de vele wonderen die Hij verricht had, dan al ruimschoots aangetoond. Bovendien kenden de Schriftgeleerden de profeten die over Hem geprofeteerd hebben. Ze dienden beter te weten! Hier regeert de dogmatiek dus over de waarheid en dat komt ook heden nog dikwijls voor,


Vers 5 Wat dunkt u is gemakkelijker: te zeggen: ‘Al uw zonden zijn vergeven’ of ‘Sta op en wandel’?

Jezus reageert op het luide misbaar van de Schriftgeleerden. Op hun denkwijze van: Als Jezus zou zeggen: Sta op en wandel, dan kon iedereen Hem controleren. Een uitspraak als: Al uw zonde zijn vergeven, zijn voor de Schriftgeleerden slechts woorden – oncontroleerbaar en tevens Godslastering in hun ogen. Hun luide misbaar zal zeker z’n effect gehad hebben op de vele toeschouwers. Door nu een tweede wonder te verrichten (de vergeving van zonden – hét grote wonder!), zet Jezus de Schriftgeleerden schaakmat.


Vers 6 Echter opdat u zult beseffen dat de hoge Zoon des Mensen macht heeft op de gehele aarde om zonden te vergeven, sprak Jezus toen tot de verlamde: Sta maar op, neem dan je bed op en ga heen naar je eigen huis.

Waarom de toevoeging hoge aan Zoon des Mensen? Omdat ieder mens een zoon des mensen is. Niet alleen in de betekenis ‘afstammeling van’. Ieder mens heeft de opdracht een ware zoon des mensen te zijn, dat is: volgens de geboden van de hoge God te leven. Dat lukte er maar één – de hoge Zoon des Mensen, Jezus Christus. Deze uitdrukking, waarmee Jezus Zich profileert als de tweede Adam en Zijn claim macht te hebben op de gehele aarde om zonden te vergeven, verergert in de ogen van schriftgeleerden de Godslastering van vers 2-3 in hoge mate. Jezus verwijst hier tevens naar Daniël 7:13-14 (HSV):

13 Ik keek toe in de nachtvisioenen, en zie, er kwam met de wolken van de hemel Iemand als een Mensen- zoon (Jezus Christus). Hij kwam tot de Oude van dagen (Beter: Hij die de tijdperken verduurt = God) en men deed Hem voor Zijn aangezicht naderbij komen.

14 Hem werd gegeven heerschappij, eer en koningschap, en alle volken, natiën en talen moesten Hem vereren. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die Hem niet ontnomen zal worden, en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan.

De Schriftgeleerden kenden deze profetie en die bevestigt vers 6a. Die claim zal door de Schriftgeleerden als Godslastering zijn gezien. De genezing van de verlamde is een anticlimax. Er volgt geen stroom van woorden van macht of geen rommelende donder. Jezus keert Zich tot de verlamde en spreekt hem vriendelijk toe: Sta maar op en neem dan je bed mee. Ga maar naar huis. Zo gewoontjes… zo effectief…!

Heiliging door Vergeving van Zonden 2 – Met de genezing van de verlamde bewijst Jezus Zijn Goddelijke missie en macht (vers 6a). Dat is een andere drijfveer dan de behoefte de verlamde te genezen die verder geen stem heeft in dit verhaal. Zijn lichamelijke nood komt zelfs niet ter sprake. Toch richt men zich in de meeste verklaringen exclusief op de lichamelijke genezing van de verlamde. Geeft Jezus niet aan dat ons zielenheil daar ver bovenuit gaat? De lichamelijke genezing was bijzaak!


Vers 7 Toen bleek dat hij kon opstaan, vertrok hij naar zijn eigen huis.

De verlamde ontvangt plotseling kracht en wordt genezen – zijn benen werken weer! Toch zegt hij niets, maar staat in de volheid van zijn geloof op en gaat naar huis. Vertoont juist die ‘anticlimax’ niet de stille innerlijke vreugde van wat hem overkwam? Zijn hart was ‘vol’ en er was geen plaats voor andere zaken.

De verlamde toont geen dankbaarheid noch grote vreugde. Dat is wel een doordenker. Was de innerlijke vreugde en rust de oorzaak? Hij was immers geheiligd omdat Jezus zijn zonden vergeven had en innerlijk ‘afgestemd op Jezus’. Proefde hij even iets van de komende Zaligheid? De persoonlijke ervaring van de verlamde behoefde geen uiterlijk vertoon; de man is al ‘van Jezus’ en de omstanders doen er voor hem niet meer toe. Die verbleken bij het overweldigende innerlijke licht van de Verlosser dat de verlamde ervaart – inderdaad: Een licht zo groot zo schoon, gedaald van ’s hemels troon (Lofzang van Simeon, berijmd).


Vers 8 Echter alle mensen die dat gezien hadden, waren diep onder de indruk en verheerlijkten de hoge God Die een dergelijke bevoegdheid aan iemand uit de mensen gegeven heeft.

Het woord echter staat in tegenstelling tot het misbaar van de Schriftgeleerden (Vers 3). De omstanders stemmen na de spectaculaire genezing niet met hun beschuldiging in – Godslastering. Integendeel, ze erkennen de Goddelijke autoriteit van Jezus en verheerlijken de hoge God, Die een dergelijke bevoegdheid aan iemand uit de mensen gegeven heeft.


Mattheüs 9:9-13 De Roeping van Mattheüs

Vers 9 De Heer Jezus ging vandaar weg en zag toen een man die in een tolhuis zat, Mattheüs genaamd. Hij zei hem: Volg Mij! Mattheüs stond op en volgde Hem.

De schrijver van dit boek is Mattheüs, dezelfde man die in het tolhuis zat. Het is opvallend hoe summier Mattheüs zijn roeping beschrijft. Hij vestigt de aandacht alleen op Jezus.

Het heeft er alle schijn van dat Jezus de vele mensen rond Zijn huis wil ontvluchten (paragōn kan namelijk

zowel weggaan als verdwijnen betekenen). Hij verlaat Kafarnaüm kennelijk via de hoofdweg naar het noorden – dat was de weg naar Syrië, onderdeel van een belangrijke verkeersader van Syrië naar Egypte. Daar was een groot douanekantoor gevestigd – een tolhuis – dat dienst deed als grenspost tussen het gebied van Filippus (tetrarch over het gebied ten Noorden en ten Westen van het Meer van Galilea) en Herodes Antipas (tetrarch over Galilea en Perea). In het douanekantoor zat Mattheüs zijn werk te doen (hij was ongetwijfeld hoofdambtenaar). Zijn ondergeschikten zullen zich waarschijnlijk beziggehouden hebben met de controle van de vele passerende mensen en voertuigen én met de inning van de tol.


Vers 10 Jezus lag op een gegeven moment aan voor een maaltijd in het huis van Mattheüs. Het viel op dat veel tollenaars en zondaars waren gekomen en samen aanlagen met de Heer Jezus en Zijn discipelen.

Het besluit om Jezus te volgen betekent dat Mattheüs als tolbeambte ontslag neemt. Hij besluit dat met een groot feestmaal te vieren, samen met familie, vrienden en collega’s. Jezus en Zijn discipelen zijn uiteraard de eregasten en hij zal enthousiast over Jezus verteld hebben. Tollenaars waren gehaat. Niet alleen omdat zij de vijand dienden (de Romeinen), ook omdat velen zich extra verrijkten door te hoge tol te eisen. Iedereen die met tollenaars omging was daarom per definitie een zondaar. Wetgetrouwe Joden zullen Mattheüs daarom zeker gemeden hebben. Vandaar dat in hun ogen sprake was van een maaltijd met tollenaars en zondaars. Desondanks zijn ook Jezus en Zijn discipelen naar het feestmaal gekomen.


Vers 11 De Farizeeën, die dat ook opgevallen was, spraken Zijn discipelen aan en zeiden: Waarom

eet uw Leermeester met tollenaars en zondaars?

Farizeeën waren primair gericht op de toepassing van de Wet (Thora), terwijl Schriftgeleerden zich meer bezighielden met studie en lesgeven. In geval een rabbi zich schuldig maakte aan laakbaar gedrag, zagen de Farizeeën het als hun taak om hem daarop aan te spreken. Ze richten zich echter niet tot Jezus Zelf, maar tot Zijn discipelen. Dat is op zich vreemd want dat waren leerlingen die nog maar net hun roeping aanvaard hadden. Zij waren geen serieuze gesprekspartner. Vermoedelijk tonen de Farizeeën hier schroom om Jezus zelf aan te pakken evenals in vers 3. Hij was immers een Rabbi met Semikhah – dus van grote reputatie.


Vers 12 Jezus nu Die het ter ore kwam, reageerde en zei tot hen: Wie zich geweldig voelen hebben geen dokter nodig, maar alleen wie ziek zijn. De Farizeeën gingen daarop weg.

De Farizeeën beschouwden zich als elite, ver verheven boven het ‘gewone volk’. Jezus brengt die hautaine houding op ironische wijze aan het licht. Dat is een humor die hard aankomt bij de Farizeeën en ze zijn dan ook snel verdwenen – ongetwijfeld zeer geïrriteerd dat ze zo te kijk worden gezet voor een publiek van ‘tollenaars en zondaars’. Jezus maalt er niet om; Hij is immers gekomen om zondaren te redden.


Vers 13 Jezus zei: Wat leren jullie hiervan? Het is immers barmhartigheid die Ik verlang en geen offerande. Want Ik ben echt niet gekomen om rechtvaardigen tot bekering te roepen, maar zondaars.

Ten overvloede legt Jezus vers 12 nog eens uit aan zijn tafelgenoten –tollenaars en zondaars (vers 11) – en citeert Hosea 6:6 Want liefde wil Ik, geen offers; met God vertrouwd zijn is meer waard dan enig offer.


Mattheüs 9:14-17 De Vraag Over het Vasten

Vers 14 Op een zeker moment kwamen enige uit de discipelen van Johannes de Doper tot Hem om de volgende vraag voor te leggen: Waarom toch vasten wij en de Farizeeën zoveel, maar al Uw discipelen geheel niet?

Johannes de Doper was de wegbereider van Jezus Christus en had voordat Jezus optrad al een kring van discipelen om zich heen verzameld. Die wisten dus van Johannes dat Jezus de lang verwachte Messias was. In Hem zou de Wet (Thora) vervuld worden en die wetenschap brengt hen in verwarring. Want de discipelen van Johannes hielden zich kennelijk aan de norm van de Farizeeën die tweemaal per week vastten. Was dat een Mozaïsch voorschrift? Neen, de Thora bevat slechts één vastendag, namelijk de Grote Verzoendag. Alle andere vastendagen waren uit de traditie voortgekomen. Johannes de Doper heeft over het vasten kennelijk geen uitspraken gedaan, anders hadden zijn discipelen deze vraag immers niet gesteld. Voor de discipelen van Johannes de Doper was Jezus niet alleen de Messias, maar tevens een Rabbi die bij de Farizeeën en Schriftgeleerden hoorde. Ze zullen verwacht hebben dat Jezus zich aan de geboden van de ‘beroepsgroep’ hield – de verwarring over het vasten is dus wel verklaarbaar.


Voorbespreking bij Vers 15-18

In Mattheüs 9:15-18 maakt Jezus gebruik van metaforen. Dat is een vorm van beeldspraak gebaseerd op

vergelijking en dat zijn bekende voorbeelden uit het dagelijks leven. Er is sprake van drie metaforen:

1. Het was een eer om mee te werken aan de organisatie van een bruiloft. Die eer was voorbestemd aan de naaste familie en zeer goede vrienden. Jezus gebruikt dit beeld om de vereniging met Zijn volk te omschrijven, zoals dat plaats zou vinden in het toekomstige Messiaanse Rijk. Die vereniging – Koning Jezus met Zijn volk – is dus de bruiloft. Dat die niet plaatsvond is duidelijk – de Joden wezen Hem af.

2. Indien een kledingstuk gerepareerd moest worden, kon je geen nieuwe stof gebruiken. Die krimpt bij het wassen en zo zou kledingstuk er raar uit gaan zien. Voor reparatie nam men gebruikte lappen stof.

3. Oude leren zakken drogen in en zijn na verloop van tijd nauwelijks meer bruikbaar. Deed men er toch water of wijn in dan begon de zak te lekken of scheurde open.


Vers 15 De Heer Jezus antwoordde hen: Er is geen aanleiding voor de ware zonen van de bruiloftszaal om te treuren, zolang de hoge Bruidegom bij hen is. Echter eens zullen de dagen komen dat de Bruidegom van hen weggenomen wordt; dan zullen zij vasten.

De zonen van de bruiloftszaal duidt op mensen die nauw verbonden zijn aan de Bruidegom. In dit geval betreft dat natuurlijk de discipelen van Jezus. Er waren wel meer Joden die uitzagen naar de bruiloft (= het Messiaanse Rijk), maar die hadden het ware geloof in Jezus Christus nog niet omarmd. De discipelen wel, vandaar dat zij ware zonen worden genoemd.

Jezus wijst in 15b op Zijn sterven en opstanding. Zijn discipelen zullen dat niet begrepen hebben, want zij keken uit naar het Messiaanse Rijk. In dat toekomstbeeld paste geen woord als weggenomen.

Het sterven van Jezus werd al eeuwen voorheen voorzegd – Jesaja 53:8 (NBV21):

Door een onrechtvaardig vonnis werd hij weggenomen. Wie van zijn tijdgenoten heeft er oog voor gehad? Hij werd verbannen uit het land der levenden, om de zonden van mijn volk werd hij geslagen.


Vers 16 Niemand zet immers een onbewerkte lap stof op een oude mantel. Want het opgezette stuk op de mantel krimpt en een ergere scheur ontstaat.

De oude mantel staat voor het Sinaïtische Verbond. Dat was niet te repareren. De nieuwe lap stof is het evangelie dat Jezus verkonigde – het Nieuwe Verbond. Dat is van een hogere orde dan het (oude) Sinaïtische Verbond. Het oude verbond eiste uiterlijke gehoorzaamheid aan de Wet; het Nieuwe liefde tot de hoge God en Jezus Christus, dus een innerlijke toewijding die in genegenheid de Wet omarmt.


Vers 17 Evenmin doet men jonge wijn in oude leren zakken. Want in dat geval barsten de leren zakken, de wijn stroomt weg en de zakken gaan verloren. Welnee, men doet jonge wijn in nieuwe leren zakken en zo blijven beide behouden.

De derde metafoor is als de tweede. Het is onmogelijk om het Sinaïtische Verbond (= het Oude Verbond) samen te voegen met het Nieuwe Verbond. De jonge wijn – symbool van een bekeerd Israël – dient in nieuwe leren zakken te worden gedaan, dus onder het Nieuwe Verbond te worden geplaatst.


Mattheüs 9:18-22 De Bloedvloeiende Vrouw

Vers 18 Terwijl Hij dit tot hen zei, was onverwacht de overste van de Synagoge aangekomen

en die viel voor Hem neer. Hij sprak indringend: Mijn enige dochter is zojuist gestorven! Maar toch… als U zou willen komen, leg dan Uw handen op haar en zij zal leven.

Kafarnaüm was een belangrijke plaats met een grote synagoge. De overste daarvan heette Jaïrus en was ongetwijfeld een bekende figuur in de stad (Markus 5:22, Lukas 8:41). Velen zullen hem herkend hebben toen hij naar het huis van Jezus toeliep. Tot verbazing van de omstanders valt de overste in aanbidding voor Jezus neer. Je ziet het haast voor je: Een rijk geklede man van hoge positie buigt zich in het stof voor Jezus en spreekt Hem in emotionele bewoordingen toe.

Wat hij zegt is nog vreemder: Mijn enige dochter is zojuist gestorven. Je zou kunnen zeggen: Wat doe je dan hier? Dat legt hij precies uit: Maar toch… als U zou willen komen, leg dan Uw handen op haar en zij zal leven.

De omstanders zullen gedacht hebben dat de man buiten zinnen was. Niemand kon opstaan uit de dood, zo was de algemene mening. Toch… als U zou willen komen… Wat toont Jaïrus hier een onwrikbaar geloof in de wondermacht van Jezus.


Vers 19 Nadat de Heer Jezus opgestaan was, volgde Hij hem samen met Zijn eigen discipelen.

Jezus is in Zijn eigen huis en de woning van de overste van de synagoge zal dichtbij geweest zijn. Jezus zegt niet: Ga je dochter maar begraven. Hij besluit met de overste mee te gaan, wat al een belofte inhoudt.


Vers 20 Onverwacht naderde een vrouw die al twaalf jaar aan voortdurend bloedverlies leed, Hem van achteren.

Vers 21 Zij pakte één van de kwasten van Zijn mantel vast, want ze dacht bij zichzelf: Als ik slechts Zijn mantel vastpak, zal ik genezen.

Op weg naar het huis van Jaïrus (de overste van de Synagoge – vers 18) nadert een onbekende vrouw Jezus van achteren. Ze strekt haar hand uit en pakt één van de kwasten van de mantel van Jezus vast. Is het toeval dat de vrouw juist een kwast van de mantel van Jezus pakt? Ik denk het niet. De kwasten, tsietsiet genoemd, symboliseerden namelijk de Wet. Jezus is gekomen om de Wet te vervullen en dat droeg Hij in Zijn prediking uit. Die Wet zou tot het Messiaanse Rijk leiden, waar ziekten uitgebannen worden. Het is waarschijnlijk dat de vrouw daarmee bekend was (21b) en dat ze daarom één van de kwasten vastgreep.

De mededeling die al twaalf jaar aan voortdurend bloedverlies leed, krijgt maar weinig aandacht. De gevolgen waren echter groot, want het bloedverlies maakte deze vrouw onrein, waardoor ze niet aan het sociale leven deel mocht nemen. Ze werd niet volledig geïsoleerd van de maatschappij, zoals een melaatse. Wel geweerd in de Synagogen en de Tempel en door mensen die de Wet nauwgezet naleefden.


Vers 22 Jezus echter keerde Zich om en keek haar aan, terwijl Hij zei: Houd moed dochter, uw grote geloof heeft u verlossing gebracht. Vanaf dat moment was deze vrouw genezen.

Dit vers is echt een doordenker. Want wat bedoelt Jezus nu? Wijst Hij op haar genezing of op haar grote geloof? Ik denk haar geloof. We zien hier hetzelfde patroon als bij de genezing van de verlamde. Jezus richt zich primair op het zielenheil van de vrouw en vergeeft ook deze vrouw haar zonden. Evenals over de verlamde kunnen we zeggen: Deze vrouw werd geheiligd omdat Jezus haar zonden vergeven heeft en is zo ‘afgestemd op Jezus Christus’. Ook zij proeft iets van de komende Zaligheid. De ervaring van deze vrouw behoeft verder geen uiterlijk vertoon; ze is al ‘van Jezus’ en de omstanders doen er voor haar niet meer toe. Die verbleken bij het overweldigende innerlijke licht van de Verlosser dat de vrouw ervaart – Een licht zo groot zo schoon, gedaald van ’s hemels troon (Lofzang van Simeon, berijmd).


Mattheüs 9:23-26 De Dochter van de Overste van de Synagoge

Vers 23 Toen de Heer Jezus in het huis van de overste van de Synagoge aangekomen was, liet Hij Zijn ogen gaan over de groep fluitspelers en de vele klagende mensen.

Vers 26 Het verhaal hierover verspreidde zich in de wijde omgeving.

Als Jezus bij het huis van Jaïrus aankomt, ontrolt zich een traditioneel beeld. Als namelijk een gezinslid van een welgestelde familie overleed, werden meerdere klaagvrouwen en fluitspelers besteld die aan het verdriet van de familie uiting moesten geven. Het was een algemeen aanvaard ritueel.


Vers 24 Hij verzocht hen dringend: Trek u terug, want het meisje is niet gestorven maar slaapt, maar zij lachten Hem uit.

Er was geen twijfel dat de dochter van Jaïrus gestorven was, dus wordt de mededeling van Jezus niet serieus genomen – Hij wordt uitgelachen, wat op zich ook duidelijk maakt dat de klaagvrouwen en fluitspelers zelf geen verdriet hadden. Het was slechts uiterlijk vertoon. Jezus spreekt als Zoon van God. Hem was bekend dat de doden in de onderwereld slapen (Daniël 12:13) totdat de hoge God hen opwekt tot het laatste oordeel. Dat standpunt was de aanwezigen niet bekend. Voor hen was de lichamelijke dood definitief en daarom lachen ze Jezus uit. Voor de toeschouwers is het meisje dood, voor Jezus slaapt ze.

Dat Jezus niet beaamt dat het meisje is gestorven, maar slaapt heeft een achtergrond. Aan Hem zijn namelijk de sleutels van het dodenrijk gegeven (Openbaring 1:17-18). Daarmee heeft de hoge God Hem macht over het dodenrijk gegeven, dus kan Hij doden opwekken.


Vers 25 Nadat alle aanwezigen verwijderd waren en Hij naar binnen was gegaan, greep Hij haar handen stevig vast en het meisje stond op.

Op gezag van Jezus moeten allen vertrekken. Jezus gaat het huis binnen en loopt op het dode meisje toe. Dan pakt Hij haar beide handen stevig vast. Het meisje slaat de ogen op en staat op. Hier vindt een ongehoord wonder plaats. Ook nu klinkt geen stroom van woorden van macht of een rommelende donder. Jezus pakt alleen haar handen vast: Zo gewoontjes… zo effectief… zo vol stille macht!


Mattheüs 9:27-31 De Genezing van Twee Blinden

Vers 27 Toen de Heer Jezus vandaar verderging, werd Hij gevolgd door twee blinden. Ze lieten luid van zich horen en zeiden: Heb toch medelijden met ons, Zoon van David!

De geschiedenis van de twee blinden bevat een opvallende dissonant. Het is namelijk wel duidelijk dat Jezus het luide roepen van de blinden niet op prijs stelt – ja, zelfs dat Hij er boos over wordt (Vers 30).


Kanttekeningen 9C: De Ergernis van Jezus

Waarom was Jezus zeer geërgerd was geraakt. Mattheüs 17:9 (NBV21) geeft het antwoord:

Toen ze de berg afdaalden, gebood Jezus hun (de discipelen): ‘Praat met niemand over wat jullie hebben gezien voordat de Mensenzoon uit de dood is opgewekt.’

Het Koningschap van Jezus diende verborgen te blijven totdat het volk zich bekeerd zou hebben of – na de afwijzing door de Joden – totdat Jezus gestorven was en opgewekt. Want toen was Zijn Koningschap de volgende ‘Gestelde Tijd’ geworden, dus de volgende halte op de heilsweg van het volk Israël. De twee blinden waren met het luidkeels verkondigen van ‘Zoon van David’ voorbarig, Het was nog niet zover.


Vers 28 Nadat Hij in het huis (van Petrus) was binnengegaan, kwamen de blinden naar Hem toe. De Heer Jezus sprak indringend tot hen: Gelooft u echt dat Ik dit kan doen? Zij verzekerden Hem: Ja, Heer! – Daarop heeft Hij hun ogen aangeraakt.

Vers 29 Hij vervolgde: Vanwege uw getoonde geloof zal dit aan u geschieden. Toen werden hun beide ogen geopend.

De twee blinden volgen Jezus het huis van Petrus in en dringen zich zo aan Jezus Christus op. Desondanks worden ze toch te woord gestaan. De vraag van Jezus is bijzonder. Die werd niet aan Jaïrus gesteld, noch aan de verlamde, noch aan de bloedvloeiende vrouw. Het is alsof Jezus twijfelt aan hun beweegredenen.

Tweede bijzonderheid is dat Jezus niet over hun geloof spreekt. Hij vraagt of de blinden in Zijn wonder- macht geloven. Beiden verzekeren Hem: Ja Heer! En ze worden genezen. Toch rijzen hier onbeantwoorde vragen over het gedrag van de twee blinden. Want dat verschilde heel veel van de bescheidenheid van de verlamde, van Jaïrus en de bloedvloeiende vrouw. Die drie tonen een dienende houding die eer geeft aan de Heer Jezus. De twee blinden beschouwden Jezus als de Messias en als een soort wonderdoener – een super-David –, niet als dé Verlosser die de brug slaat naar de hoge God en ons met Hem verzoent.


Vers 30 De Heer Jezus nu had Zich zeer aan hen geërgerd. Hij drong erop aan: Zorg ervoor dat niemand dit te weten komt.

Vers 31 Toen zij echter vertrokken waren, bazuinden zij het nieuws over Hem rond in de wijde omgeving.

Het opdringerige gedrag en de luid geuite claim aan Zijn adres hebben Jezus zeer geërgerd. Hij dringt er bij de genezen blinden op aan om zich in te tomen. Om stil naar huis te gaan en de genezing niet rond te bazuinen. Het mag niet baten. De twee blinden worden de zonden niet vergeven. Zij werden innerlijk ook niet aangeraakt door Jezus en proefden daarom ook niets van de komende Zaligheid, zoals de verlamde en de bloedvloeiende vrouw wel ervoeren? De blinden gaan even luidruchtig weg als ze gekomen zijn. Waren zij geheiligd in Jezus? Neen, zij dienden slechts als ‘object voor een wonderdaad’ en tot bevestiging van de Goddelijkheid van Jezus Christus. Het innerlijke licht zo groot zo schoon hebben ze helaas gemist!


Mattheüs 9:32-34 De Bevrijding van een Stomme Bezetene

Vers 32 Nadat zij zelf ook naar buiten gegaan waren, werd Hem plotseling een man gebracht die bezeten was en niet kon spreken.

Vers 33a Toen deze demon uitgedreven was, begon de stomme te praten. De vele aanwezigen waren diep onder de indruk en bespraken dat, zeggende: Zoiets is toch nog nooit in Israël voorgekomen?

Jezus wordt geen rust gegund, want een volgende delegatie meldt zich. Ze hebben een man meegenomen die bezeten was en niet kon spreken. De stomme bezetene was, vóór hij verlost werd ‘bezet’ door een demon, dus speelt vergeving van zonden hier niet. Hij was niet verantwoordelijk voor zijn daden. Met de demon wordt ook de zonde uit de man verwijderd, want die is de drager, dus begint hij met een schone lei. Heeft hij het innerlijke licht zo groot zo schoon wel gezien? Natuurlijk, dus gaat hij later stilletjes van Jezus weg – Zo gewoontjes… zo effectief… zo vol stille macht!

De reactie van het publiek vormt een scherp contrast met het misbaar van de Schriftgeleerden (vers 3)en de afkeuring van de Farizeeën. Je ziet het voor je. Enige honderden mensen gaan naar huis, zichtbaar onder de indruk en heftig discussiërend over wat ze gezien en gehoord hebben.


Vers 34 Echter de Farizeeën verklaarden: Het is dankzij de vorst der demonen dat Hij demonen uitdrijft.

De Farizeeën konden moeilijk de genezing van de verlamde bekritiseren of van het dochtertje van Jaïrus of

van de twee blinden of van de stomme bezetene. Hun ergernis over de vermeende Godslastering van Jezus ventileren ze op uiterst wijze. Het is eigenlijk een zielig verweer om Jezus zo als een dienaar van Satan neer te zetten. Ze staan dan ook voor een onmogelijke overweging, namelijk: Jezus kan volgens hun eigen theologie niet Goddelijk zijn. Dus moet Zijn wondermacht wel uit Satan voortkomen.

Zo zien we de relatie tussen Jezus en de Farizeeën omslaan van ‘hij is één van ons’ naar pure vijandschap. 2)


Mattheüs 9:35-38 De Oogst is Groot

Vers 35 De Heer Jezus trok door alle steden en dorpen, terwijl Hij in elke plaatselijke synagoge onderwijs gaf. Zo predikte Hij het evangelie van het hoge Koninkrijk. Ook genas Hij elke ziekte en elke kwaal.

Hoewel de verhouding tussen Jezus en de Farizeeën sterk verslechterd is, heeft die nog geen invloed op Zijn faam als Rabbi met Semikhah. Hij wordt in elke synagoge nog als toptheoloog ontvangen en geëerd.

In deze periode verkondigt Jezus Christus vrijelijk het evangelie van het hoge Koninkrijk. Dat Hij elke ziekte en kwaal van de toegestroomde mensen genas, zal zeker tot volle synagogen geleid hebben. Zo worden de zaden uitgestrooid die een algemene bekering zouden moeten bewerken, dus een landelijke opwekking in Godsvrucht en dat zou de deur openen van het pad naar het Messiaanse Rijk.


Vers 36 Aangezien Hij al die mensen doorgrondde, werd Jezus omwille van hen door medelijden bewogen, want zij waren onzeker en murw geslagen als schapen zonder herder.

De tijd was rijp voor een grote verandering – voor een opwekking. Maar het ontbrak het Joodse volk aan een herder, een bezielend leider en te weinig mensen begrepen dat Jezus het was. Het harde bewind van koning Herodes de Grote en zijn opvolgers, de hoge belastingen die de bevolking uitmergelde, hadden het Joodse volk terneergeslagen. De toekomst was onzeker en elk protest werd wreed de kop ingedrukt. Men zocht een Messias-figuur die als rebellenleider het volk naar de vrijheid zou voeren – bekering kwam in dat verlangen nauwelijks voor. Jezus ziet hun nood en wordt door medelijden bewogen.


Vers 37 Hij sprak toen Zijn discipelen toe: De oogst is dan wel groot, toch zijn er maar weinig arbeiders.

Een opwekkingsbeweging staat of valt met charismatische leiders die het proces van verandering leiden en versnellen. Dat kan Jezus Christus niet alleen. Zijn twaalf discipelen zijn nog nauwelijks opgeleid, maar ook hun getal is te gering (weinig arbeiders). Er zullen veel meer arbeiders nodig zijn, maar slechts weinigen melden zich aan.

De verzuchting van Jezus heeft een ondertoon van groeiende twijfel over het mogelijke succes van Zijn missie. Want er begon geen ‘grote opwekking’ in Judea noch in Galilea, ondanks dat velen (echter veel te weinig) naar Jezus Christus toekwamen en Zijn evangelie hoorden én dat soms ook ter harte namen.


Vers 38 Daarom dient u de hoge Heer van de oogst te bidden dat Hij arbeiders zal uitzenden voor de oogst die Hem toekomt.

Algemeen verklaart men dit als een verwijzing naar het uitsturen van de discipelen in het kader van de verspreiding van het evangelie. In die denkwijze zijn de arbeiders ‘nieuwe zendelingen’ na de discipelen die tot een overweldigende groei van de christelijke kerk zullen leiden. Echter dat staat er niet. Jezus draagt Zijn discipelen op dat zij de hoge God (Hij) vragen om meer arbeiders te sturen – niet dat zijzelf gestuurd worden.

In feite zegt Jezus dat Hij onder de huidige omstandigheden te weinig mankracht heeft. Want de enige arbeider op dit moment is Hijzelf, omdat de discipelen nog niet klaar zijn voor hun taak en daarom op dit moment nog niet uitgestuurd kunnen worden 1).

In wezen worden we hier geconfronteerd met de menselijke natuur van Jezus Christus. Hij ziet een enorme taak op zich af komen en ervaart nu dat het Joodse volk Hem wel aanhoort, maar niet massaal tot bekering komt. Hij wordt geconfronteerd met een mogelijke mislukking van Zijn queeste. Namelijk dat het Joodse volk Hem afwijst.

We vergeten vaak dat Jezus in alles de mensen gelijk is geworden, uitgenomen de zonde. Dat betekent ook dat Hij moe kon worden, zelfs bang en dat Hij tegen zware taken kon opzien, zoals ook blijkt uit Mattheüs 26:39 (NBV21):

‘Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan! Maar laat het niet gebeuren zoals Ik het wil, maar zoals U het wilt.’


Dit is een uittreksel van de Verklaring van Mattheüs door Gert A. van de Weerd. Daar wordt de grondtekst diepgaand verantwoord.

Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

Laat een reactie achter

Let op: reacties moeten eerst worden goedgekeurd voordat ze worden gepubliceerd.

Deze site wordt beschermd door hCaptcha en het privacybeleid en de servicevoorwaarden van hCaptcha zijn van toepassing.